'Auschwitz zal ik nooit echt doorgronden'

Een nieuw studiecentrum wil aan het permanente debat over de holocaust een bijdrage leveren. Directeur Houwink ten Cate gelooft niet meer in de, onder historici populaire, opvatting dat in ieder mens een moordlustig beest schuilt...

De holocaust mag in het spraakgebruik dan staan voor het absolute kwaad, onder historici geeft het begrip ook volop aanleiding tot debat. Is holocaust een synoniem voor volkerenmoord in het algemeen, of is het uitsluitend van toepassing op de vernietiging van de joden in Europa?

Hoever strekt de medeplichtigheid zich uit? Waren alleen de ingenieurs en de uitvoerders van de Endlösung verantwoordelijk, of ook al diegenen die lijdzaam toekeken?

En hoe figureert de holocaust in het collectief geheugen? Als een vermaning voor de toekomst, of als herinnering aan een duister verleden?

De holocaust is dus voorwerp van een 'discussie zonder einde', zoals de Utrechtse historicus Pieter Geyl zijn vak omschreef. Het vorige week gestichte Centrum voor Holocaust- en Genocidestudies wil een bijdrage leveren aan die discussie. Over de vraag of dit de vestiging van een nieuw instituut rechtvaardigt, houden de betrokkenen zich nogal op de vlakte.

Directeur Johannes Houwink ten Cate (1956) erkent, ietwat beschroomd, dat hier mede overwegingen van budgettaire aard aan ten grondslag liggen. Een centrum met een specifieke opdracht zal misschien meer geldschieters weten te trekken dan wanneer de kernactiviteit - zoals nu - bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (Niod) is ondergebracht.

De nieuweling is dan ook geen concurrent van het Niod. Integendeel: het Niod behoort tot zijn financiers. Net als de Universiteit van Amsterdam, die het initiatief heeft bekroond met een nieuwe leerstoel (eveneens toegedacht aan Houwink ten Cate) die de aantrekkelijkheid van de universiteit voor aankomende historici mogelijk vergroot.

Tot de voornemens van Houwink ten Cate behoort in elk geval niet de heropening van de Historikerstreit die zijn Duitse vakgenoten zo'n twintig jaar geleden voerden over de vraag: was de holocaust een unieke eruptie van menselijke moordzucht, of is hij in beginsel op elk moment en elke plaats herhaalbaar? Volgens Houwink ten Cate is deze discussie 'in wetenschappelijke zin' in het voordeel van het laatste standpunt beslecht. Zelfs Duitse en Israelische historici zijn, met achterlating van een enkele purist, tot het inzicht gekomen dat de holocaust in omvang misschien ongeevenaard was, maar in aanleg niet uniek is.

Dat inzicht komt in de naamgeving van het onderzoekscentrum tot uiting: holocaust- en genocidestudies. Het werkterrein strekt zich, met andere woorden, uit tot de Balkan, Rwanda, en alle andere plaatsen waar de ene bevolkingsgroep zich systematisch aan de andere heeft vergrepen.

Dat vereist wel een voortdurende aanpassing van bestaande definities, erkent Houwink ten Cate. 'Genocide, of het g-woord, brengt een siddering in de publieke opinie teweeg. We hebben dat gezien nadat schokkende foto's van Bosnische detentiekampen de wereld waren overgegaan. Deze bleken naderhand in scène te zijn gezet. Maar aan hun effect deed dat geen afbreuk meer. De Auschwitz-metafoor had zijn werk gedaan. Het interessante van die metafoor was dat ze in alle beschaafde landen dezelfde verontwaardiging wekte. Auschwitz behoort immers bij uitstek tot de collectieve ervaringen. Het is een bindend element dat door zo'n foto van een uitgemergelde gevangene wordt versterkt.'

Maar pleit dit nu juist niet voor een terughoudend gebruik van het begrip holocaust? Wordt het lot van de joden in de Tweede Wereldoorlog niet onbedoeld gerelativeerd door een kwistig gebruik van de Auschwitz-metafoor?

Allerminst, zegt Houwink ten Cate. 'De shoah scherpt de alertheid voor herhaling - op welke schaal en op welke grondslag dan ook. Dat hebben de beschaafde landen met elkaar afgesproken: om zichzelf voor genocidale uitglijders te behoeden, hebben zij de fragiele barricades van de mensenrechten opgeworpen. Niet als blijk van naastenliefde, maar uit welbegrepen eigenbelang.'

Waarmee hij niet gezegd wil hebben dat de Shoah dus tenminste nog ergens goed voor is geweest. 'Het is een volstrekt zinloze slachtpartij geweest die de nabestaanden tot zinnige reacties heeft geïnspireerd.'

De verwerking van het collectieve drama heeft niet overal hetzelfde verloop gehad. 'In Nederland zijn al betrekkelijk vroeg vraagtekens geplaatst bij ons slachtofferschap. En inmiddels overheerst bij ons de neiging om het verzet te bagatelliseren, en de collaboratie tot norm te verheffen. Dat was aanvankelijk misschien dapper, maar inmiddels is dat idee dat de oorlogsgeneratie collectief fout was een cliché waaraan de na-oorlogse generatie de eigen morele superioriteit scherpt.'

Zweden vereenzelvigde zichtot voor kort fier met Raoul Wallenberg, de Zweedse diplomaat die honderden Hongaarse joden van de dood heeft gered. Maar ook daar zet de jongste lichting historici de geschiedenis in een ander licht: zij brengen de levering van ijzererts aan Nazi-Duitsland in herinnering, en verklaren Zweden medeschuldig aan de duur van de oorlog, en het lot van de joden.

Amerikaanse historici zijn - onder invloed van de Vietnam-oorlog - teruggekomen op het hoogmoedige standpunt dat alleen verderfelijke regimes en individuen tot verderfelijke handelingen in staat zijn. Ook hun vaders hebben - misschien zelfs met de beste bedoelingen - kwistig met napalm gestrooid.

Maar ook deze trend zal wel weer uitnodigen tot een reactie, denkt Houwink ten Cate. Zo is hijzelf teruggekomen op zijn onderschrijving van Hannah Ahrendts these van 'de banaliteit van het kwaad'. Op de populaire opvatting dus, dat in ieder mens een Adolf Eichmann schuilt. Inmiddels heeft hij zich losgemaakt van dit duistere mensbeeld, en weet hij dat het daderschap vele gradaties kent.

Hij heeft echter niet de illusie dat dit voortschrijdend inzicht hem ooit in staat zal stellen om de menselijke drijfveren achter de genocide ten volle te begrijpen. 'Dat besefte ik toen ik een paar jaar geleden heel flink een lid van de joodse kamppolitie van Westerbork aansprak op zijn aandeel bij de ontruiming van de zwakzinnigeninrichting Het Apeldoornse Bos, begin 1943. Hij zei, bij wijze van moreel verweer: ''Als overlevende van Auschwitz kan ik niet geloven wat ik daar met eigen ogen heb gezien. Maar als u zegt dat u het gelooft, geloof ik het ook.'' En hij had gelijk: als hij zich, als getuige, geen voorstelling van die gruwelen kan maken, kan ik het zeker niet.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden