Auschwitz als religie

'De oorlog is voorgoed voorbij', luidde de kop boven een essay van Chris van der Heijden vorige week in Vrij Nederland, door de voormalige verzetskrant prominent op het omslag gezet....

Veel lezers zullen het wat vermoeide betoog van Van der Heijden op het eerste gezicht met instemming begroet hebben. Want wat moeten we anno 2003 aan met die niet-aflatende stroom van boeken en documentaires, redevoeringen en gedenktekens, zoals de plaquette voor Engelandvaarders, vorige week onthuld op het 'Soldaat van Oranjestrand' voor het Kurhaus in Scheveningen?

Begrijpelijke twijfels, maar tegelijk rijst de vraag of de suggestie van Van der Heijden niet op een misvatting berust. Zijn aansporing doet in meer dan één opzicht denken aan het pleidooi van de vooraanstaande conservatieve Duitse historicus Ernst Nolte, die zijn landgenoten in 1986 opriep hun obsessie met het Derde Rijk te overwinnen en deze 'onverteerbare' geschiedenis, deze 'negatieve mythe van het absolute kwaad' tot hanteerbare en inzichtelijke proporties terug te brengen, zodat Duitsland een 'gewoon' land kon worden.

In het tumult dat daarop volgde, bleek pas goed hoe diep de herinneringen aan deze episode zaten: het Derde Rijk bleek inderdaad een mythe, maar dan opgevat als een oorsprongsverhaal, dat richting geeft aan normen en waarden, dat betekenis geeft aan het leven in verleden, heden en toekomst.

We kunnen het ook anders zeggen. Hoewel de beelden van het World Trade Center een blijvende plaats in de collectieve herinnering zullen krijgen, zal de maatschappelijke betekenis ervan na verloop van tijd afnemen. De aanslag had het effect van een politieke aardbeving, waarvan de gevolgen weliswaar vèrstrekkend waren maar niet raakten aan de grondslagen van de samenleving, in de VS zomin als in Europa.

Dat kan niet gezegd worden van de nazistische vernietigingskampen. Ook Auschwitz laat zich vergelijken met een aardbeving, maar dan een waarbij - in de woorden van de Franse filosoof Jean-François Lyotard - niet alleen levens, gebouwen en voorwerpen, maar ook de meetinstrumenten verloren zijn gegaan. We leven op de puinhopen, weten niet hoe het allemaal heeft kunnen gebeuren en of het weer zou kunnen gebeuren.

Daarom laat deze geschiedenis ons ook niet los: de herinneringen aan de industriële moord op miljoenen joden, zigeuners, zieken, homoseksuelen en andere minderwaardig geachte mannen, vrouwen en kinderen, in een hoogontwikkeld Europees land, onder de ogen van miljoenen medeburgers, hebben nog geen vaste plaats kunnen krijgen in onze cultuur.

Auschwitz staat, met de geschiedenis van kolonialisme en slavernij, symbool voor het tekort van de westerse samenleving. Pogingen de samenleving te bevrijden van de last van deze geschiedenis zijn dan ook gedoemd te mislukken. Dat is ook de strekking van Een vreemd geluk, een studie van literatuurwetenschapper en uitgever Jan Oegema over de manier waarop in Nederland de laatste twintig jaar met de herinnering aan de nazistische vernietiging is omgegaan. In zijn ogen heeft zich rond Auschwitz een 'publieke religie' gevormd, die een opmerkelijke verwantschap vertoont met gewone godsdiensten, met eigen heiligen, mystici en martelaren, een eigen leer van het kwaad, een eigen mensbeeld en moraal - maar zonder een god en minder georganiseerd. En zoals elke godsdienst kent ook deze publieke religie haar 'vulgaire' uitingen, commerciële kitsch en goedkope emoties.

Het gaat Oegema in Een vreemd geluk niet om de nazistische vernietiging zelf, en al evenmin om de geschiedenis van de collectieve herinnering, maar om een verkenning van de aard, de binnenkant van de publieke religie. Dat verklaart ook de keuze van zijn thema's: Auschwitz als het nieuwe Golgotha (oftewel: de 'verchristelijking' van de 'holocaust'), Hitler als politieke theoloog (oftewel: de belichaming van het kwaad), de discussies over de onvoorstelbaarheid van de vernietiging (oftewel: het beeldverbod), de taboes waarmee de geschiedenis is omgeven (oftewel: zondaars en ketters).

De nieuwe religie, betoogt Oegema, is in de kern stevig verankerd in de joods-christelijke traditie en laat zich dan ook in die termen beschrijven. De titel van het boek, ontleend aan het werk van Albert Camus, is in dat verband veelzeggend: het 'vreemde geluk' is het gevoel dat de gelovige overkomt wanneer hij mee-lijdt. Zoals de dood van Christus aan het kruis het leven en lijden van de gelovigen tegelijk zin én troost biedt, zo betrekt ook Auschwitz ons in 'een groots en huiveringwekkend mysterie'. Of, zoals Ian Buruma al schreef: als we ons met Anne Frank identificeren, is dat niet alleen in de hoop verlost te worden van onze zonden, maar ook uit een verlangen zelf een 'beetje heilig te worden'.

Oegema, die eerder een interessante studie publiceerde over Lucebert als mysticus, toont zich op zijn best wanneer hij de ontvangst en interpretatie van het werk van Etty Hillesum in de jaren tachtig en negentig beschrijft. In de cultus rond haar persoon komt de publieke religie in al haar vormen en aspecten voor het eerst volledig tot uitdrukking, aldus Oegema, die niet verhult ook zelf diepgaand door deze ideeën en gevoelens te zijn beïnvloed.

Daarmee is tegelijk de kracht en de zwakte van dit uitdagende boek aangegeven. Oegema is zélf een gelovige en schrijft met grote passie over zijn helden, waartoe behalve Hillesum ook Lucebert en de Franse humanistische filosoof Levinas behoren. Deze betrokkenheid stelt de lezer in staat de diepte te peilen van de gedachten en gevoelens waarop deze 'publieke religie' is gestoeld. Aan de andere kant blijft Oegema door deze bevlogenheid gevangen in zijn eigen verhaal, met alle gevolgen vandien. Zo schrijft hij anderen soms wat al te gemakkelijk een 'metafysische oriëntatie' toe, terwijl zijn analyses vaak de scherpte missen van die van een auteur als Peter Novick, die een paar jaar geleden een vergelijkbaar boek schreef over de 'holocaust' in de Amerikaanse cultuur.

Het meest pijnlijke bewijs dat Oegema is opgeslokt door de religie die hij zegt kritisch te willen beschrijven, ligt echter in de consequente uitsluiting van andere, niet-joodse slachtoffers van de nazistische vernietiging. Auschwitz wordt hier gereduceerd tot een exclusieve joodse geschiedenis, een lijdensverhaal dat zich vervolgens inderdaad gemakkelijk laat inpassen in de bestaande religieuze tradities. Daaruit blijkt dat Oegema een belangrijk element in de blijvende aandacht voor Auschwitz over het hoofd heeft gezien: het besef dat het proces dat zich hier voltrok, moet worden beschouwd als een product van de moderne wereld, een episode die - in de woorden van politiek filosoof Robert Nozick - bewijst dat de hedendaagse mens in staat is tot systematische, industriële vernietiging, inclusief zelfvernietiging.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden