Artsen hebben geen monopolie op genezen

HOMEOPATHISCH arts Lex Rutten poneert in Forum van 14 maart twee stellingen: 'De wetenschap neemt de homeopathie onvoldoende serieus' en 'Het uitoefenen van de homeopathie moet zijn voorbehouden aan artsen.'..

Met de eerste stelling ben ik het hartgrondig eens. Neem als bewijs het ook door Rutten genoemde onderzoek van de universiteit van Maastricht onder leiding van professor Knipschild. Na een inventarisatie van 110 onderzoeken naar de effectiviteit van homeopathie stelde het rapport: 'Het hoge percentage goed uitgevoerde onderzoeken dat gunstig uitvalt voor de homeopathie heeft ons verrast. Op grond van deze uitslagen zouden wij moeten concluderen dat homeopathie werkt, ware het niet dat het werkingsmechanisme van de homeopathie ons onduidelijk is.'

Je zou veronderstellen dat deze uitspraak - die volkomen in strijd is met de wetenschappelijke traditie - alle wetenschappelijke klompen spontaan deed breken. Maar er weerklonk een zucht van verlichting in de wereld van wetenschappers, medici en wellicht zelfs de farmaceutische industrie: homeopathie werkt niet, want in Maastricht snappen ze niet hoe.

Eerlijker is de conclusie van de Britse onderzoeker Reilly naar aanleiding van een viertal door hem uitgevoerde onderzoeken naar de werkzaamheid van homeopathie. Eén daarvan werd onlangs in The Lancet gepubliceerd. Reilly stelt dat òf homeopathie niet deugt, òf het klinisch effectonderzoek van de wetenschap niet.

De open en flexibele houding die Rutten vraagt van de reguliere wetenschap mis ik in zijn standpunt over niet-arts homeopaten die zich met de gezondheidszorg bezighouden. In 1993 maakte de wet BIG (Beroepen Individuele Gezondheidszorg) een einde aan de monopoliepositie van artsen. Op een aantal zogenoemde 'voorbehouden handelingen' na, chirurgie, injecteren en dergelijke, mag iedereen zich met genezen bezig houden. Rutten stelt terecht dat een dergelijke situatie een gevaar voor de volksgezondheid kan opleveren.

Dan resteren twee opties: de wet BIG terugdraaien of aanvullende maatregelen nemen om patiënten bij iedere behandelaar afdoende veiligheid te garanderen. Alleen de tweede optie lijkt reëel. Ten eerste gezien de maatschappelijke ontwikkelingen waarbij een grote groep niet-artsen zich met gezondheidszorg bezig houdt. Daarbij heeft de wet BIG een ontstaansgeschiedenis van vele jaren, te lang om na twee jaar weer terug te draaien.

De arts is dus voor de komende decennia - en waarschijnlijk voorgoed - zijn monopoliepositie kwijt. In het nieuwe tijdperk is het belangrijk dat iedereen die in een eerstelijnsfunctie in aanraking komt met patiënten, zorg moet leveren die aan ten minste drie eisen voldoet: de zorg moet veilig zijn, deskundig en ethisch verantwoord.

Met betrekking tot de veiligheidseis bestaan globaal gezien drie mogelijkheden. De eerste mogelijkheid is dat iedere werker in de eerstelijnsgezondheidszorg zóveel onderricht krijgt in de medische en diagnostische vaardigheden, dat hij te allen tijde zelfstandig kan handelen. Dit betekent medische en diagnostische kennis op huisartsenniveau. Een tweede optie is dat alternatieve geneeskundigen voldoende medisch onderricht krijgen om alert te zijn op situaties die reguliere zorg vereisen, om vervolgens in samenwerking met de huisarts te bepalen in hoeverre het verantwoord is verder te behandelen.

Een derde en laatste mogelijkheid is iedereen vrij te laten in de hoeveelheid te verwerven medische kennis. De huisarts krijgt de positie van poortwachter van de gezondheidszorg, en bij hem ligt de uiteindelijke verantwoordelijkheid. Dit vraagt van hem of haar een brede kennis van het zorgaanbod, en een niet vooringenomen houding: de huisarts moet bereid zijn naar zowel reguliere als alternatieve genezers door te verwijzen.

De beroepsorganisatie voor niet-artsen, waarbij ook een aantal consultatief werkende homeopathische artsen zijn aangesloten, begint dit jaar een discussie met haar achterban, patiëntenorganisaties en overheid. Doel is te kiezen uit een van de bovengenoemde drie richtingen. In afwachting hiervan wordt van leden ten eerste al verwacht dat de huisarts van iedere behandeling op de hoogte wordt gesteld, en dat bij de minste twijfel contact wordt opgenomen.

De tweede eis aan de homeopaat heeft betrekking op de eigenlijke vakkennis. Sceptici zullen het niet geloven, maar voor homeopathie dient men te studeren. Op dit punt hoeft niet te worden getwijfeld aan de kennis van niet-artsen. Het eigenlijke homeopathie-onderwijs (dus zonder medische vakken, psychologie, enzovoort) duurt voor de niet-arts vijf tot zes jaar.

Een derde voorwaarde betreft de ethische houding. Dit punt heeft te maken met de door Rutten aangehaalde iatrosofie-affaire. Dat iatrosofen veel langer doorbehandelen dan verantwoord is, heeft namelijk niet zo zeer te maken met diagnostische kennis, maar met het uitgangspunt dat tijdens de iatrosofische behandeling geen andere behandelingen zijn toegestaan.

Als mensen onder druk worden gezet dit standpunt te volgen, is dat een ethische kwestie. Dat het ethisch gehalte van een arts niet per definitie hoger is dan van de niet-arts blijkt al uit het feit dat bij de iatrosofie-affaire ook een arts betrokken was.

En dat brengt ons op het laatste punt waar Rutten over praat: het tuchtrecht. De effectiviteit van het reguliere, medische tuchtrecht moet niet worden overschat. Rechtssocioloog en advocaat Gijs Verkruisen stelt in zijn promotie-onderzoek (artikel in Care, juni 1993) dat bij de 150 miljoen contacten die jaarlijks in de reguliere zorg plaatsvinden, er bij zes miljoen daadwerkelijk de tuchtnorm wordt overschreden. Hiervan worden jaarlijks niet meer dan zevenhonderd gevallen bij de tuchtrechter aanhangig gemaakt. Uiteindelijk komt het slechts bij vijftig zaken (0,003 procent) tot een tuchtmaatregel.

Wat bij het tuchtrecht voor de natuurlijke gezondheidszorg een probleem vormt, zijn de sanctiemogelijkheden. Een niet-arts kan ten hoogste een licentie worden afgenomen of een geldboete worden opgelegd. Maar buiten de beroepsorganisatie om kan hij altijd zijn beroep blijven uitoefenen. Eerst wanneer een beroepsvereniging een bepaalde status heeft, onder andere via verzekerbaarheid van consulten door zorgverzekeraars, zal het uitzetten uit een beroepsvereniging praktische consequenties hebben.

Er zijn in de gezondheidszorg dus nog heel wat problemen op te lossen, in een creatieve samenwerking van artsen èn niet artsen.

Jeroen Morssink

De auteur is voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Klassiek Homeopaten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.