Artikel 1: een bron van verwarring

Over sommige onderwerpen is de Haagse politiek het (bijna) Kamerbreed met zichzelf eens. Dat zijn vaak gevoelige dingen waarover maar liever gezwegen wordt – Haagse taboes dus.

Van de antropoloog Claude Lévi-Strauss leerden wij dat een voorschrift een omgekeerd taboe is. Je moet iets doen, dus je er niet aan houden is verboden. Zo bezien is artikel 1 van de Grondwet, het gelijkheidsbeginsel, het taboe der Nederlandse taboes, en niet voor niets in marmer gehouwen aan de Hofweg in Den Haag.

De tekst gaat als volgt: ‘Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.’

‘Ik ben voor afschaffing van dat rare grondwetsartikel 1’, zei Pim Fortuyn in februari 2002 tegen de Volkskrant. ‘Gij zult niet discrimineren, prachtig. Maar als een imam wil vertellen dat mijn levenswandel volstrekt verwerpelijk is en beneden die van varkens ligt, oké, dan zegt hij dat maar.’ Als Fortuyn dan ook mocht zeggen dat de islam een achterlijke godsdienst is.

Het voorstel om Artikel 1 op te doeken, leek in de aanloop naar de verkiezingen een politiek godsgeschenk. Thom de Graaf, toen D66-leider, zwaaide met Het Achterhuis van Anne Frank om er geen misverstand over te laten bestaan wat er zou gebeuren zonder Artikel 1. En Fortuyn werd uit Leefbaar Nederland gegooid om zijn onbekookte uitspraak.

De rest is geschiedenis, en ruim zes jaar na dato wil alleen Geert Wilders af van ‘de gesel van Artikel 1’, zoals hij het noemt. Niet om dezelfde reden – Fortuyn vond het antidiscriminatiebeginsel in strijd met de vrijheid van meningsuiting. Wilders wil af van het gelijkheidsbeginsel. ‘Ongelijke gevallen moeten ook ongelijk worden behandeld. Wij willen af van islamitische scholen, niet van joodse of christelijke scholen.’ De joods-christelijke traditie is de dominante cultuur in Nederland – dát zou in Artikel 1 moeten staan.

Waar Wilders komt, komt opschudding. Maar zijn voorstel voor een nieuw Artikel 1 leidt hooguit tot een schouderophalen.

‘Wij reageren niet meer zo opgewonden als toen met Fortuyn’, zegt Kamerlid Sybrand van Haersma Buma (CDA). In zes jaar is veel gebeurd, en grondrechten als de meningsvrijheid en de vrijheid van godsdienst botsen regelmatig met elkaar. Laatstelijk nog met de Nekschotaffaire. Maar daar is niks nieuws aan.

Wat misschien wel veranderd is: gelijkheid is niet langer het alfa en het omega van de Nederlandse ziel. ‘Die nadruk op het gelijkheidsbeginsel is heel erg van de jaren tachtig’, zegt Van Haersma Buma, toen deze Grondwet werd ingevoerd. De vraag is of het artikel nu weer helemaal vooraan zou staan. De historicus Henk te Velde die een inleiding schreef op de laatste uitgaven van de Grondwet (2006), vond de tekst zelfs ‘een verlate conclusie van de (...) jaren zestig’. Al die grondrechten op een rijtje. Van Haersma Buma wijst op artikel 22, waarin staat dat de overheid ‘voorwaarden schept voor vrijetijdsbesteding’. Nee, dat zouden ze nu niet meer zo doen.

De vrijheid van meningsuiting blijft actueel. Zie cartoonrellen, Fitna en Nekschot. Artikel 1 is in dat verband een rijke bron van misverstanden gebleken. Femke Halsema (GroenLinks) wijst erop dat Artikel 1 helemaal niet bedoeld is om het onderlinge (meningen)verkeer tussen burgers te regelen. De bedoeling is dat de staat de burgerrechten garandeert. De overheid is gehouden haar burgers gelijk te behandelen; het is de overheid die niet mag discrimineren.

Ligt dat misverstand aan de omslachtige formulering van Artikel 1 zelf? Minister Guusje ter Horst vindt de tekst flets, anderen spreken van amechtig of amorf. Volgens politicoloog Meindert Fennema is Artikel 1 niet erg helder. Hij heeft een warme band met de vrijheid van meningsuiting sinds hij in de jaren negentig bepleitte dat ook Hans Janmaat (CP) daar recht op had. Dat werd hem toen niet in dank afgenomen.

In Artikel 1 staat dat je iemand vanwege zijn ras niet onaardig mag behandelen, legt Fennema uit. Er is evenwel geen duidelijk onderscheid tussen handelingen en opinies, en dat is vragen om moeilijkheden. Discrimineren is verboden, maar dat betekent niet dat je niets onaardigs mag zeggen. Gaandeweg, aldus Fennema, is discrimineren ook iets onaardigs zeggen geworden. ‘Dat moeten wij niet hebben. Waar dat toe leidt kunnen wij nu zien, wanneer de gekwetste medemens zoals bij Fitna of de cartoons mag bepalen wanneer sprake is van discriminatie.’

Ook Fortuyn zelf, die volgens Fennema ‘wel vaker de klok had horen luiden’, had met zijn opmerkingen over Artikel 1 verwarring gezaaid. Waartegen hij zich eigenlijk keerde, was artikel 137d van het wetboek van strafrecht. Dat verbiedt aanzetten tot rassenhaat, en was bedoeld om xenofobe burgers te bestraffen.

De geschiedenis daarvan gaat terug op een VN-verdrag om rassendiscriminatie uit te bannen. Dat verdrag doelde op twee landen die nog rassenwetten hadden, de VS en Zuid-Afrika. Toen stelde de Sovjet-Unie voor om die bepaling uit te breiden tot racisme en xenofobie in het algemeen. Fennema vindt dat dat een poging was om opvattingen te bestraffen. ‘En als je racisme verbiedt, kun je de hele samenleving wel verbieden.’

Fennema heeft niet het gevoel dat Artikel 1 nog is omhangen met taboes. Hijzelf is met zijn opvattingen over de vrijheid van meningsuiting – ‘haat zaaien moet kunnen’ – een gerespecteerd opinievormer geworden. ‘Tien jaar geleden wilde de politieke correctheid alles verbieden. Daarna verbond een groep politiek correcten zich met moslimradicalen. Nu zie je dat bedrijven druk uitoefenen uit eigenbelang, om worst en kaas te verkopen in Jordanië. Dat vind ik pas angstaanjagend.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden