Arthur Japin over pesten: 'De wonden gaan weg, maar de woorden blijven altijd bij je'

Arthur Japin begrijpt waarom Tim Ribberink voor zelfmoord koos. De schrijver werd als kind jarenlang vernederd, zowel fysiek als verbaal. Dat laatste is volgens hem het meest verwoestend. 'In mijn hoofd leven de woorden voort.'

Schrijver Arthur Japin in 2010. Beeld Joost van den Broek / de Volkskrant

Arthur Japin, auteur: 'Wat ik belangrijk vind om te zeggen, is dat kwetsen met woorden zoveel ingrijpender is dan het kwetsen met fysiek geweld. Dat laatste is natuurlijk ook erg - er zijn peuken in mijn gezicht uitgedrukt - maar die wonden gaan weg, de blauwe plekken verdwijnen, de woorden blijven altijd bij je.'

Hij was 6, hij woonde met zijn ouders in Haarlem en ging naar de lagere school. En toen: 'Meteen de eerste vrijdagmiddag was het raak. In mijn herinnering werd ik opgewacht door een groepje zesdeklassers, ze stonden daar om mij te slaan, elke week opnieuw, op een gegeven moment zei een van de leiders, Agnes heette ze: Als ik jou volgende week weer tegenkom en ik vraag je: wat ben je? dan zeg je: ik ben een vieze, vuile, smerige vetzak. Dat was wat ze zei. Ik dacht: ik ben niet smerig, ik ben toch niet vuil. Maar ik leerde het uit mijn hoofd en de eerstvolgende keer dat ze me stonden op te wachten, vroeg ze: wat ben je? En ik zei dat ik een vieze, vuile, smerige vetzak was. Het hielp; als ik het in het vervolg zei, sloegen ze niet.'

Anders dan Tim Ribberink weet de protagonist in de boeken van Arthur Japin (56) zich uiteindelijk altijd te verheffen uit de misère. De 20-jarige Ribberink koos vorige week voor zelfmoord, omdat hij niet was opgewassen tegen gestage pesterijen. Aan de muur op zijn kamer hing Churchills oorlogsspreuk Never, never, never give up. Het is in zekere zin de lijfspreuk van de romanfiguren van Japin, tegen alle verdrukking in. In zijn laatste roman Maar buiten is het feest bijvoorbeeld rekent hoofdfiguur Zonne tenslotte op beslissende wijze af met haar stiefvader die haar jarenlang misbruikte.

Japin verwerpt elke vorm van cynisme, ook over zijn eigen geschiedenis. Hij is een succesvol schrijver, met elegantie en overtuigingskracht bedient hij zijn publiek in voordrachten en op televisie, hij woont samen met twee mannen en is naar eigen zeggen intens gelukkig.

Het vergde veertig jaar om zover te komen.

Japin: 'Ik kende Tim niet, maar ik vermoed dat het vernederen, de intimidatie ook voor hem het ergste is geweest. Hij was jong, sterk genoeg om terug te meppen, denk ik. Maar daar gaat het niet om. Het gaat om de woorden die ze tegen je gebruiken. Die zoemen rond in je hoofd, die woorden zeggen dat je er niet bij hoort. Ze zeggen dat je er niet mag zijn. Dat wordt letterlijk tegen je gezegd.

'In iedere klas, op elke voetbalvereniging en ook elk kantoor, denk ik, heb je mensen die het slachtoffer zijn. Ik vind dat we een keer voor onszelf moeten toegeven dat pesten hoort bij het groepsproces: zodra je mensen bij elkaar plaatst, komt het op gang.

'Ik begrijp dat de mensen in het dorp van Tim nu zeggen: we hebben niks gemerkt. En toch vind ik dat ook een beetje hypocriet. Je kunt weten dat het gebeurt. Het is hetzelfde als met het kindermisbruik in de rooms-katholieke kerk. Allemaal wisten we ervan. Als kind hoorde ik niet anders, altijd werden er grapjes over gemaakt. Je wist het niet en tegelijk wist je het wel. In die zin kan het niet dat je zegt: we hebben niets gemerkt. Zodra je een groep hebt, heb je pesten. Dat behoor je te weten.'

Zondagmiddag
'Het treft de gevoelige kinderen. Kinderen die anders reageren dan de anderen, die er anders uit zien, die niet geleerd hebben hard te reageren.

'Natuurlijk heb ik het over mezelf, natuurlijk. Toen ik naar school ging, roken de anderen in mij hun slachtoffer, ze wisten feilloos dat ik niet zou reageren. Ik had het thuis geleerd. Er waren thuis situaties met veel geweld, met veel ruzie tussen mijn ouders. Ik was getraind om niets te zeggen, om me terug te trekken. Dan zou het zo snel mogelijk over gaan. Dat neem je mee naar school. Ik wilde graag naar school, het leek me leuk. Maar vanaf het moment dat ik het hek passeerde, dacht ik o jee, ik hoor hier niet, ik moet hier helemaal niet zijn.

'De gepeste zelf zal nooit iets zeggen, misschien bij hoge uitzondering. Je wilt je vernedering beperken en weet dat het pesten erger wordt naarmate meer mensen ervan weten. Het fysieke geweld liet sporen na, maar vergis je niet hoe slim je wordt. Een peuk in je gezicht gehad? Dan zeg je thuis: ja god, ik ben ergens tegenaan gelopen. Je ouders zijn de aller, allerlaatsten aan wie je iets vertelt. Ze zijn de laatsten die nog in jou geloven. Je bent doodsbang dat zij het ook gaan zien, dat wat ze op de wereld hebben gezet er eigenlijk niet mag zijn.

'Ik had een grote hekel aan de zondagmiddag. Het weekend begon aan het eind van vrijdag, dan was je veilig. Maar vanaf zondagmiddag vier, vijf uur kwam de beklemming terug. Dan moest je je tas gaan klaarzetten, dan wist je dat het bijna maandag was, bijna schooltijd. Die afkeer van zondagmiddagen is altijd gebleven.

'Af en toe gebeurde het dat ik zo bang was dat ik mij vastklemde aan het kippengaas van het schoolhek. Dan kwam de amanuensis, die brak je vingers los en sleurde je mee naar binnen.

'Ik huilde vaak. Ik denk dat ik elke avond in mijn bed huilde. Soms merkte mijn moeder het. Dan zei ik: ik huil om Kelly. Het was een hondje, zo'n doorgefokte collie die steeds zijn pootjes brak en moest worden afgemaakt. Jarenlang heb ik volgehouden dat ik huilde om Kelly.

'Soms heb je ook verdriet zonder aanleiding. Verdriet om de eenzaamheid, om de uitzichtloosheid van de situatie. Je moet elke dag weer naar school, je bent verplicht. Als we toelaten dat een kind van 6 jaar wordt gebombardeerd met woorden die op vernietiging zijn gericht, zeggen we als het ware: de school is een proces van natuurlijke selectie, een aantal kinderen zal het niet halen. Ze halen de school niet, maar ook het leven niet.

'Sommige kinderen zouden moeten worden vrijgesteld van school. Gevoelige kinderen moeten thuis les krijgen en niet gedwongen worden om in een groep te functioneren. Ik had nooit naar school gemogen. En zoals ik zijn er vele anderen.

'Op de middelbare school ging ik na twee jaar naar de gymnasiumafdeling. Het was een apart gebouw, we zaten in een kleine klas, met z'n achten waren we. Dat is ideaal voor kinderen als ik.

'In mijn hoofd leven de woorden voort. Die heb ik niet overwonnen. Door middel van het schrijven heb ik uiteindelijk kunnen worden wie ik moet zijn. Maar dat kwam laat, ik debuteerde op mijn veertigste. Tot die tijd heb ik mij behalve aan mijn geliefden niet werkelijk kenbaar kunnen maken. Als je dat isolement uit je jeugd overleeft, is er ook een voordeel. De meerderheid kan je niet meer raken. Ik kan nu bestaan zoals ik wil, ik hoef nooit meer te voldoen aan de eisen van de groep. Ik heb mazzel gehad, ik heb iemand gevonden die me steeds opnieuw zei dat hij van me hield, ik geloofde het niet, maar hij hield vol, het heeft me enorm geholpen. Daarna kwam er een tweede bij die datzelfde deed en nu ben ik aan niemand nog iets verplicht, behalve aan mijn twee geliefden.'

Verminking
'Er zijn er genoeg die het niet halen. Dat is logisch. Ik hoop vurig dat jongeren die zwaar vernederd worden in aanraking komen met kunst. Ze moeten hun creativiteit aanboren en de werkelijkheid relativeren. Als ik de werkelijkheid voor waar had aangenomen had ik het niet gered. Je moet je fantasie aanspreken en een alternatieve werkelijkheid bedenken die wel dragelijk is. Zo niet, dan blijf je in jezelf opgesloten; dat je dan kiest voor zelfmoord, vind ik helemaal niet gek. Het is verschrikkelijk voor de ouders, maar ik zeg niet dat het een onlogische keuze is.

'Ik weet niet of je er zelf veel aan kunt doen. Ik zou graag ja zeggen, maar ik weet het niet. In therapie gaan heb ik nooit gewild. Mijn vader was in therapie, bij verscheidene psychiaters. De precieze reden weet ik niet maar het werd almaar erger, totdat hij zich van kant maakte toen ik 12 was. Ik hoefde niet. Ik had er ook angst voor.

'Mijn boek Een schitterend gebrek gaat daarover, over een vrouw met een zwaar verminkt gezicht die zich opsluit in zichzelf, maar op den duur haar verminking als het ware overleeft. Mijn verminking van toen is nu mijn rijkdom. De bron waaruit ik put. Het anders zijn is nu een voorrecht, een grote vrijheid.

'Mag ik ook dit nog zeggen: na de moord op Theo van Gogh kwam de roep om te mogen beledigen, het recht op kwetsen. Het werd verdedigd alsof het een mensenrecht is. Ik vind dat verschrikkelijk. Als je mag kwetsen met woorden is er volgens mij als vanzelf een recht om te kwetsen met wapens. Kwetsen met woorden is erger, verwoestender.

Op internet, op de sociale media passeren de verschrikkelijkste dingen. Allemaal anoniem. Ach, houd toch alsjeblieft op met dat verhaal over recht op privacy. Als anonieme pesters op internet mogen, mogen ook sluipschutters. De woorden daar zijn niet minder dan kogels, bedoeld om te doden. Ik denk dat mensen vaak veronderstellen dat het om plagerijen gaat. Maar het doel van een kind of een volwassene die pest op straat of via internet is wel degelijk het slachtoffer voorgoed uit te schakelen. Wie zoiets afdoet met 'daar moet je tegen kunnen' of 'daar word je hard van' moet goed weten dat sommige mensen nu eenmaal liever sterven dan hard worden.'

Zie ook zaterdagkatern Vonk van dit weekend: 'Het is tijd om met de pesters te gaan praten'.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.