Arme Vincent

Onbegrepen en getormenteerd tijdens zijn leven, na zijn dood aanbeden als een heilige. Vincent van Gogh is in zijn eentje verantwoordelijk voor de mythe van de kunstenaar: een halve gek die nog geen cheque kan uitschrijven....

De dramatiek van de filmscène is er een om in te lijsten. Net aangekomen in het Zuid-Franse Arles trekt Vincent van Gogh met één ruk de ramen van zijn nederige onderkomen open. En plots staat hij in het verblinde licht van een stralende voorjaarszon, terwijl roze en witte bloesems fel afsteken tegen de strakblauwe lucht.

Hoe mooi is het beeld, hoe onwaarachtig de historische waarde.

In werkelijkheid was het die 20ste februari 1888 hartje winter en lag er 'minstens zestig centimeter sneeuw', zoals Van Gogh de volgende dag aan zijn broer Theo zou schrijven.

Nee, kloppen deed de film Lust for Life (1956) van Vincente Minnelli van geen kanten. De biopic over het leven van zijn naamgenoot Vincent van Gogh, gebaseerd op een roman van Irving Stone, was in het beste geval een kruising van een Bouquetreeks-verfilming en Monsieur Hulot. En dat terwijl hoofdrolspeler Kirk Douglas zijn haren er nog wel speciaal voor had laten knippen en zijn baard rood had geverfd.

Dat de schilder (buiten beeld) zelfmoord pleegde, terwijl hij bezig was aan zijn schilderij Korenveld met kraaien, klopt evenmin. Het schilderij was niet Van Goghs laatste doek geweest. Maar het paste natuurlijk wel fantastisch in het zwartgallige beeld dat de kunstenaar met zich mee droeg. Kraaien als de vooraankondiging van een naderende dood.

Minnelli was niet de eerste die Van Gogh als suïcidale zonaanbidder had neergezet. De mythevorming van Van Gogh ontstond al in een vroegtijdige stadium, twee maanden voor zijn dood in 1890. Door de Franse criticus Albert Aurier die over de schilder schreef als een 'ge-isoleerd figuur'. Twee jaar later werd de schilder uitgeroepen tot genie. En in 1905 was Van Gogh al een legende. Gelijktijdig werd de schaduwzijde belicht, zoals door Frederik van Eeden, die stil stond bij de 'ziekelijke' en 'mislukte' kant van Van Goghs missie.

Kortom, binnen vijftien jaar was zijn rol bepaald en bestendigd. En de samenhang gelegd tussen het werk (sinister en intens), de schilder (colorist, natuurtalent), de persoon (een dromer die tragisch aan zijn einde kwam), zijn rol in de kunstgeschiedenis (een vernieuwer, even belangrijk als Cézanne en Gauguin), en Van Goghs maatschappelijk belang (in de domme, industriële samenleving).

Alles klopte aan Van Gogh (of werd kloppend gemaakt): werk, persoon en tijd sloten naadloos op elkaar aan. Ze overlapten elkaar. Alles wat er over zijn persoon te zeggen viel - koortsig, temperamentvol, getormenteerd en suïcidaal - was in de schilderijen herkenbaar. Werk en mens werden één en waren niet meer van elkaar te ontkoppelen. Een voorstelling van zaken waaraan Van Gogh zelf krachtig heeft meegewerkt, door zijn brieven die al vrij snel na zijn dood werden gepubliceerd.

Dat beeld van Van Gogh kon bovendien zo krachtig worden omdat het was opgebouwd uit tegenstellingen, met als belangrijkste scharnierpunt 1890, zijn sterfjaar. Alles wat hij vóór dat jaar was geweest, vond zijn antipode in wat er daarna gebeurde. Ellende, armoede en miskenning sloegen na 1890 om in verlossing, rijkdom en erkenning. En de tragiek werd alleen maar groter in de wetenschap dat de schilder die verlossing, rijkdom en erkenning zelf niet heeft mogen meemaken. Kón meemaken, betoogde Antonin Artaud in 1974. Volgens Artaud was de maatschappij schuldig aan Van Goghs zelfmoord. De schilder zou, als slachtoffer van het 'kapitalistische dogma van productie', daartoe haast gedwongen zijn. Elias Canetti ging zelfs zover de vergelijking te maken tussen de schilder en Christus.

Van Gogh als martelaar, een heilige van de kunst. Er zit inderdaad ook duidelijk een morele component aan het verhaal: de schilderende domineeszoon die tijdens zijn leven welgeteld één schilderij verkocht (Vignes rouges d'Arles, voor 400 francs), heeft nu het duurste schilderij op zijn naam staan (82,5 miljoen dollar voor het Portret van dokter Gachet), bezit een eigen museum en trekt de hoogste bezoekersaantallen.

Van geïsoleerd figuur tot genie, en van genie tot legende: de mythe van Van Gogh heeft de afgelopen honderd jaar steeds kolossalere proporties aangenomen, als een sneeuwbal die van de helling af rolt. Het verhaal is eigenlijk ook te mooi om waar te zijn - en te verschrikkelijk als je er bij nadenkt. Op zichzelf valt er weinig op af te dingen. Van Gogh gedroeg zich als een eenling, had weinig aanleg voor socializen en was, volgens Gauguin, inderdaad behoorlijk 'gek'.

Dat de kunstenaar ook belezen was, zijn kunstklassiekers kende, drie talen vloeiend sprak en zich uitvoerig bezig hield met kleurentheorieën heeft nooit tot een serieuze bijstelling van zijn temperamentvolle imago bijgedragen. Ondanks de pogingen van bijvoorbeeld de Engelse, modernistische kunstcriticus Roger Fry, die al in de jaren dertig een aanval inzette op de persoonsverheerlijking van Van Gogh, omdat deze 'niets zegt over het werk zelf'.

De hardnekkigheid waarmee de Van Gogh-mythe in stand wordt gehouden, past in de hardnekkigheid waarmee de héle negentiende eeuw tot op de dag van vandaag doorwerkt. Alle opvattingen die wij, anno 2003, over kunst hebben - hoe het wordt gemaakt, getoond, beschreven en bekritiseerd - komen uit dat machtige, negentiende-eeuwse kunstdenken voort. De eeuw waarin het museum zich bestendigde als heilige bewaarplaats van de kunst, de kunstkritiek en de kunstacademie volwassen werden en de kunstgeschiedenis zijn normatieve vorm kreeg, als een chronologisch overzicht van genieën.

Het verklaart de moeizaamheid waarmee jonge kunstenaars en tentoonstellingsmakers vandaag de dag kunst buiten het museum proberen te tonen. Omdat het indruist tegen opvattingen die zo'n anderhalve eeuw geleden zijn ontstaan en een vast fundament zijn geworden in onze beleving van wat kunst is, moet zijn en hoe het ons wordt voorgeschoteld.

Vincent van Gogh, nu ook anderhalve eeuw oud, fungeert daarin als pars pro toto voor hoe een kunstenaar moet zijn: een creatieveling in zijn meest pure vorm, zonder een sprankeltje koketterie. Maar ook herkenbaar door zijn menselijke zwakheden. De loser ('Als een schilder zal ik nooit tot iets groots komen, daar ben ik absoluut zeker van') die uitgroeide tot een held.

Was Van Gogh aanvankelijk nog een uitzondering door de combinatie van armoede, gekte en miskenning, dankzij de mythevorming rond zijn persoon is die uitzondering inmiddels tot regel geworden, zoals Nathalie Heinrich in haar boek The Glory of Van Gogh uitlegt. Heinrich: 'De normalisatie van het afwijkende is een vooropgezet principe van voortreffelijkheid, dat geldt voor elke kunstenaar.'

Wat een individuele karaktertrek was, ontwikkelde zich gaandeweg tot een voorspellende wetmatigheid: wie niet afwijkend is, kan nooit een goed kunstenaar zijn. En daarmee veranderde de Van Gogh-mythe in een Van-Goghsyndroom. Afwijkend gedrag werd hét handelskenmerk van een kunstenaar. Een dogma. Maar wel een met dramatische trekjes die zich weer leuk lieten verfilmen. Reden voor Hollywood om op zoek te gaan naar kunstenaars die, net als Van Gogh, een woeste schilderstijl verenigden met een gepassioneerd bestaan. Lust for Life betekende het begin van een genre, met films over Jackson Pollock (het alcoholische schildersbeest dat zich te pletter reed), Jean Michel Basquiat (heroïneverslaafde die zijn ziel aan de commercie verkocht), Toulouse-Lautrec (absinth-drinker) en Caravaggio (moordenaar).

Tel al die romantische portretfilms bij elkaar op en je krijgt een cliché dat alle rationaliteit te boven gaat. De tijden mogen dan inmiddels veranderd zijn, níet het beeld dat kunstenaars ploeteraars zijn, die door hun verwarde geest geen cheque kunnen uitschrijven. Wat je bijvoorbeeld ook herkent in de huidige subsidieregelingen. Ze zijn nog steeds gebaseerd op Van Goghs geestelijke nalatenschap, uitgaande van de gedachte dat iedere kunstenaar, hoe onbegrepen ook, een kans moet krijgen. Want is niet elke kunstsubsidie-euro met terugwerkende kracht een collectieve schuldbekentis voor alle aandacht die hij tijdens zijn leven is misgelopen? Een postume genoegdoening voor Van Goghs mislukte carrière.

Dat Rick van der Ploeg zoveel kritiek kreeg op zijn leuze dat kunstenaars zich meer als ondernemer moesten gedragen, is daaraan te wijten. Het strookte niet met het (negentiende-eeuwse) avant-garde idee dat je kunstenaars niet lastig moet vallen met financiën en beter in alle rust artistiek moeten laten scheppen. Van der Ploegs doctrine werd indirect als een afrekening gezien met alles waar Nederlands bekendste schilderszoon voor had gevochten. Het was anti-Van Goghiaans. Niet alleen in strijd met de artistieke vrijheid van de kunst, maar ook moreel verwerpelijk.

Terecht? Nee! Dankzij Van Gogh zou je haast vergeten dat er ook andere kunstenaars hebben bestaan die niet door een overvloedige absinth-inname van hun stoel vielen, tegen een boom te pletter reden of zichzelf een oor afsneden. Die in alle saaiheid gewoon hard werkten en géén aanspraak konden maken op een Hollywoodverfilming. Geen enkele studio die er ook maar over zal peinzen om Piet Mondriaan als leading character te kiezen.

In historisch perspectief zijn de meeste kunstenaars altijd entrepeneurs geweest. Kleine schrapers of flamboyante grootverdieners die in dienst van de kerk waren of werkzaam aan een Europees hof. Sommigen klusten wat bij als café-eigenaren (zoals Jan Steen), schilderden chrysanten voor de losse verkoop (Mondriaan), leefden van een erfenis (Cézanne) of waren van huis uit puissant rijk (Toulouse-Lautrec).

Er zijn dan ook tijden dat je Van Gogh kunt vervloeken dat hij heeft bestaan. Vanwege het type kunstenaar dat door hem is ontstaan en dat door de generaties na hem tot een canon is verheven. Blijkbaar appelleert Van Gogh aan een nog immer voortlevend protestantse levensideaal dat voorschrijft dat lijden een doel heeft. En dat postuum succes een leven vol ontberingen kan rechtvaardigen.

Met alle desastreuze gevolgen van dien. Want laten we wel wezen, de erfenis van Van Gogh heeft ook veel verknald: honderden, duizenden energiek voortwoekerende kunstenaars die ondanks een gebrek aan talent en erkenning menen door te moeten werken. Van Gogh als een alibi voor de reddelozen. Schreeuwde hij in de openingsscène van Lust for Life niet: 'Gebruik me! Gebruik me! Gebruik me!'? Wat een geestdrift. Wat een ellende.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.