Arme landen help je niet met een zak geld

Waarom zijn sommige landen al eeuwenlang arm en andere rijk? De Britse politicoloog schreef er een boek over en legt uit waarom een dictator de staatsloterij wil winnen.

Popzangers als Bono en Bob Geldof mogen ons graag oproepen ons geld aan de derde wereld te geven. Als we maar ruimhartig genoeg onze portemonnee trekken, zullen ook Congolezen, Haïtianen en Afghanen volop van het leven kunnen genieten. En omgekeerd: hun vaak ellendige lot is slechts te wijten aan onze gierigheid, aan het peilloze egoïsme van de westerse mens.


Was het maar zo simpel, verzucht de Britse politicoloog James Robinson, hoogleraar aan Harvard. Hij is even in Nederland om colleges te geven en zijn boek Waarom sommige landen rijk zijn en andere arm (uitgeverij Nieuw-Amsterdam) te promoten. Welvaart wordt bepaald door economische instituties, legt hij uit in een Utrechts café. In rijke landen wordt eigendom beschermd, initiatief beloond en hoef je niet bang te zijn dat een dictator je succesvolle bedrijf zal inpikken. De speelruimte voor de economie wordt echter bepaald door de politiek. In arme landen wordt de economie afgeroomd door een politieke elite, die de meest lucratieve activiteiten monopoliseert en geen nieuwkomers tolereert. De staat is er niet voor het algemeen belang, maar wordt uitgeperst door een kleine groep politici, militairen en handlangers. In het jargon van Robinson en zijn medeauteur Daron Amecoglu: rijke landen hebben 'inclusieve' instituties, arme landen 'extractieve' instituties.


In Nederland woedt nu een debat over ontwikkelingshulp. Volgens veel mensen heeft het geen zin om geld te geven aan zulke, in uw termen, 'extractieve' landen.

'Hulp gaat altijd naar zulke landen. Dat is de aard van het beestje. Daarom zijn die landen namelijk arm. Toch ben ik een groot voorstander van hulp. Je kunt scholen en ziekenhuizen bouwen, waterputten slaan, allerlei dingen financieren waar gewone mensen iets aan hebben. En inderdaad, dan moet je accepteren dat een deel van de hulp wordt gestolen.'


Maar versterk je de positie van zulke regimes niet door hulp?

'Dat is het standpunt van Dambisa Moyo, in haar boek Dead Aid. Ik geloof dat ze er volkomen naast zit. Extractieve systemen zijn niet ontstaan door hulp. Ze bestonden al lang voor die tijd.'


In zijn boek geeft Robinson het voorbeeld van Congo, een van de ellendigste plekken ter wereld. Lang voor de ontwikkelingshulp, zelfs lang voor het koloniale tijdperk, werden de Congolezen al uitgebuit door hun eigen koningen. Ze hielden hun onderdanen dom, verkochten ze massaal als slaven en hieven willekeurig belasting. Er bestond zelfs een belasting voor elke keer dat de koning zijn muts verloor.


Voor de meeste Congolezen heeft het nooit geloond om hun best te doen. Alles wat ze opbouwden, kon zo weer worden weggenomen door grillige machthebbers als de Belgische koning Leopold II of dictator Mobutu. Nog altijd heeft de Congolese elite helemaal geen belang bij meer welvaart voor de bevolking. Die leidt alleen maar tot de opkomst van nieuwe groepen - zoals een onafhankelijke middenklasse - die de machtspositie van de oude elite ondergraaft. Daarom houden zo veel potentaten het deksel stevig op de economie. Macht is veel belangrijker dan economische groei. Het beste voorbeeld is de Zimbabwaanse president Mugabe, die het zelfs klaarspeelde om de loterij bij een staatsbank te winnen. Een onwaarschijnlijk toeval, hield de loterij vol.


Robinson: 'Dat is natuurlijk wel een probleem: hulp is niet gericht op het wegnemen van de institutionele oorzaken van armoede. Dat is ook heel moeilijk. Je kunt eisen dat landen democratiseren, maar in de praktijk blijkt dat vaak weinig te betekenen. Na de democratisering is de dictator van Kameroen gewoon de president van Kameroen geworden, door te frauderen bij de verkiezingen.'


In Irak en Afghanistan hebben we geprobeerd de democratie gewapenderhand te vestigen.

'Het is een romantische gedachte dat je ergens democratie kunt vestigen. Maar je hebt er een goed functionerende staat voor nodig die een zekere orde kan handhaven. Die ontbreekt in een land als Afghanistan.'


Het Westen heeft er traditionele vormen van gezag opgeruimd, zonder er iets goeds voor in de plaats te brengen.


'De Taliban waren bezig een staat op te bouwen, maar het was geen staat die ons erg beviel, omdat hij hulp bood aan Al Qaida. Maar terugkijkend zeg ik: het Westen had nog beter met de Taliban kunnen onderhandelen dan deze chaos te ontketenen.'


Maar kun je de praktijken van de Taliban tolereren? Meisjes mochten niet naar school.

'Natuurlijk keur ik dat af. Maar in heel veel arme landen gaan meisjes niet naar school. Weet je hoeveel vrouwen in Mali kunnen lezen en schrijven? Vijftien procent! Het wordt meisjes niet verboden om naar school te gaan, maar er zijn nauwelijks scholen voor meisjes. Toch is Frankrijk de Malinese regering te hulp gekomen tegen de islamisten.'


De hamvraag is uiteraard: hoe moet je van een land met 'extractieve' instituties een land met 'inclusieve' instituties maken, zodat de economie kan groeien en de bevolking het beter krijgt? Robinson erkent dat hij daar geen goed antwoord op heeft. 'Vroeg of laat komen extractieve regimes in conflict met de bevolking. Maar dat betekent niet automatisch dat er een beter regime komt. Vaak zie je dat een nieuwe groep het bewind voortzet. Volgens sommige mensen gebeurt dat nu in Egypte, door de Moslimbroeders samen met het leger. Ik vind het nog te vroeg om daarover een oordeel te vellen.


'We kennen natuurlijk interessante voorbeelden van een ommekeer, zoals Brazilië. In 1978 ontstond daar een coalitie van arbeiders, studenten en allerlei andere maatschappelijke groeperingen, onder leiding van de latere president Lula. De samenleving stond op tegen de militaire machthebbers, hetgeen uiteindelijk tot een einde van de dictatuur leidde. Maar we weten niet genoeg van zulke mechanismen om er algemene uitspraken over te kunnen doen. In elk geval is er collectieve actie nodig van de mensen die onder het systeem lijden. Als buitenstaanders kunnen we zulke groepen zo goed mogelijk proberen te steunen, maar uiteindelijk moeten mensen het toch zelf bevechten.'


Waarom sommige landen rijk zijn en andere arm, laat zien hoe lang de arm van de geschiedenis kan zijn. Neem bijvoorbeeld het stadje Nogales, dat in tweeën wordt gedeeld door een zwaarbewaakte grens. De noordelijke helft ligt in de Verenigde Staten, de zuidelijke helft in Mexico. Het noorden is rijk en veilig, het zuiden arm, gevaarlijk en corrupt. In Amerika wordt initiatief gestimuleerd en kun je betrekkelijk makkelijk een lening krijgen. In Mexico staan de banken onder politieke protectie. Daardoor is er weinig concurrentie, kunnen ze hoge rentes vragen en lenen ze het liefst aan mensen die toch al rijk en machtig zijn.


Volgens Robinson is het verschil zelfs terug te voeren naar het Europa van de 16de en de 17de eeuw. De Amerikanen zijn de erfgenamen van Engeland, waar de macht van de koning werd ingeperkt door een invloedrijke klasse van kooplieden. De Mexicaanse geschiedenis voert terug naar de absolute monarchie van Spanje, waar de macht van de koning en de adel veel groter was.


Europa probeert nu landen met een heel verschillende geschiedenis in één euro te verenigen. Is dat wel houdbaar?

'Toen West-Europa moderniseerde, was Griekenland een deel van het Ottomaanse Rijk. De Ottomanen lieten het bestuur over aan lokale elites die alles mochten doen wat ze wilden, zolang ze maar genoeg belasting voor de Turken inden. In Italië zie je iets soortgelijks. In het Noorden had je in de Middeleeuwen al steden met goed werkende instituties, het Zuiden was een feodaal gebied. Zulke dingen werken heel lang door. Toch geloof ik in de euro. Europa kan landen stimuleren om zichzelf te veranderen, dat is in Oost-Europa gebleken. In Griekenland zelf groeit het besef dat de Griekse elite eindelijk moet worden aangepakt. Landen zijn niet gedoemd om altijd op dezelfde voet verder te gaan. Een crisis kan nieuwe groepen de kans geven om de macht van de elite te breken.'


Maar in uw boek laat u zien dat de Peruaanse provincie Ayamuco nog altijd veel armer is dan de provincie Calca, omdat Ayamuco in de 16de eeuw dwangarbeid moest leveren voor Spanje en Calca niet. Stemt de persistentie van zulke verschillen niet pessimistisch?

'Ik geloof dat ik juist optimistisch ben. Met ons boek reageerden we op mensen als de bioloog Jared Diamond en de econoom Jeffrey Sachs, die verschillen in arm en rijk verklaarden uit het klimaat of de geografische ligging.


Als dat klopt, kun je helemaal niets veranderen. Het is heel moeilijk, maar niet onmogelijk om instituties te veranderen. We zijn alleen pessimistisch ten opzichte van mensen die geloven dat alles goed zal komen als je arme landen maar een grote zak met geld geeft.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden