Arjan Peters

ARJAN PETERS

In Amsterdam kun je op twee plekken de naam Joseph Roth tegenkomen. In het bruine café De Engelse Reet in de Begijnensteeg herinnert een koperen plaatje aan 'Joseph Roth. Stamgast tijdens het interbellum', wat heldhaftiger klinkt dan 'in vredestijd'.

En aan de gevel van Warmoesstraat 24 is een plaquette bevestigd. Daar zat vroeger hotel Eden, waar Roth in de jaren dertig maanden verbleef, 'om de sfeer van de oude binnenstad te ondergaan en om het carillon van de Oude Kerk te kunnen horen'. Kennelijk durft de gemeente het doorslaggevende argument niet aan, dat ik dan maar verstrek: 'En verder ook omdat een kamer in hotel Eden toen slechts twee gulden per nacht kostte, zodat Roth onbekommerd door kon drinken'.

Dit laatste heb ik uit Waar het me slecht gaat is mijn vaderland, de welkome monografie van Els Snick over de omzwervingen van de begenadigde Joods-Oostenrijkse schrijver en journalist, die in 1939 op 44-jarige leeftijd in Parijs zou sterven (Bas Lubberhuizen; € 19,90). Hij dronk alles, schrijft Snick, als er maar alcohol in zat. Al vroeg had Roth last van gezwollen voeten, oogontstekingen, maagklachten, haarverlies en tanduitval. In Oostende werd hem gevraagd waarom hij niet, als alle anderen, mee ging zwemmen in zee. 'Waarom?', was het wederwoord. 'De vissen komen toch ook niet in het café?'

Snick wil een beeld rechtzetten. Wij denken allemaal dat Joseph Roth hier de hele dag in cafés zat te schrijven, onder het drinken door. Dat is een mythe. Joseph Roth zat bij voorkeur in zijn hotel te werken, onder het drinken door. En hij zat daar niet omdat het carillon van de Oude Kerk zijn oor streelde.

Dit gezegd hebbende, wordt het raadsel van zijn enorme productie en hoge kwaliteit er niet minder om. Ik wil niet beweren dat het knapper is om in dronkenschap te scheppen dan in nuchterheid, maar Roth schrijft zo trefzeker en gevoelig, van Radetzkymars tot Zipper en zijn vader (met tranen van ontroering gelezen), dat ik moeilijk kan begrijpen hoe diezelfde grootheid als een Swiebertje-achtige sjappie door onze binnenstad moet hebben geschuifeld.

Wel mooi dat we hem op twéé karakteristieke plekken herdenken. Dat zouden we met meer schrijvers moeten doen. Op 19 juni is het tien jaar geleden dat de schrijver en schilder Jean-Paul Franssens overleed. Goede gelegenheid om een gedenkplaatje te onthullen op een van de plekken in Amsterdam waar hij zijn anekdotes debiteerde en liederen heeft gebulderd: sociëteit Arti, café De Zwart of café Welling. Franssens is het trouwens die me lang geleden op Joseph Roth wees. 'Kén je hem niet? Ga jij dat eens gauw goedmaken! Doe dat nou maar, jongen.' Duizendmaal dank, Jean-Paul.

En waar zullen we Tsjêbbe Hettinga gedenken, de Friese dichter van platina zeeën, vreemde kusten en woeste winden, die vorige week is overleden? Zijn naam ergens vastspijkeren zou niet stroken met de beweeglijkheid van zijn versregels.

Na lang piekeren schoot me dit te binnen. De Groningse kunstenaar Berndnaut Smilde kan met een mistmachine wolken maken die even in een gebouw blijven hangen, om dan weer op te lossen. We kunnen Smilde vragen om ergens in Leeuwarden, bijvoorbeeld Grand Café De Koperen Tuin, op Tsjêbbes geboortedag (15 januari) of zijn sterfdag (7 maart) een wolk te maken, en dan lezen we hardop: 'Niets dat eenzamer maakt dan het water. Niets/ Dat vergankelijker is dan geluid' of 'Morgen zal het voor eeuwig lente zijn'.

Volgende week kan het ook al, zo'n wolk: op de Nacht van de Poëzie in Utrecht, daar waar Hettinga's machtige stem ons ooit heeft meegevoerd.

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden