Arjan Peters

Precisie kan ontroerend zijn. 'Er schuilt veel poëzie in onbewuste kieskeurigheid', dichtte Marianne Moore, waarbij ze bijvoorbeeld dacht aan de mier die ze eens heel kieskeurig 'een houtje naar het noorden, het zuiden,/ het oosten en het westen' had zien dragen, 'tot zij/ zich omdraaide, van het bloembed het grasperk/ insloeg,/ en terugkeerde naar het punt van/ waar zij begonnen was. Het houtje daarna achterlatend/ als onbruikbaar'.


Wat betekent dat nou, dat je een houtje eerst heel doelgericht van hot naar her sleept, om het dan zomaar weer achter te laten? Of is het niet zomaar? Wat wil je ermee bewijzen, vroeg Moore zich af, dat je de ervaring hebt gehad een houtje te dragen?


Het mooie van haar gedicht, 'Critici en kenners', is dat het een gevoel van verwondering nauwkeurig ontleedt. Om een kieskeurige mier een tijdje te volgen moet je zelf ook precies zijn.


Marianne Moore herkende iets in het gedrag van de mier. In de bundel waar ik uit citeer, Een veldmuis in Versailles (vertaling Bernlef, uit 1968), staan ook fragmenten uit interviews met de Amerikaanse dichteres, die van eenzelfde hang naar ongevraagde nauwgezetheid getuigen. U hebt de dichter T.S. Eliot ontmoet, is een vraag. Moore: 'Ja, het diner begon met voor ieder een kleine ronde gele meloen met groene strepen. Het geroosterde lamsvlees werd op een dientafel voorgesneden door Valerie Eliot. Het dessert bestond uit chocola met rammenas - een tikje bitter - een oud recept, met stukjes marsepein in de vorm van bloemen en groentesoorten, koffie met likeur in de salon. De conversatie werd geaccentueerd door esprit, zoals Wensleydale is nu niet bepaald de Mozart onder de kazen.'


Vast niet de repliek waar de interviewer op had gerekend, maar dankzij de exactheid zegt het antwoord zo veel meer (over Moore en over Eliot) dan wanneer ze had gezegd: 'Inderdaad, Eliot en ik hebben genoeglijk gedineerd.'


Harry G.M. Prick, die tientallen jaren werkte aan zijn tweedelige biografie van Lodewijk van Deyssel, en die kon uitroepen: 'Als je in iemand geïnteresseerd bent, dan wil je toch ook weten hij zoal op een dag át?' Of Piet Schreuders, die in het tijdschrift Furore alle Parijse locaties naloopt die door de wonderschone film Le ballon rouge (1956) worden aangedaan: ze verdienen hulde.


Precisie kan een verweer zijn tegen vergetelheid. In de roman Steen op steen van Wieslaw Mysliwski herinnert een Poolse boer zich dat de partizanen in de oorlog vaak zonder kist in de naakte aarde werden begraven. Een berkenstam was een kruis. Verder geen spoor, geen voornaam of achternaam. 'Er lag wel iemand, maar je wist niet wie het was. Misschien wist zelfs Onze-Lieve Heer het niet. Hoewel iedereen toch een naam had.'


En dan komt dit precieze rijtje, vertaald door Karol Lesman: 'Grzeda, Uil, Morielje, Krakowiak, Malinowski, Kooi, Peer, Mikus, Niecalek, Barcik, Tomtaladom, Heitje, Maj, Szumigaj, Jamroz, Kudla, Mus, Koolraap, Bult, Vlieg, Warzocha, Rooie Hond, Hommel, Zyga, Kozieja, Donda, Haas, Vos, Galeza, Kolodziej, Jan, Jozef, Jedrzej, Jakub, Mikolaj, Marcin, Mateusz.'


Soms kent de boer alleen nog hun bijnamen, in dorpen niet ongebruikelijk. Een opsomming als een onorthodox gebed, dat de gevallen partizanen uit hun naamloosheid terughaalt. Een kaddisj voor allen, van Bult tot Tomtaladom.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden