Arjan Peters

Als de romantische dichter Jan Jacob Slauerhoff (1898-1936) geen scheepsarts was geworden maar academicus, zou hij de aartsvader van de slodderwetenschap zijn geweest. Slodderhoff werd hij genoemd, niet alleen omdat zijn gehaaste handschrift door maar weinigen te ontcijferen was, maar ook omdat de eenmaal blootgelegde verzen er vaak ook nog schots en scheef bij bleken te staan. Rijm en ritme rammelen regelmatig.


Er zijn lezers en vakbroeders die daar niet tegen kunnen, van die regels die ogen of ze met de linkerhand neergekrabbeld zijn tijdens een druk spreekuur op een deinend schip. Maar je kunt er ook anders tegenaan kijken. Deze week las ik in de Verzamelde gedichten van Jan Eijkelboom (De Arbeiderspers; € 45,-) ook het nagelaten vers 'Mooi lelijk', dat als volgt opent: 'Moet je horen,/ het hoeft niet altijd even mooi te zijn./ Misschien draagt de sjagrijnige kop/ van de zwaan bij aan het majesteitelijke/ van hoe hij zich voortbeweegt.'


Kunstig verdriet, vond Eijkelboom, dát is abject lelijk. Maar de gedichten van Slauerhoff, dat zou hij ook vinden, kunnen mooi lelijk zijn. Tot aan het eind was Slauerhoff wars van polijsten, zoals de recente uitgave Het heele leven is toch verloren bewijst, met ongepubliceerd werk van de dichter (Het Literatuurhuis; € 12,50).


'Ik zal nooit meer gedichten maken', luidt het laatste kwatrijn, 'Alles voor mij liever fluistren/ In het mededoogende duister/ Dat bij mijn sterven zal waken.' Niet vloeiend, toch word je er stil van.


Nooit eerder gezien, nu gepubliceerd in datzelfde boek: de korte briefwisseling tussen Slauerhoff en zijn laatste geliefde, Caridad Rodriguez, een boekverkoopster en naaister uit Costa Rica. Eén nacht hebben ze samen doorgebracht, in juni 1935, in haar woonplaats San José.


Er stond al wat over in de Slauerhoff-biografie van Wim Hazeu uit 1995. Nu kunnen we het verloop volgen, een tragische amourette in proza waar de meters van uitslaan. Caridad aan Slauerhoff: 'Ik zal je zeggen, dat ik toen ik je op het station voor het laatst zag een grote cabanga voelde opkomen, misschien weet je niet wat dat is, het is droefheid om het gescheiden zijn van de persoon die je liefhebt en ik hoop dat het jou ook zo vergaat.'


Slauerhoff vanuit Merano: 'Mijn meiske, schone troost van mijn eenzaamheid en van mijn paludistische (malaria) en andere smarten (...) ik dacht er over hoe het zou zijn als jij naar Europa kwam (...) Een grote moeilijkheid is dat we elkaar zo kort kennen - alle minnaars willen het woord 'altijd' en voor altijd is alleen de liefde niet voldoende.' Schrijft de dichter, die drie maanden tevoren is gescheiden, aan een jonge vrouw met een zoontje.


In december schrijft ze hem aan met 'Allerliefste Johnny, waar je ook gaat, zolang ik bij je ben is dat de zevende hemel voor mij (...) Mijn zoontje kan op een internaat geplaatst worden en worden verzorgd door zijn grootmoedertje.'


Miljoenen kussen krijgt hij, maar Johnny moet in januari 1936 vanuit Heemstede berichten dat hij is verzwakt door de malaria en bronchitis (de astma en smeulende tuberculose verzweeg hij, misschien was de waarheid ongeloofwaardig), en dat hun ontmoetingen intens maar kort waren. 'Intussen, mijn schat en geliefde, als je het wachten moe bent en de ander wil, wacht dan niet langer.'


Er wás namelijk een ander. Hoe het Caridad verder ging, is onbekend. Slauerhoff lag later dat jaar 'caduuc' en wel zijn laatste slordige verzen te fluisteren in het Hilversumse rusthuis Villa Carla, waar hij op 5 oktober 1936 overleed, 38 jaar jong.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden