Arjan Peters

Waar blijven de bewegingen die een choreograaf heeft bedacht als hij zelf eenmaal is overleden? Is er een partituur die voorkomt dat alles vervliegt, vroeg ik tien jaar geleden tijdens een radio-interview aan Rudi van Dantzig, die op 19 januari van dit jaar is overleden. Hij dreef op gevoel, zoals ook vorige week te zien was op de film die werd gedraaid tijdens de Van Dantzig-hommage van het Nationale Ballet in het Muziektheater. Hij studeerde alles in met gezelschappen over de hele wereld, gesteld op dat directe contact, maar ook omdat de notitie-methode voor ballet nauwelijks bruikbaar is.


Dat vertelde hij me destijds: 'Deze beweging, hoe moet je die in hemelsnaam noteren?' vroeg hij zich af. Waarop ik moest beschrijven wat voor beweging Van Dantzig zoeven gemaakt had, het was immers radio, en het sierlijke handgebaar was alweer vervluchtigd. Het gaat niet om de bewegingen, maar om het invoelen, hoorde ik Van Dantzig op de film zijn dansers voorhouden, en zijn stelling dat techniek altijd dienstbaar moet zijn aan het gevoel werd die avond uitgedrukt door zijn memorabele balletten.


Soms sluit de lectuur thuis perfect aan bij wat je buiten hebt vernomen. 'Ik leef in Emotie', las ik in Tederheid en storm (De Buitenkant; € 19,50), een lezing van Jan Fontijn over de dichter Jacob Israël de Haan (1881-1924). Secuur brengt Fontijn orde aan in de chaotische persoonlijkheidsstructuur van de dichter, die door zoveel onrust werd voortgedreven dat het hem zelf aan overzicht ontbrak. Echtgenoot en homoseksueel, een orthodoxe Jood die de schoonheid van Arabische mannen roemde, een melancholieke twijfelaar en een vlijmscherpe reporter. Fontijn pleit voor een uitgave van de vierhonderd stukken die De Haan vanuit Jeruzalem voor het Algemeen Handelsblad schreef, en de tien exemplaren die hij afdrukt zijn evenzoveel aanbevelingen voor dat verhoopte boek.


De Haan werd gekweld door de tegenstelling tussen ogenblik en eeuwigheid. 'Juist als men geniet en het leven prachtig is, voelt men de dood en de eeuwigheid waarin alles verdwijnt', vat Fontijn het idee samen dat De Haan zo onrustig kon maken. Illustratief is de reportage uit 1922, waarin De Haan een verzoek doet bij de Arabische procureur-generaal in Jeruzalem of hij, als er een doodvonnis is, de executie mag bijwonen. De Haan deelt zijn stormachtige gedachten met de lezer als er inderdaad een terechtstelling komt: een jonge vader die een vrouw in liefde en woede heeft vermoord, zal worden opgehangen.


'Ik ben misselijk en wit. Niet gaan. Niet gaan. Het zijn de zaken van mijn ziel niet. Maar achter mijn ziel weet ik zeker, dat ik gaan zal.'


Hij denkt aan de moordenaar, voor wie de eeuwigheid gaat aanbreken. En hij is óók de 'zieke', nieuwsgierige toeschouwer. Slapeloos brengt hij de nacht door die voorafgaat aan de dag dat de moordenaar wordt opgehangen.


Daarna zal hij naar Jericho gaan. Vandaar komt de volgende notitie. Je wilt maar één ding weten: hoe was het? 'Allah heeft ons lief', schrijft De Haan. 'Wij zijn tevreden.' Toe nou, denk je: én? 'Maar of ik den moordenaar heb zien hangen in Gods eeuwigheid, met de tong uit den mond, zietdaar, wat ik u niet zeggen zal.' Einde.


Onze zucht naar sensatie meesterlijk aan het licht gebracht. Het gaat niet om de bewegingen.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden