Arjan Peters

Donzig is iets wat als dons aanvoelt. Het valt helemaal niet mee dat gevoel preciezer onder woorden te brengen, schrijft neerlandicus Leo Ross in het aan Louis Couperus gewijde nummer van het tijdschrift Extaze (In de Knipscheer; euro 15,-). Maar als er één woord is waar de auteur in zijn roman De stille kracht telkens weer mee speelt, is het dons.


Een zinnige observatie. Over de grootheid van Couperus, die 150 jaar geleden is geboren en daarom op tal van manieren en plaatsen wordt herdacht, kan gemakkelijk geleerd of schwärmerisch worden gedaan. Maar je kunt zijn uitzonderlijke talent ook simpelweg aanwijzen, namelijk door aandachtig te lezen, zoals Ross bewijst. Hij citeert uit De stille kracht (1900) een wolkende reeks dons-passages: 'het geheim dat zij voelde aandonzen in de nachten', 'zijn stem van fluweel even donzig diep als geheel de nacht was', 'het dons van de nacht, als een warme sneeuw', 'de vrees, die zij aan voelde donzen', 'zijn huis, waar rondom hem heen de vreemde gebeurlijkheid gedonsd had'.


Hier is de stille kracht in werking. Maar ook zien we een schrijver die de taal aangrijpt en naar eigen inzicht omvormt. Diezelfde sensatie had ik laatst in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, waar een kleine tentoonstelling is gewijd aan Couperus en de oudheid. Te zien zijn de tien boeken die in de oudheid spelen (zoals De berg vanlicht en Iskander), daarbij evenzovele mooie tekeningen van beeldend kunstenaar Elisa Pesapane, tien voorwerpen uit het museum, plus tien beeldende citaten.


Schitterend is deze passage uit Antieke verhalen (1911), waarin de zieke keizer Hadrianus een standbeeld van zijn gestorven minnaar Antinoüs bewondert: 'Het marmergrein glinsterde als van een ideaal, vergoddelijkt vleesch. De leden waren sierlijk, en gezond van jeugd. [...] Er was niets vrouwelijks aan dat beeld: het was de uitbeelding van een godmooie knaap; het was, in marmer, de schoonheid, zoo als de keizer die bemind had in razernij.'


Godmooi, je hebt het woord nooit eerder gehoord of gelezen, Couperus munt de term waar je bij staat, het is alsof we het wonder van het scheppen betrappen.


Over zijn mythologische helden zei Couperus dat hij ze zag als 'half-goden die vermenschelijkt zijn'. Die visie spreekt ook uit een ander citaat, eentje dat alle commentaar overbodig maakt, uit de 'Griekse' roman Herakles (1913): ... alleen scheen de manlijke jeugd bewaard in het bovenmatig krachtige lichaam, in de walbreede schouders en trotsende borsten, in de heuvelzware armen en -zware dijen, in geheel die reuzengestalte, die torende tusschen allen uit, welbekend, welbemind, met den vacht en den boog en den knots.'


Associaties te over, maar boven walbreed en heuvelzwaar torenen wat mij betreft die trotsende borsten, die als teken van mánnelijke jeugdigheid worden opgevoerd.


Trotsend, daar hoef je niet eens een Hercules-standbeeld bij te zien (al heeft conservator Halbertsma gezorgd voor een passende reus).


Je kunt naar Oost-Java reizen, zoals NRC-columnist Bas Heijne onlangs heeft gedaan, 'ontdekken' dat de vervallen residentiewoning in Pasoeroean dezelfde lijkt als waar Louis Couperus De stille kracht schreef, en dat als nieuws brengen. Een week nadat Heijne zijn vondst openbaar maakte, moest hij er alweer op terugkomen: het gevonden huis is weliswaar gebruikt als model in De stille kracht, maar zelf zat Couperus elders te schrijven.


Wat maakt het uit? De echte ontdekkingen doe je in de taal.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden