Arjan Peters

Paranoia, liefdesverdriet en drankzucht maakten van de jonge dichter Willem Kloos een patiënt. Hij werd opgenomen in Arnhem, daarna in Amsterdam, en tussen november 1895 en mei 1896 in het Geneeskundig Gesticht voor Krankzinnigen in Utrecht, ook wel Willem Arntsz Huis.


Daar schreef hij de zeven gedichten die als 'Infernale Impressies' werden gepubliceerd in De Nieuwe Gids. Ze zijn onlangs opnieuw uitgegeven, met een toelichting van Niels Bokhove, in een oplage van vijftig exemplaren (De Utrechtse Boekhoudpers/ Salon Saffier; € 12,50).


Er zitten mooie regels tussen, geschreven toen Kloos niet meer mocht drinken en terwijl hij een 'elektriseerbehandeling' onderging, waardoor zijn vriend Van Eeden na een bezoek vaststelde dat Willem nog 'nog zeer tragisch in expressie en gebaren' was. Na de behandeling zou Kloos terugkeren in de maatschappij, trouwen en tot 1938 voortleven. Wel had het elektriseren 'zijn poëtische talenten vernietigd', zoals Niels Bokhove niet zonder spijt opmerkt.


Treffend aan die gedichten van vóór de fatale genezing vond ik de pogingen van Kloos om als individu overeind te blijven tussen 'de gekken' die hij beziet 'als stomme mummiën met steenen oogen'. Laatste zin van een sonnet: 'Menschen, aanschouwt: ik word als een van dezen'. Juist doordat hij zich theatraal richt tot de 'menschen', zie je dat hij wankelt maar nog niet verloren is.


Die broze grens zit ook in het sonnet dat (naar Dante) begint met 'Laat alle hoop, gij die hier ingaat varen/ En draagt uw lijf, als of 't een mis-kelk waar,/ Van kostbre specerij en wierook zwaar,/ Met kalm gelaat en statige gebaren,-/ Recht door de menigt' heen'.


Van het vermogen om zijn situatie onder woorden te brengen werd Kloos na het schrijven van deze infernale impressies beroofd. Dat geeft deze verzen er een dramatische dimensie bij: na zijn afdaling in de hel zou Kloos genezen zijn van de romantiek.


Tussen haakjes heeft Bokhoves toelichting een nieuwtje voor me in petto: een van Kloos' medepatiënten in Utrecht heette Petrus Theodorus Couperus, de oudste broer van de schrijver Louis. 'Ongeneeslijk krankzinnig en doodgezwegen door zijn familie verbleef hij hier van 1883 tot zijn dood in 1928.'


Vijfenveertig jaren! De broer van Couperus zat al die tijd in een inrichting, zonder dat iemand zich om hem bekommerde?


Ik heb er de Couperus-biografie van Bastet bij genomen, en gelezen wat die over die broer zegt. Niet veel. Dat zijn gekte 'een druk op de ouders heeft gelegd', ook financieel, 'hij werd opgenomen in de eerste klasse'. En dat het op 'een overgevoelige en kwetsbare jongen als Louis Couperus een onuitwisbare indruk heeft gemaakt, mogen wij eveneens wel aannemen'. Dat mogen wij, maar is daar niet één bewijs voor?


Misschien, schrijft Bastet, is de geesteszieke Ernst in Couperus' Boeken der kleine zielen (deel 3, Zielenschemering, 1902) gebaseerd op Petrus Theodorus. Tot lang na Couperus' dood heeft zijn weduwe niet over die broer willen spreken. Te erg voor de familie.


Maar over Petrus Theodorus zelf, die zijn beroemde jongere broer vijf jaar overleefde, geen woord. Blijkbaar heeft Louis zijn broer nooit opgezocht.


Dit stelde ik me voor: ooit zag Petrus Theodorus in de gestichtsleeszaal een patiënt in Zielenschemering lezen, en toen dacht hij: 'Dat is van mijn broer'. Infernale impressie.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden