Arjan Peters

De grote verhalen met dito gevoelens bestaan niet meer. Daarom ook gaan we naar de opera, dacht ik in het Muziektheater, waar op één avond Iphigénie en Aulide (1774) en Iphigénie en Tauride (1779) van Gluck werden uitgevoerd. Libretto van ene Du Roullet, die in het programmaboekje als 'een lagere diplomaat' wordt omschreven, wat als een excuus klinkt. En deze diplomaat met librettistenfantasieën had zijn taak voor de tweede opera zelfs 'doorgeschoven naar een jongere dichter', Guillard, wat nog minder hoop geeft.


Inderdaad viel er wel iets te grinniken tijdens de vijf uur die de opera's samen duurden, al bleven de grappen op het podium achterwege. Afkeer en vervloeking die zomaar omslaat in liefde en vervoering, menselijke offers die ineens niet meer hoeven, eerst barbaars handelen en dan weer om vergiffenis smeken: weinig bleef ons bespaard. Maar de muziek was schitterend, en om die maar dóór te laten gaan, konden er wat mij betreft geen tranen en zwaarden genoeg tevoorschijn komen.


Zo zie je het tegenwoordig niet meer. Maar dat is geen reden om er maar niet meer aan te denken. De ingrediënten voor nieuwe opera's liggen voor het oprapen. Als we maar durven.


Net gelezen: Geluk kun je alleen schilderen, de biografie van F.B. Hotz, geschreven door Aleid Truijens. Genoeg schilderachtige scènes, vol dramatiek, je kunt de aria's er moeiteloos bij laten schrijven. Lagere diplomaten en jonge dichters in overvloed.


Hotz was schrijver maar eerst langdurig jazztrombonist. Mooi zo: dat betekent sfeervolle dansfeestpassages met The Dixieland Pipers of The New Orleans Rythm Club, en Hotz die It ain't so honey, it ain't so inzet. Het wegdromende publiek hoort niet dat er onheil in aantocht is. Dan komt in 1970 de moord van Hotz' ex-vrouw Barbara op zijn beste vriend en medemuzikant Serein. Alle gelegenheid voor een waanzin-aria van Barbara in de Haagse rechtbank, met het bebloede knipmes nog in de hand.


Het ontluikende schrijverschap van Hotz in de daaropvolgende jaren kan schetsmatig aan de orde komen (hij zat voornamelijk stilletjes zijn verhalen te slijpen), maar op 21 juni 1998 deed zich weer zo'n situatie voor die om een kundig dramaturg schreeuwt. Als juryvoorzitter belt Kees Fens de kluizenaar Hotz, om te vragen of hij de P.C. Hooftprijs wil accepteren. Nee, zegt die in eerste instantie, opziend tegen de publiciteit die zal losbarsten. 'Dat wil ik niet.' Fens praat op de schrijver in, om hem uiteindelijk over te halen: een spannend en machtig duet, dat ten slotte een zucht van verlichting bij het publiek verwekt. Hij doet het!


Tussendoor zijn er komische taferelen te componeren: Hotz in 1959 als muzikant op een Leids feestje, een mollige rechtenstudente vraagt hem ten dans. Hij slaat het aanbod af, vanwege zijn slechte ogen. Achteraf hoort hij: die studente, weet je wie dat was? Prinses Beatrix. Reactie van Hotz: 'O, ik had al het gevoel dat het niks zou worden.'


Of de lugubere laatste levensfase van zijn zieke ex: in een hospice knapte ze zienderogen op. Maar omdat ze 'gekomen was om te sterven en niet doodging' (Truijens), moest ze dóór naar een verpleeghuis in Zutphen. De heks die niet dood kan: een Raspoetin-achtig intermezzo.


Na de jazzy opera over Hotz kunnen we iets doen met de oorlogsjaren van de ambitieuze jongeling W.F. Hermans.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden