Arjan Peters

'Laat me, heregod, sterven in mijn slaap, op een bed van eierdons, onverwacht, als een gezonde honderdjarige en in volle vredestijd', schreef Gerrit Komrij in zijn encyclopedie van het gevoel Humeuren en temperamenten (1989). De dood is een kale woestijnrat, heette het in Demonen (2003): 'Ik knik hem toe en hij knikt mij toe, zonder dat we elkaar speciaal begroetenswaard achten. Ik begin steeds meer op hem te lijken, als een hond op zijn baas.' En er is natuurlijk het slot van het vermaarde gedicht Dodenpark, uit 1969: 'O, nergens heerste ooit zo'n rust. Slechts/ Af en toe klonk uit een urn een kreet.'


Als deze regels al niet opduiken in de toespraken bij de herdenking van Gerrit Komrij in Felix Meritis te Amsterdam, vandaag vanaf 12 uur (rechtstreeks op de treurbuis te volgen), dan zingen ze rond in de hoofden van de vele lezers die met zijn werk vertrouwd zijn.


Twee boeken waar vandaag vermoedelijk níet uit geciteerd gaat worden, en die ik hier opvoer voordat ze vergeten raken, zijn De wonderbaarlijke lotgevallen van Jubal Jubelslee (1975) en De zonderlinge avonturen van Primus Prikkebeen (1980), komische verzen die Komrij schreef bij 19de-eeuwse beeldromans van Rodolphe Töpffer.


Kunstige Sinterklaaspoëzie, oordeelde een matig geamuseerde Jan Blokker destijds in de Volkskrant.


Nee, Komrij's rijmen passen bij het hotsende en botsende ritme van Töpffers tekeningen, vond Dirkje Kuik in Vrij Nederland.


Blokker heeft geen ongelijk, maar toch zou ik de twee boeken nooit willen missen - vanwege de tekeningen, maar ook vanwege Komrij's durf om deze regels te presenteren: 'Om elke boom/ Ontwaart hij plots een astronom-/ Isch aantal vlinders', of 'Komt Aboul-Moog-Ol-Hassan-Doe/ En hoe hij verder heet ooit toe/ Aan een verrukkelijke groe-/ Nteschotel? denkt de slavendrijver/ (Ja, hij kan rijmen als een schrijver)'.


Weinig verheffender zijn regels als de volgende: 'Dan gaat Jubal musiceren/ Om de koortsen af te weren./ Zing-zing-zing en tra-la-la,/ Mozart voor en Haydn na.'


Maar opgepast, want soms monden flauwe flutverzen uit in een regel die op volle sterkte flonkert: ''t Paard doet zich tegoed aan voeder,/ Als een brave kloosterbroeder/ Langskomt, met bedaarde tred,/ En verzonken in gebed.// 'Ha!'grijnst Jubelslee. Zijn ogen/ Draaien wit weg naar omhoog en/ Met een bronstkreet snelt hij toe./ De asceet wordt kalfsragoût.'


Primus Prikkebeen denkt op een eiland in zee te staan, maar ineens begint het eiland te bewegen, het heeft vinnen, en een enorme bek, die een hap neemt: 'En Prikkebeen komt in een drab/ Terecht van kabeljauw en krab,/ Van paling, sidderrog en otters,/ En resten van verteerde kotters.// Temidden van dit zeebanket/ Drijft hier en daar een gaaf skelet/ Met tulband of matrozenpet./ Dit alles in de kleurschakering/ Van een gezonde spijsvertering.'


Even later bevindt Prikkebeen zich met een abbé op een Pooleiland, waar het niet gerieflijk is, wat Komrij illustreert met regels die alleen van hem kunnen zijn: ''t Is zaliger om gordelroos/ Te hebben, of een mond vol kroos,/ Dan om opeens, meedogenloos,/ Als twee gerenommeerde heren/ Tot ijsklomp te kristalliseren.'


Onze bedroefdheid is ook zo groot omdat Gerrit Komrij ons zo veel vrolijkheid heeft geschonken.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden