Arends' werk verdraagt geen applaus

Bijna dertig jaar geleden sprong Jan Arends, bastaardkind, huisknecht, patiënt, eenling, maar ook de schrijver van wrange en geestige verhalen en gedichten, zijn dood tegemoet....

Hij schreef gedichten als dunne bomen: 'Wie/ kan zo mager/ praten/ met de taal/ als ik?// Misschien/ is mijn vader/ gierig geweest/ met het zaad.// Ik heb/ hem nooit/ gekend/ die man.// Ik heb/ nooit/ een echt woord gehoord/ of het deed pijn.// Om pijn/ te schrijven/ heb je/ weinig woorden/ nodig.'

Een typerend gedicht uit de bundel Lunchpauzegedichten van Jan Arends (1925-1974), het schizofrene bastaardkind, de masochistische huisknecht van 'ordinaire wijven', de succesvolle maar ongrijpbare copywriter, de belzieke stoorzender, de psychiatrische patiënt, de eenling die op de avond van de 21ste januari 1974 een eind aan zijn leven maakte door uit het raam van zijn eenpersoonsappartement van het flatgebouw Het Nieuwe Huis aan het Roelof Hartplein in Amsterdam te springen.

Hij werd gecremeerd op Westgaarde. Een handvol kennissen was erbij. Geen familie, zodat 'de heer Arends ambtshalve is verstrooid', zoals een medewerker van Westgaarde het zakelijk uitdrukt in de documentairefilm Stil, Jan Arends moet schrijven van Maria Nasveld uit 1984.

Maar ook is Arends de schrijver van wrange en geestige verhalen en gedichten, waar 'het gemankeerde, armoedige en liefdeloze bestaan als schrikdraad door loopt'. Aldus Nico Keuning (1952) in de proloog van zijn biografie Angst voor de winter - Het leven van Jan Arends (De Bezige Bij), die dinsdagavond werd gepresenteerd in de Balie in Amsterdam. Vanaf 1974 is Keuning gegrepen door het unieke oeuvre, waarvan tegelijkertijd met de biografie een uitgebreide vierde druk het licht ziet.

Bijna dertig jaar na zijn dood is Jan Arends allerminst vergeten. De zaal was dinsdag goed gevuld met lezers en belangstellenden die het graag nog eens horen wilden, van mensen die de talentvolle klaploper nog hebben gekend. De publicist H.J.A. Hofland, die Arends in de jaren zestig leerde kennen in café Scheltema, vond hem 'iets van een insect' hebben. De schrijfster Inez van Dullemen, die als zestienjarige in de oorlog in een Haags dichtersclubje zat, omschreef hem als een 'bleke alien, een slordige kraai' met priemende zwarte ogen, die zijn merkwaardige gedrongen verzen letter voor letter op de tikmachien hamerde. 'Als zware druppels klonk het, voordat het onweer zou losbarsten.'

Ze had dat verhaal vaker verteld - onder meer in de documentairefilm die dinsdag ook werd vertoond (eerdaags door de TROS op tv uit te zenden), en in het Arends-nummer van het roemruchte tijdschrift De Engelbewaarder (1979). Op de radio had ze Arends horen vertellen dat hij zijn verhalenbundel Keefman eigenlijk Leefman had willen noemen, maar dat hij zich vertikte en het toen maar zo had gelaten. Van Dullemen in 1979: 'Keefman, daar zit iets van ''kijven'' in. Want een intrigant, een pestduivel was hij ook.' Van Dullemen in 2003: 'Misschien dacht hij door die K ook aan Kafka. Het paste beter.' In de zaal spitste Niels Bokhove van de Nederlandse Kafka-kring terstond de oren.

De documentaire bracht Arends ineens dichtbij, onder meer door het daarin opgenomen interviewtje met hem uit het VPRO-programma Het Gat van Nederland. Daar zagen we zijn magere gestalte, zijn troosteloze woonkamer, en hoorden we hem in het jaar voor zijn dood met kalme stem zijn naakte verzen voordragen.

Die stem lijkt een beetje op die van Remco Campert (bezorger van Arends' Nagelaten gedichten uit 1975, en dinsdag ook present onder het gehoor), vond Keuning, hoewel anderen eerder dachten aan Herman Koch.

In ieder geval klonk hij zelf aanmerkelijk minder theatraal dan Jacques Commandeur, die na de pauze een gedeelte uit Arends' toneelmonoloog Keefman (1975) heropvoerde: 'Wie naakt geboren is die krijgt nooit een pak dat hem past.'

Bravo, riep een dame uit de zaal onverhoeds. Maar Commandeur moest nog even door. Dat was tekenend: het werk van Arends is indrukwekkend, maar verdraagt nauwelijks applaus van derden.

Volgens Van Dullemen sprong hij daarom uit het raam, vlak voordat zijn bundel Lunchpauzegedichten verscheen en hij wellicht erkenning zou oogsten. Op deze manier kon hij als 'vieze zieke oude man' alleen blijven. 'Ik wil het leven de oren wassen en daarom schrijf ik een boek', zei hij in 1970 tegen Eelke de Jong, die hem in de Utrechtse inrichting Het Willem Arntsz Huis opzocht. 'Een kraai/ die leed krast/ in de taal', staat er in Lunchpauzegedichten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden