Architectuur van het woord

Hilversum is de plek waar de Nederlandse verzuiling het best in beeld is gebracht. Elke omroep zijn eigen bouwfilosofie, zijn eigen architect....

Het heet nu Media Park. Kort daarvoor nog was het, toen de IT-droom het hele universum leek te bestormen, Multimedia Gateway to Europe. Daarvoor weer heette het, heel nuchter en ambtelijk, Omroepkwartier. En nog weer eerder, heel lang geleden, Radio-City, waar een verlangen uit sprak naar een American Dream van een luisterdichtheid coast tot coast. Het is een verhaal van Hilversum en de publieke omroep. In Hilversum hergroeperen die omroepen zich weer opnieuw, in nieuwe netconstructies en nieuwe gebouwen, onder nieuwe samenwerkingsnamen. Maar in dat park, onder de paraplu van die verzamelnaam, blijven ze ook altijd vooral zichzelf, zich profilerend tegen elkaar.

'Onmogelijk aan buitenlanders uit te leggen', zegt de directeur van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid in het boek Kathedralen en luchtkastelen van de omroep in Hilversum over het omroepbestel. 'Alleen te begrijpen als je hier bent opgegroeid en de geschiedenis van Nederland van de afgelopen honderd jaar goed kent.' Het boek behandelt een van de meest complexe aspecten van de Nederlandse samenleving, de verzuiling in de omroep, en heeft zich daarin op één element gericht, de bouwkunst. Het is niet minder ingewikkeld dan het bestel zelf, wel de meest directe verbeelding ervan.

Er is geen plek in Nederland, waar de verzuiling zo tot uitdrukking is gebracht als in Hilversum. Kerken en scholen waren er overal al, de opkomende radio vormde een nieuwe uitdaging, en een ultieme, want het nieuwe medium vroeg om een nieuwe architectuur. In een klein gebied verrezen de nieuwe kathedralen van die verschillende denominaties - socialistisch, rooms, protestant-christelijk, vrijzinnig, liberaal. Het waren radio-studio's en verenigingsgebouwen tegelijk, standdaarddragers voor wapperende vaandels en banieren, versierd met uitdagende uitdrukkingen van die geloofsopvattingen, uitgedrukt in gebrandschilderde ramen die teruggrepen op de geschiedenis en moderne beelden die het vertrouwen in de toekomst opriepen.

Het is niet alleen een complexe geschiedenis, het is ook een complex boek; groot en dik als een statenbijbel. Het behandelt de ontwerpen van gebouwde complexen en van nooit uitgevoerde, maar vooral ook de ontwerpgeschiedenis en idealen, de machinaties en de strijd erachter. Het haalt die geschiedenis uit briefwisselingen en vergaderverslagen, notulen van bestuursdebatten en reisnotities van bestuurders en architecten die in het buitenland gingen kijken hoe ze het daar hadden gedaan, zo uitvoerig en gedetailleerd dat je vaak door bomen het bos niet meer ziet. Het is een ultieme inventarisatie, van het eerste tijdelijke gebouwtje tot de plannen die er nu worden ontwikkeld, het beslaat een geschiedenis van zo'n tachtig jaar.

Nooit was een gebouw echt af, dat is de rode draad van dit verhaal. Ze waren al achterhaald als ze voltooid waren. Er is er ook geen een meer in zijn oorspronkelijke staat terug te vinden. Er werd eindeloos aan gebouwd en bijgebouwd. Eenvoudige studio's groeiden snel uit tot complexen van hoorspel- en muziekstudio's, newsrooms en controlekamers, met schouwburgzalen en concertzalen, foyers en koffiekamers, en daarachter weer kantoorflats voor het personeel. En toen alles, op een gegeven moment, voltooid leek, was die radiotijd ongemerkt voorbijgegaan, brak de televisie door en kon alles opnieuw beginnen.

Rijksbouwmeester Jo Coenen beveelt het boek in een voorwoord van harte aan als 'onmisbaar in elke architectuurbibliotheek'. Hij zal het niet gelezen hebben, daar is zijn stukje te gratuit voor, maar het bijzondere ervan wel hebben voorvoeld. Het gaat in het boek niet om de architectuur alleen, maar vooral om het complexe van de architectuuropgave, toen en nu. Het was een eeuwig schipperen tussen de wensen van omroepbestuurders en de gemeente, tussen het verlangen naar een oorspronkelijke architectuur en de verwachting van een vaak traditioneel georiënteerde achterban, tussen de eisen van de radio en de technische mogelijkheden van het bouwen.

De studio's moesten de volmaakte uitdrukking zijn van een geloofsopvatting, maar tegelijk functioneel. Het was een worsteling ook met nieuwe problemen en technieken. Concertzalen waren al eeuwen gebouwd, daar kende men de eisen van de akoestiek, maar wat een radio studio op dit gebied verlangde was nog onbekend.

Er is geen plaats in Nederland waar de ontwikkeling zo door het toeval is bepaald als Hilversum: een onaanzienlijk dorp in de hei, verstopt in het Gooi, waar zich in het begin van de twintigste eeuw de Nederlandsche Seintoe stellen Fabriek vestigde, die een radiozender exploiteerde. De radioamateurs konden eindelijk een signaal ontvangen. Er was alleen geen programma. De fabriek deed daar niet aan, de overheid evenmin, die liet het over aan het particulier initiatief. In een paar jaar tijd, midden jaren twintig, werden de omroepverenigingen - de oorsprong van wat nu de pubieke omroep heet - opgericht, de VARA, AVRO, KRO, NCRV en het buitenbeentje VPRO.

Ze waren, voor ze vanwege die zender naar Hilversum trokken, allemaal ergens in het land begonnen in een kerk, bioscoopzaaltje of in de biljartzaal van een hotelrestaurant, deuren en ramen zorgvuldig afgeschermd tegen inlekkend geluid met op elkaar gestapelde kapokmatrassen. Op een korrelige foto, rond 1930 genomen, van een KRO-uitzending vanuit hotel-restaurant Du Commerce is het mooi te zien. Een pianist en cellist zijn geconcentreerd aan het werk, maar die rechtop tegen deuren en ramen gezette matrassen hebben geen ruggengraat en zakken langzaam in elkaar. De geïmproviseerde studiootjes voldeden niet, het nieuwe medium vroeg om een eigen, aangepaste ruimte. De nieuwe verenigingen trokken ervoor naar het villa-deel van Hilversum, omdat dat de kosten van telefonische transmissie naar de zender spaarde.

In de inleiding van het boek wordt over de gebouwen die de omroepen ontwierpen, gesproken van een 'vernieuwende en toekomstgerichte plaats in de architectuurgeschiedenis', maar dat valt nogal mee. Ze gingen de vernieuwende stromingen in de architectuur juist wat uit de weg - zochten eerder een voorzichtige middenweg dan een uitgesproken richting. Het bouwproces is nooit gestopt, het gaat nog altijd door. Een van de laatst ontworpen gebouwen, nu wel een spraakmakende en baanbrekende architectuur, is de Villa VPRO, het nieuwe omroepcomplex van het bureau MRVDR.

Voor ons, nu in terugblik, is de periode van de eerste uitdaging met het nieuwe, de glorietijd van de radio, het meest fascinerend. In Nederland lag dat net voor en na de oorlog, in de architectuur ervan vooral in jaren vijftig, toen al die complexen hun voltooiing bereikten. Ze zijn typerend voor die tijd, de kathedralen van de denominaties hebben een architectuuruitdrukking die je soms ook elders, in andere typen gebouwen zag. Berlage had eerder de weg al gewezen met zijn Beurs op het Damrak, het stadhuis van Usquert en de brug over de Amstel. Veel gebouwen uit die jaren werden gemarkeerd door een toren: ziekenhuizen en sanatoria, raadhuizen en poldergemalen, maar bovenal die omroepgebouwen, symbolen van het nieuwe woord, van het woord uit de ether.

Ze waren een uitdrukking van een geloof of van een overtuiging - katholiek, christelijk, socialistisch, liberaal - en hadden daarmee iets van een kerk met gelovigen, maar ook van een clubhuis met fans. Op hoogtijdagen trokken die er en masse heen om te laten zien dat ze erbij hoorden en om te beleven wat ze zelf, met kwartjes en dubbeltjes, bij elkaar hadden gespaard. 'Schoon was de omgeving, waarin we ons feest vierden, zonnig en zomers het stralende weer en vol geestdrift, bruisend als de zee, waren onze harten, toen we optrokken langs ons gebouw', luidt het verslag van een feestdag van de VARA.

Ze waren niet alleen bestemd voor hun leden/gelovigen, ze werden ook door hen gebouwd, een ander kwam er niet aan te pas. De katholiek Cuypers, lezen we zo, viel in een prijsvraag af voor een ontwerp voor de NCRV, 'omdat hij roomsch is', ook al is waar, zegt een verontschuldigende toelichting, dat 'zijn tegenwoordige chef protestant is'.

Al die omroepgebouwen van de jaren vijftig waren vruchten van een proces. Ze waren niet in één keer ontworpen, maar vormden de bekroning van een lange periode van uitbreidingen en vernieuwingen. Ze begonnen allemaal in een oude villa, met beneden de studio's en controlekamers, ontvangstruimten en kantoren, en boven de woning van de omroeper-bestuurder of predikant-directeur. Het had iets heel huiselijks. Nog in de jaren zestig woonde de VPRO-leidsman dominee Spelberg boven de studio. Zijn vrouw was slecht ter been en liep met een stok. Haar getik was beneden te horen en stoorde de uitzending. Door de technische dienst werd een rode lamp in de huiskamer gemonteerd, die aangesloten was op de moederlamp van de controlekamer. Als ze beneden On Air gingen, floepte ook bij haar het stiltesignaal aan.

De VARA ontwikkelde in die jaren (architecten J.A. Snellebrand en A. Eibink, later B. Merkelbach en P. Elling) een licht modernistisch gebouw, met een slanke constructivistische toren die met klok en carillon de dageraad begroette. De AVRO zette twee jonge, nog onbekende architecten in (Merkelbach en Ch. Karsten) voor wie dit hun eerste grote opdracht was. In fasen groeide een waaiervormig ontwerp in baksteen. Het gebouw was in zijn studiotechniek en isolatie innovatief en revolutionair en in zijn architectuur licht en ruim, met een interieur vol staalbuismeubelen van Gispen en als die in type niet voor handen waren, zoals bij een muziekstanddaard voor het orkest, werden ze naar eigen ontwerp uitgevoerd.

De KRO metselde (architect W.A. Maas) een klassiek voorbeeld van de traditionalistische Delftse School, uitbundig gedecoreerd met de wierook en mirre van gebrandschilderde ramen en muurreliëfs. De NCRV (architect J.H. van der Veen) bouwde een licht, strak paviljoen, dat meer weg had van een sanatorium dan een radiostudio.

De ontwerpen bewogen zich voorzichtig tussen de stromingen van toen in, de Nieuwe Zakelijkheid en de Delftse School. Ze waren modern, een uitdrukking van een nieuwe tijd, maar niet zelf een statement van vernieuwende architectuur.

Er moet een prachtig contraverhaal in zitten, als je deze geschiedenis leest, van een stil, ingetogen villadorp en zijn bewoners die in groeiende verbijstering en wanhoop de nieuwe bewoners aanschouwden, die alles opslokten en veranderden. Ze begonnen allemaal stilletjes in een oude villa, maar binnen de kortste keren werden binnenterreinen volgebouwd, omliggende villa's opgekocht en gesloopt om er grotere, nieuwe gebouwen neer te zetten, die op feestdagen honderdduizenden bezoekers trokken, met vaandels en vlaggen zwaaiden en strijdliederen zingend, voorafgegaan door fanfares en mandolineorkesten. Hun verhaal is in de geschiedenis verloren gegaan, ze kozen waarschijnlijk eieren voor hun geld en pakten hun biezen. Pas nu, in onze tijd, komen de buurtbewoners aan het woord in hun protest tegen schaalvergroting, verkeersoverlast en aantasting van de natuur en het dorpskarakter.

De studie vertelt het hele verhaal van de afgelopen eeuw. De glorietijd van die jaren vijftig worden vervolgd met de komst van nieuwe zendgemachtigden, de Wereldomroep, TROS, EO, Veronica en Teleac. Het boek behandelt alle uitbreidingen en plannen die er werden ontwikkeld, tot de kleinste verbouwinkjes toe. Het is daarin duizelingwekkend compleet en die detaillering vaak onnavolgbaar, meer voor de obsessieve luistervink verzameld dan voor een leek. Je moet er groot geduld voor hebben. Bijna een kwart van al die plannen is nooit uitgevoerd, maar in dromen blijven steken, terwijl er zeer bijzondere bij waren. Aldo van Eyck kreeg in Hilversum de grootste opdracht van zijn leven, maar zijn ontwerp voor een nieuwe complex van de KRO sneuvelde in de oliecrisis van de jaren zeventig en in zijn weigering om in plaats van met het onbetaalbaar geworden staal met beton te werken.

Pogingen tot samenwerking, in techniek en studiogebruik, om tot een Radio House of een Media Park te komen, zijn er altijd wel geweest. Na de oorlog werden die gestructureerd door de NRU en later door de NOB. In dat mediepark van nu worden daar weer nieuwe stappen toe gezet in nieuwe complexen voor Net 1, Net 2 en Net 3. Maar het nieuwe AKN-gebouw (van AVRO-KRO-NCRV - architect J. Hoogstad) koos niet voor een locatie in het park, maar keerde terug naar het oude villadorp, en is - traditie, traditie - nu alweer te klein. De samenwerking tussen de oude denominanten groeit, tegelijk dient er zich weer, net als tachtig jaar geleden, een nieuwe verzuiling aan, in de NMO, de Nederlandse Moslim Omroep - een nieuwe stem, een nieuw woord, in de ether en een cyclus in de tijd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden