Architectuur begint bij het tuinhek De terloopse bouwkunst van Gunnar Daan

De Nederlandse architect Gunnar Daan werd geboren in een korenmolen. Herinneringen aan die ronde vorm komen in zijn werk herhaaldelijk terug, net zoals hij de ideale lichtval afmeet aan de hoge ramen in zijn ouderlijk huis....

HET DORP is verlaten, op een joggend meisje na. Nee, van de atelierwoning van De Vries heeft ze nooit gehoord en zo groot is Langezwaag toch ook weer niet. Even later heeft ze zich bedacht, ze rent de auto achterna: 'Bedoelt u dat moderne huis, helemaal van glas? Dat ligt buiten het dorp.'

Lytse Wyngaerden is een veredeld karrespoor, met hier en daar een oude veenarbeiderswoning. Het is het gebied van de lange, nu gedempte vaarten, van de zwarte aarde en ook van Domela Nieuwenhuis, die er eind vorige eeuw zijn eerste socialistische kamerzetel vandaan sleepte nadat hij de turfstekers de Grote Omwenteling in het vooruitzicht had gesteld. Die is er ook gekomen, in dat achtergebleven gebied, maar anders dan de revolutionairen hadden vermoed: er staan nu tweede huisjes van welgestelden.

Atelierwoning De Vries is niet zichtbaar vanaf de weg, maar een terpje in het Friese land doet iets van een bouwwerk vermoeden. 'Dat moderne huis' steekt zijn glazen kop op uit de helling en als we naderbijkomen, ontdekken we dat het oprijst uit een muur van puin. Brokstukken van een oude melkfabriek, waaruit in 1986 een villa groeide. Het is niet minder dan een idylle, zoals de glazen trommel daar aan de voet van een meertje ligt. Dat watertje is net zo kunstmatig als de terp, of liever gezegd: de afgraving heeft de ophoging mogelijk gemaakt.

De zon breekt het wolkendek open, als Mieke van der Ley het bezoek verwelkomt. Zij en haar man, de keramist Kees Rensen, woonden in de omgeving, toen ze op zeker moment hoorden dat er een ongewoon huis te koop stond. Atelierwoning De Vries was toen al twee jaar verhuurd, nadat De Vries ('een man met durf en inzicht', vindt de huidige bewoonster) naar het buitenland was vertrokken.

De Vries heeft zijn zorgen op de nieuwe eigenaars overgedragen. Glimlachend somt Van der Ley ze op: doorslaande muren, lekkend dak, slechte bedrading en vooral een belabberde akoestiek. 'Als we tv willen kijken terwijl de kinderen naar bed zijn, moet hij op de fluisterstand. Soms wijkt de oudste uit naar het tuinhuis, aan de overkant van het meertje, om ongestoord te kunnen slapen.'

Gordijnen hebben de akoestiek lichtelijk gedempt. Meer hulpmiddelen zijn er niet, wil de architectuur niet worden aangetast. Er ligt vloerverwarming onder de troffelvloer (een experiment van kunststof met natuursteen) en de reusachtige ramen, die per katrol kunnen worden opgehesen, ja die zijn juist zo karakteristiek voor de ronde doorzonwoning. Licht, lucht en vrijheid - dat waren ook de redenen voor het echtpaar Rensen om het huis te kopen. Al blijkt dat in de praktijk wel eens tegen te vallen; er is een levendig toeristisch verkeer, soms zelfs komen de nieuwsgierigen pardoes het erf oprijden, moppert de bewoonster.

Wat Mieke van der Ley nog het meest tegenvalt, is dat de architect de woning weliswaar als zijn paradepaardje beschouwt en daarom wel onaangekondigd met een groep studenten het erf opwandelt, maar zich niets gelegen laat liggen aan de slechte staat. 'Vond hij maar een oplossing voor het vochtprobleem.'

Die architect heet Gunnar Daan, en de stelling dat hij met zijn atelierwoning in Langezwaag een naoorlogs Rietveld-Schröderhuis heeft geschapen lijkt nauwelijks overdreven; net zo transparant, net zo verrassend en net zo vernieuwend. De eerste verdieping blijkt een onverwachte belvédère met uitzicht over het weidse veenlandschap. Beneden, bij het meertje waar de ijsscherven van de afgelopen nacht in ronddrijven, voel je je afgesloten van de wereld, een holletje waarin je weg kunt kruipen, want de slaapvertrekken lopen onder de terp door.

Zoals de oerbewoners in deze streek hun hutten uit keien en zoden optrokken, zo is ook het huis van Daan met het landschap versmolten. Architecten, vindt Daan, moeten zich zo bescheiden mogelijk opstellen, hun ingrepen mogen nauwelijks zichtbaar zijn; hoe terloopser, hoe beter. Dat het huis in Langezwaag hem zo typeert, komt vooral door de ronde vorm. Die herinnert aan het huis waarin hij geboren werd, een korenmolen.

We volgen zijn sporen in het noorden, waar hij vanaf het begin van de jaren zeventig het meeste gebouwd heeft. Onze leidraad is een vliegertje dat hij als een graffiti-artiest in de gevels van zijn scheppingen heeft geëtst. We zoeken in dorpsranden en dorpskommen zijn signatuur, we tasten de horizon af. Een kas, een verbouwde boerderij, een school, er lijkt bijna geen dorp aan Daan te zijn ontsnapt.

MAAR steden evenmin. Neem Groningen. Op twee markante punten heeft hij zijn stempel gedrukt: aan de Oosterkade combineerde hij uitkijkpost, trafo en vergaderzalen in een ellipsvormig havenkantoor, bekleed met de o zo moderne golfplaat. Het tweede gebouw spreekt een andere taal. Precies halverwege het oude en het nieuwe Groninger Museum steekt de sociëteit en het botenhuis van roeivereniging De Hunze als een scheepsboeg het Verbindingskanaal in. Zo wordt en passant de flauwe bocht van het kanaal met de Aa aangescherpt.

Dit Hunzehuis is de Wiedergutmachung voor de roeiers die hun oude botenhuis hebben moeten opgeven voor de museumpaviljoenen van Mendini en consorten. Het grenenhout is geselcuriseerd (met zout behandeld), waardoor het groenig uitslaat, en wordt afgewisseld met ronde betonnen kolommen. Daan droomde dat het hout op den duur zou verteren zodat er alleen een skelet zou overblijven. Zo'n suggestief skelet, zoals bij de tempel van Segeste op Sicilië, is dat niet het summum van architectuur?

De overeenkomsten met de woning in Langezwaag zijn treffend. Een beschutte achterkant - landzijde - en een zondoorlatende plecht aan de waterkant. En opnieuw een hellend dak, zodat het lijkt alsof de oever een sprongetje maakt. Dat dak is dit keer niet rond maar vierkant, en wordt op de eerste verdieping doorkliefd door een diagonaal. Zo valt het gebouw in een reeks driehoeken uiteen, één voor de sociëteit links en één voor de botenloods rechts, en dat geometrische spel gaat nog even door met een driehoekige entree, een driehoekig luik in de veranda en zelfs een driehoekige aanlegvlonder. Met weinig gevoel voor subtiliteit heeft het Hunze-bestuur beddespiralen voor elke doorgang gezet.

Drie woningen en een verbouwde school te Garyp, kiezen we als derde stop voor onze puzzelrit. De beslissing onderweg een groepje scholieren te volgen pakt verkeerd uit. 'Wy hawwe gjin iepenbiere, mar ien skoalle', antwoordt een tweetal en die skoale is de School met de Bijbel, die nìet verbouwd is. Er gloort een schuin dak achter de bomen. Daan? Kan niet anders.

Het is een voormalige kleuterschool, die drie jaar geleden wegens een scholenfusie de deuren heeft gesloten. Het echtpaar Wybenga bewoont een van de drie voormalige schoollokalen, de twee andere staan al drie jaar leeg. Trots showt mevrouw Wybenga het zeskantige paviljoen met een lantaarn midden op het dak waar de spanten samenkomen. Het is binnen ruimer dan de buitenkant doet vermoeden. En alleen de kniehoge vensterbank herinnert nog aan de kleuters.

De gemeente was allang blij dat iemand iets zag in die betrekkelijk nieuwe school, en er was ook nog een architect die haar werd aangeraden. Meneer Daan. Niets dan lof voor hem; hij lette erop dat de tegels zo werden gelegd dat de zeshoek zichtbaar bleef en bedacht ook de plaats van de badkamer, pal onder de lantaarn, dus in het hart van de woning. Andere details zijn van haarzelf, waaronder de moeizaam vergaarde, zeshoekige plafonnières.

Terwijl de woning werd verbouwd en de Wybenga's zelf in een noodwoning aan de rand van Garyp bivakkeerden, liep het dorp storm. 'Als we kwamen aanrijden en zagen dat er weer vijf auto's voor de deur stonden, maakten we maar rechtsomkeert. Vaak wisten de mensen in het dorp nog beter wat er gebouwd werd dan wij.' Ze vindt de woning geknipt voor bejaarden, maar vreest dat die opzien tegen de grote tuin. 'Ze weten niet wat ze missen. Zoveel ruimte gelijkvloers. Het mooiste huis van Garyp? Het mooiste van Nederland, meneer'

Burgum, drie kilometer verder. Metselaars en timmerlieden lopen in en uit bij de openbare lagere school in wording. Een langwerpig gebouw, oneerbiedig gezegd een kippenschuur, van rode bakstenen en gele sierstenen. Is niet van Daan maar van zijn medewerker Anoul Bouwman. Waaruit dat blijkt? Wat minder dwingende geometrie, wat meer ronde vormen; veelbelovend is de gang die zich verbreedt naarmate de klassen groter en kinderen ouder worden.

De wolken zetten zich vast aan de lucht als we het wijde land ten oosten van Dokkum inrijden. Hier houdt Nederland op, hier lopen schapen verloren in oneindig groen, priemt een eenzame boerderij op een eenzame terp. Lang geleden waren dit nog de kwelders aan de rand van het nu gedempte Lauwersmeer.

De hand van Daan zien we van ver, zo leeg is het rondom het terpdorp Ee. Twee etages hoge ruiten, met de voor hem typerende dikke vierkante kozijnen, snijden door het voorhuis heen: dat markeert de tot woning verbouwde boerderij van tandarts Rolf van der Wal. Binnen blijkt op die plaats een brug de voor- en achterkant met elkaar te verbinden. 'Als je boven staat, weet je waar alles is, had Daan voorspeld. En dat klopt. Niet alleen de woning maar ook de tuin zie je daarvandaan.' Zijn vrouw had nog wel een stap verder willen wagen richting moderniteit, bekent hij, maar hij was gehecht aan de luiken en de brede vensterbanken.

Een reis langs Daans dorpen is ook een reis door zijn carrière. Zesenvijftig is hij nu. Na zijn studie bouwkunde aan de TU Delft zocht Gunnar Daan (zijn Scandinavische voornaam dankt hij aan zijn vrijdenkende ouders) in 1971 het noorden op. Daar omvatte zijn werk aanvankelijk niet meer dan een verbouwinkje van een pastorie, woonhuis of boerderij. Meer was er eenvoudig niet. Zijn stijl sloot aan bij de Friezen: niet te wild, inheems, wat Amerikanen vernacular noemen, de taal van de streek. Daaraan gehoorzaamt de tandartswoning van Van der Wal uit 1980, een rijtje woningwetwoningen in Anjum (1977-1980), evenals slagerij Schreiber (1979) in hetzelfde dorp.

Alsof hij op kousevoeten de terp beklom, zo onopvallend plantte Daan die woningen in de dorpskom van Anjum met hun vooruitgeplaatse entree, houten koekkoek en grote pannendaken. In Metslawier, vijf kilometer verderop, komt een dergelijke behoedzaamheid gevaarlijk in de buurt van nostalgie-architectuur, maar, zo luidt zijn verweer, dat is een beschermd dorpsgezicht met allemachtig veel restricties.

Leeuwarden. De wind giert om de Bonifaciustoren, een neogotische mastodont die opmerkelijk genoeg gespaard is gebleven. Gelukkig maar, ben je nu geneigd te verzuchten, omdat de vervangende nieuwbouw ook weinig hoopgevend is. De naburige percelen in Leeuwarden kunnen daarvan getuigen. Achter die kerk en de pastorie zijn twee ellipsvormige woonblokken van Daan in aanbouw die de middelmatigheid ontstijgen, hoewel we voor de schuine kunststof platen waarin de onderste kozijnen uitlopen, een fraaier alternatief hadden gewenst. In dit soort details wreekt zich de afgekapte subsidie in de sociale woningbouw.

IETS verderop, aan de Turfmarkt, wekt het Friese Museum hogere verwachtingen. Twee vleugels met reusachtige piramidevormige vensters spiegelen zich aan elkaar aan weerszijden van de straat. Ze verbergen een onderaards tracé, dat het hele museumcomplex aan elkaar smeedt. Het Fries museum wordt dubbel zo groot. In de oude monumentale gebouwen, met de Kanselarij als statig middelpunt, zijn de architectonische ingrepen terughoudend - een platte roeiboot onder het balkenplafond voor verlichting en luchtverversing, that's all.

In de nieuwbouw daarentegen kan de architect zich uitleven: de bezoeker wordt op het verkeerde been gezet doordat de voor- en achtermuur schuin geplaatst zijn. Hoe dat in de praktijk werkt? Daarvoor moeten we 15 april afwachten, als het museum opent, en als er, zo belooft onze gids, op het dak van de ene vleugel een bok op een gouden bal staat en aan de overkant roofzuchtige raafjes.

De nieuwsgierigheid begint te jeuken. Waar is dat zenuwcentrum? Waar staat die kerncentrale van activiteiten die zijn stralen over het gehele Noorden zendt (en tegenwoordig ook zuidelijker, zoals in de Amsterdamse wijk Nieuw-Sloten)? Als we Oosternijkerk binnenrijden, hoeven we slechts het gele bordje te volgen, waarvoor hij vijftig gulden aan de gemeente heeft moeten afdragen: Daan Architectuur. Het is het laatste huis van, zo lijkt het wel, het laatste dorp in Nederland: een kolossale kop-hals-rompboerderij, volgens een gevelsteen in 1803 gebouwd door weduwe Harmke Rintjema.

De negen assistenten tekenen in de opgeknapte aardappelschuur op het erf, 'om werk en privé enigszins gescheiden te houden', aldus Daan. Toen de opdrachten een allengs stijgende lijn aannamen, zocht hij expansie in de boerderij. De helft van de voormalige veestal doet dienst als werkplaats en berging voor twee zeewaardige zeilschepen, in het andere deel onttrekt een ronde loods de contouren en spanten van de boerderij aan het zicht: een cocon in een reusachtig omspansel.

De architect draait een sigaret en heeft vijf minuten nodig om zijn opvattingen uiteen te zetten: 'Het beroep van architect is verworden tot een luxe baan; in de vorige eeuw al was het iets voor edellieden die zich verveelden. Ik voel me meer thuis bij de periode ervoor, toen architecten ook nog meestermetselaars en meestertimmerlieden waren, die vonden dat de architectuur al begon bij het tuinhekje.

'Architectuur, dat is niet alleen het bouwen van ministeries, van grote kerken of kloosters, dat kan bij wijze van spreken al het gebouwtje zijn dat de dorpsaannemer uit een paar kromme spijkers en een paar planken optrekt. Dat wil niet zeggen dat ik de klassieke architectuur schuw; ook ik maak assen als Palladio en ga bij diens conceptuele en cerebrale architectuur te rade. Maar voor alles telt het doel, en bij een woning is dat: wonen.

'Ik ben geboren op een korenmolen, heb gewoond in een schuilkelder, in een Palladiaanse villa, een boerderijtje in Delft en nu in deze boerderij. Bij de ideale lichtval denk ik terug aan de hoge ramen in mijn ouderlijk huis. Al die herinneringen verwerk ik in mijn ontwerpen.'

Hij leidt ons door de boerderij, nog grotendeels origineel met het bakhuis naast de kop, de lijkengang in de hals, de geglazuurde tegelvloer op de vloer en de blauw-witjes op de wand. Arete

heeft hij op de balken geschilderd, de enige inbreuk in de nalatenschap van Rintjema. Als een dagelijks motto voor het werk: kwaliteit.

Nederlands Architectuur Instituut, Rotterdam: Gunnar Daan. Tussenstand van een oeuvre 1972-1994. Tot en met 16 april.

Bernard Colenbrander en Arthur Blonk: Gunnar Daan, architect. Uitgeverij 010, ¿ 65,-.

Op 19 februari houdt Gunnar Daan om 14.30 uur een lezing in het NAi.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden