Antwerpse kooplieden in Amsterdam

WIE WETENSCHAP bedrijft, moet kunnen leven met onzekerheid, maar zich daar nooit bij neerleggen. Daarom keren bepaalde vragen telkens weer in het onderzoek terug....

De discussie heeft zich uitgestrekt over de hele twintigste eeuw. Iets bemoedigends heeft ze wel. Er zijn van die vraagstukken die wel regelmatig opnieuw worden aangepakt, maar dan telkens op dezelfde manier: de schrijver herschikt de sinds lang bekende feiten, en ordent ze naar zijn privé-vooroordeel. Van dat gehalte zijn dikwijls de niet zo zeldzame boeken, die ons eindelijk onthullen wie werkelijk verantwoordelijk was voor een geruchtmakende politieke moord. Zulke problemen kunnen pas opgelost worden als ooit nog eens nieuwe feiten ontdekt worden, en anders blijft het een discussie zonder eind en zonder zin. Met die Amsterdamse handel echter ligt het zo niet. Daar is de gedachtewisseling dankzij de voortgaande interesse al enkele malen op een hoger plan gebracht.

In de oudste studies werd het vraagstuk niet onderzocht, maar beredeneerd. Historici verklaarden de opkomst van Amsterdam met behulp van hun algemene kennis van het tijdvak. Ze wisten dat Antwerpen in 1585 door de Spanjaarden was veroverd, en dat sindsdien de Zeeuwen en de Hollanders de Schelde hadden geblokkeerd. Ze wisten verder dat veel Antwerpse kooplieden zich toen vestigden in andere Europese handelssteden, met name in Amsterdam. Dat leek genoeg om de grote verandering te verklaren. Toen Antwerpens rol was uitgespeeld, trokken de grote Zuid-Nederlandse ondernemers met al hun kapitaal en kunde naar het noorden en maakten Amsterdam tot de commerciële hoofdstad van Europa.

Het was een goed sluitend betoog dat overtuigend genoeg klonk zolang het niet nader werd getoetst.

Dan kon de zwakte spoedig blijken, want het steunde meer op logica dan op waarneming van feiten. Het is vooral Van Dillen geweest, die vanaf de jaren dertig begon die feiten te verzamelen. Hij ging onderzoeken wie de rijkste Amsterdammers waren. Welke bron hij ook opsloeg - belastingaanslagen, bankrekeningen, aandeelhoudersregisters - telkens weer legden de immigranten beslag op de eerste plaatsen. Was daarmee de oude stelling eindelijk bewezen? Van Dillen was voorzichtig genoeg om juist ruimte te zien voor een tegengestelde mening. Misschien kwamen die immigranten wel naar Amsterdam, omdat de zaken daar zo goed gingen. Dan versterkten ze Amsterdams positie, maar ze creëerden die niet.

De Zuid-Nederlanders vonden echter een welsprekend pleitbezorger in Jonathan Israel. Hij lette niet alleen op het kapitaal, maar ook op de kunde. De Antwerpse kooplieden hadden veel meer dan de Amsterdammers werkelijk ervaring met de wereldhandel: Rusland, Afrika, en vooral de landen rondom de Middellandse Zee. Daarmee verrijkten zij het aanbod van goederen op de Amsterdamse markt dusdanig dat die stad toen inderdaad, maar ook niet eerder, dankzij de Zuid-Nederlandse kooplieden de grote stapelmarkt van Europa werd, waar alles te koop was wat de wereld maar voortbracht, inclusief de hoogwaardige goederen uit het Middellandse-Zeegebied.

Israels stelling is niet onbeantwoord gebleven, maar werkelijk onderzocht wordt ze pas in het nieuwe boek van Oscar Gelderblom over de Zuid-Nederlandse kooplieden en de opkomst van de Amsterdamse stapelmarkt. Gelderblom probeert de discussie verder te helpen door te kiezen voor een nieuwe aanpak. Hij maakt gebruik van de zogenaamde prosopografische methode, ook wel genoemd de collectieve biografie. De prosopograaf verzamelt gegevens van hetzelfde soort als de biograaf nodig heeft, maar dan voor een hele groep tegelijk, van personen die in dezelfde levenssfeer werkzaam zijn. Zo ontstaat dan niet het biografische portret van Jan Pronk of Hans van Mierlo, maar het groepsportret van de Nederlandse minister. Hoe oud is de modale minister, hoelang blijft hij in functie, wat heeft hij vroeger gedaan, waar liggen zijn privé-belangen, en vele andere vragen meer.

Tot dusver is zulk onderzoek eigenlijk altijd vruchtbaar gebleken. Tegelijk is het naar zijn aard tijdverslindend. Dat geldt zeker in het geval van Gelderblom. Kooplieden staan niet ergens in één bron bijeen. Je moet hun namen bijeengaren uit zeer uiteenlopende archieven en dan weer andere bronnen opslaan om uit te zoeken - als het al mogelijk is - of ze van elders gekomen zijn. Zo vond Gelderblom 852 kooplieden die als Zuid-Nederlanders geïdentificeerd konden worden. Van al deze mannen probeerde hij vervolgens de minimumgegevens voor een biografie te verzamelen: geboorte en overlijden, plaats van herkomst en plaatsen van verblijf, vestiging in Amsterdam, vermogen, goederen waarin en landen waarop zij handel dreven. Zo laten zich de lotgevallen van de groep vervolgen door de jaren heen.

Antwerpse kooplieden, zo blijkt dan, trokken al eerder dan 1585 uit hun stad weg. Amsterdam was toen al tot grote bloei gekomen, maar werd als plaats van vestiging pas aantrekkelijk vanaf 1578, toen de stad zich achter de opstand tegen Spanje gesteld had. Centrum van de internationale handel was het nog niet, maar het aanbod ook van hoogwaardige goederen bewoog zich snel in stijgende lijn. Dat was het gevolg van gezamenlijke inspanningen van alle Amsterdamse kooplieden, ook de Zuid-Nederlandse. Maar een overheersende rol speelden ze niet.

Dat beeld wordt voor alle volgende perioden bevestigd. Toen Amsterdam vanaf de jaren negentig de grote sprong naar voren maakte, leverden de immigranten hun bijdrage naar evenredigheid, in samenwerking met de ingeborenen. Ze zochten Noord-Nederlandse partners op de markten die ze slecht kenden, dus in de landen rondom de Oostzee, terwijl de Amsterdammers hun medewerking zochten voor de handel op de Middellandse Zee. Op den duur smolten de groepen ineen, en vormden ze één grote koopmansgemeenschap.

Gelderbloms verhaal maakt een overtuigende indruk, en is op solide feiten gebaseerd. Zonder twijfel zal er nog wel weer eens een vindingrijk historicus opstaan, die hier en daar zijn vraagtekens invult achter Gelderbloms conclusies. Maar hij zal aan dit boek niet voorbij kunnen gaan. Andermaal is de prosopografische methode vruchtbaar gebleken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden