Antiheld

Barman vindt het een nare trend: de sterrencultus die er rond oorlogscorrespondenten ontstaat. Waar komt die vandaan? En is het erg? Een rondgang langs (voormalig) frontverslaggevers.

Twee weken geleden publiceerde HP/De Tijd een ranglijst met negen correspondenten in het Midden-Oosten. 'Dapper zijn ze stuk voor stuk, de verslaggevers die hun leven wagen om ons een inkijkje te bieden in de Arabische revolutie', schreef het weekblad. 'Maar er kan er maar één de beste zijn.' De winnaar: Hans Jaap Melissen, werkzaam voor de Wereldomroep en de NOS. 'Enthousiast, inhoudelijk, levendig; Melissen is wat ons betreft de grootste held', aldus HP/De Tijd. Vier sterren.


De correspondentenrecensies van HP/De Tijd komen niet uit het niets. In de populaire beeldcultuur wordt de oorlogsjournalist al langer afgeschilderd als held. In de film The Hunting Party (2007) bijvoorbeeld, die is gebaseerd op een waargebeurd avontuur van vijf journalisten, onder wie de Nederlander Harald Doornbos. Elf jaar geleden besloten zij in Sarajevo de Servische leider Radovan Karadzic te ontvoeren. Dat lukt ze ook nog, in de film tenminste.


Of neem Salvador (1986) van Oliver Stone, over de Amerikaanse oorlogsfotograaf Richard Boyle, die gewoon blijft staan terwijl de kogels rakelings langs hem scheren. Alles voor het perfecte plaatje. Een website als war-toys.com haakt speels in op die beeldvorming. Een serie G.I. Joe-achtige actiepoppetjes van oorlogsverslaggevers - stoere blik, camera en laptop binnen handbereik - vindt daar onder de noemer 'War Journalist Battlefield Hero' gretig aftrek.


Volgens Gerri Eickhof (53) was er in zijn tijd als NOS-correspondent (voormalig Joegoslavië, Rwanda, Burundi, Kosovo, Irak) niet zo'n belangstelling voor de persoonlijke kant van oorlogsverslaggeving. Van vermeende heroïek was nauwelijks sprake. 'De meeste collega's deden hun dingetje en keerden weer terug naar huis', zegt Eickhof. 'Het werk was zakelijk. Je moest niet te veel kapsones hebben. Nederlandse journalisten in crisisgebieden zijn door de bank genomen zeer verstandige en ervaren collega's die geen gekke risico's nemen, en zichzelf zelden of nooit als held presenteren.'


In Joegoslavië was Eickhof als persoon 'vrijwel afwezig'. Daar werd ook op gehamerd door zijn toenmalige hoofdredacteur. Je bent maar een klein radertje in een groter geheel, werd altijd gezegd.


In 1999 staakte hij een week lang zijn werk voor het NOS Journaal. Eickhof werd door zijn eigen redactie bekritiseerd nadat hij zichtbaar voor de camera een proteststicker tegen de NAVO-bombardementen op Belgrado had gedragen.


Twaalf jaar later: 'Er was zojuist een pand gebombardeerd waar drie mensen waren omgekomen die ik mogelijk kende. Die stickers werden op dat moment ook door andere journalisten opgeplakt - dat vertelde ik netjes aan het begin van het item. De sticker was voor mij een logisch onderdeel in een bij hoge uitzondering ietwat persoonlijk getinte reportage.'


Tijden veranderen. De oorlogsverslaggever komt steeds vaker in beeld, onder meer omdat het aantal praatprogramma's stevig is toegenomen, zegt Eickhof. 'Die programma's moeten allemaal vol, en dan is het persoonlijke verhaal van een oorlogsverslaggevers interessant. Ik kijk altijd met veel plezier naar wat de teruggekeerde collega's te vertellen hebben, alleen voor mijzelf is het niets. Ik hou niet van metaprogramma's waarin journalisten op hun vak reflecteren. Dat is volgens mij vooral voor vakgenoten interessant, niet voor het publiek. Die gedachte heeft iets puriteins - wat ik te vertellen heb, zit in mijn werk. Als ik dat moet toelichten, heb ik mijn werk niet goed gedaan.'


Coen Van Zwol (48), voormalig oorlogsverslaggever van NRC Handelsblad: 'Als ik destijds voor een praatprogramma was gevraagd, had ik toegezegd. Why not? Je bent Kuifje, het is hartstikke leuk om in dat geval je verhaal op televisie te doen, dat neem ik niemand kwalijk. Het gaat mij meer om het ikke-ikke-ikke dat het eigenlijke werk in de weg zit. Als er ergens 10 duizend mensen sterven en jij vertelt over je eigen ervaringen, of je kiest partij in een conflict, vind ik dat persoonlijk getuigen van slechte smaak. Het is geen sportwedstrijd, denk ik dan.'


Van Zwol ziet 'een soort cultus' rond oorlogsverslaggevers. De mythische aantrekkingskracht van het vak voelde hij al toen hij 'als jongetje' in 1993 naar Sarajevo vertrok. 'Kijken of ik dit kan, dacht ik. Jongetjes hebben daar nou eenmaal last van.'


Joeri Boom (40), sinds 1998 voor De Groene Amsterdammer verslaggever in conflictgebieden in Kosovo, Macedonië, Irak, Darfur, Libanon en Afghanistan, ziet het clichébeeld van de oorlogsverslaggever dikwijls bevestigd wanneer hij op feestjes naar zijn werk wordt gevraagd. 'Mensen verwachten dat je een halve anarchist bent, iemand die opkomt voor het goede, maar er spelen allerlei zaken mee. Het belangrijkste: ik ben verslaggever, ik schrijf op wat ik zie. In een oorlogsgebied gebeurt dat op het scherpst van de snede. Onder die spanning mijn werk tot een goed einde brengen; dat is mijn grootste uitdaging.'


Vooral in oorlogssituaties is 'het hanteren van een subjectieve vertelvorm' een voor de hand liggende valkuil, zegt Boom. 'In Nederland kun je een verhaal rustig uitzoeken, mensen verschillende kanten van een verhaal laten belichten. In een oorlog kom je misschien in een hinderlaag terecht, of word je geconfronteerd met dode mensen. Jij bent degene die van alles overkomt, dan kan de verleiding groot zijn om je eigen geschoktheid als onderwerp te nemen.'


Zorgwekkend is die ontwikkeling niet, denkt Boom. 'Het is heel menselijke om te denken dat jouw ervaring absoluut is. Maar het gevaar bestaat dat je vervolgens niet meer de behoefte hebt om een verhaal echt uit te zoeken.' De toename van embedded oorlogsjournalistiek speelt volgens Boom ook een rol. 'Wanneer je alleen op pad gaat met militairen en eventueel wat lokale bevolking spreekt, ervaar je maar een klein deel van de totale oorlog. Dat is een dunne basis voor een verhaal, waardoor je jezelf wellicht sneller in de picture zet. Wanneer je in je verhaal meer personen kunt opvoeren, heb je nauwelijks nog ruimte om over je eigen ervaringen te schrijven.'


Toch zijn er volgens Van Zwol wel degelijk journalistieke oorlogshelden. 'Wanneer de kogels in het rond vlogen, leek het bij iemand als Harald Doornbos, 'Crazy Harry', alsof hij een shot coke kreeg. Hij liep rood aan, begon te trillen en dook direct op het gevaar af. Zelf ben ik een lafbek, als ik geschiet hoor, heb ik de neiging diep weg te duiken. Bij hem levert dat daadwerkelijk goede, betrokken verhalen op.'


Je niet laten meevoeren terwijl om je heen de gekste dingen gebeuren, dat is volgens Van Zwol het belangrijkste credo van de oorlogsjournalist. 'Ik hielp ooit een vader om zijn doodgeschoten kind uit een weiland te halen. Dat raakte mij enorm, maar droog opschrijven wat je ziet - er zat een gat ter grootte van een tennisbal in zijn borst en hij had in zijn broek geplast - werkt vaak beter dan het verwoorden van je emoties.'


De toegenomen aandacht voor het individu in het nieuws ligt volgens Boom aan de basis van de vermeende heroïek. 'Kijk naar Mark Rutte. We vinden hem zo lekker ontspannen - blij dat we van Balkenende zijn verlost, terwijl dezelfde mensen zijn kabinet bekritiseren vanwege een gebrek aan visie. Dit heeft zijn weerslag op hoe men een artikel of tv-programma waardeert. Als het niet persoonlijk is, zakt de aandacht van het publiek wellicht weg, is de tendens.'


Ooit werd Eickhof 'een middagje' ontvoerd op de Balkan. 'Ik werd stevig in elkaar gerost, mijn hoofd bloedde. Bij een kliniek werd een verband aangelegd dat ik als een soort hoedje kon afzetten. Ik dacht dat het zou afleiden wanneer ik voor de camera verscheen - de ontvoering had niet direct iets te maken met de stand-upjes die ik in de dagen daarna deed. Als ik thuis na een val van de trap mijn arm breek, doe ik de mitella ook af voor de camera.'


In het hotel waar hij verbleef verklaarden buitenlandse collega's hem voor gek. 'Ik had het verband om moeten houden om mijn roem te vestigen, vonden ze.' Nooit had Eickhof het gevoel dat hij bij thuiskomst als held werd ontvangen. Integendeel. 'Ik had destijds een vriendin - wanneer ik weer thuis was zei ze: je bent nu zo lang weggeweest, doe jij de rest van de week de boodschappen maar.'


Toen Joeri Boom in Uruzgan op eigen houtje verslag deed, vroeg een aantal jonge militairen of hij echt al twee weken in zijn 'lokale kledij', zonder militaire bescherming die embedded journalisten genieten, aan het werk was. Dat oogstte zichtbaar bewondering. 'Petje af, zeiden ze. Respect. Om dat te horen van gasten die elke dag trainen en twee keer breder zijn dan ik - dat is wel kicken.'


Maar de journalist een held? Boom, beslist: 'Dat zijn wij gewoon niet. Als er geschoten wordt, duiken wij onder een rotsblok, en na afloop vragen we aan de mensen die niet op tijd konden wegkomen hoe het was. Daar is niets heldhaftigs aan.'


---------------------------------


Mooi volgens Barman (7)

BOEK

The Last Cigarette (Simon Gray)

Memoires zoals ik ze het leukst vind. Van de hak op de tak, vol fijne observaties en vooral zonder vermoeiend gepsychologiseer. Zie ook: Bob Dylans Chronicles.


---------------------------------


Mooi volgens Barman (8)

BOEK

Everyman (Philip Roth)

Als ik aan Roth denk, dan denk ik aan boosheid en verzet. In Everyman: verzet tegen de lafheid van de dood en tegen de dodelijkheid van verlangen.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden