Anna Enquist: 'Therapie is er niet om gelukkig te worden'

Anna Enquist schrijft om niet te vergeten; nu een boek over vriend en dichter Gerrit Kouwenaar. En - altijd weer - over haar overleden dochter.

Hair & Make-up: Mascha Meyer ( House of Orange) Beeld Gerard Wessel

Toen ze haar goede vriend de dichter Gerrit Kouwenaar had begraven op Zorgvlied, liep Anna Enquist met haar man naar een paadje verderop. 'We wilden even bij het graf van onze dochter staan', schrijft ze. 'Hij ligt vlakbij, zei ik in gedachten tegen haar, je weet wel, Gerrit. Je hebt hem steeds rode wijn ingeschonken, toen bij die boekpresentatie, heel zorgzaam. En toen hij je tegenkwam in het Vondelpark, je was daar met twee oppaskinderen, zei hij dat hij hoopte dat ze niet van jou waren. Jullie hebben er samen om gelachen. Nu is hij hier, om het hoekje, vlak bij je.' Sentimentele onzin. Je klampt je vast aan zaken waarvan je weet dat ze nergens op slaan. Wat moet je. Om het onteeuwigen voor elkaar te krijgen, zit er niets anders op dan herinneren, vertellen, opschrijven en misschien in gedachten tegen de dode praten.'

Anna Enquist heeft een boek geschreven over Gerrit Kouwenaar - een van de Vijftigers - waarin het, het kon niet anders, ook over haar dochter gaat. Margit, in 'het rampjaar' 2001 op 27-jarige leeftijd verongelukt op de Dam. Schrijven om niet te vergeten, om de tijd stil te zetten - Enquist doet het al haar hele schrijversleven lang.

'Let op het afstapje', zegt ze bij binnenkomst in de oude school waar haar uitgever is gevestigd. 'Je zou je nek breken. Er moet maar een rij lampjes langs die drempel komen voor de boekpresentatie. Er komen natuurlijk alleen maar stokoude mensen.'

Enquist (71) is heel slank, draagt een spijkerbroek en een blauwe zijden blouse. 'Ik moest allemaal kleren meenemen voor de fotograaf en nu schijnt er ook nog iemand voor de make-up te komen.' Laconiek: 'Nog een hele toestand, hoor.'

'Je hoorde haast een klikgeluid', schrijft Enquist over haar ontmoeting met Gerrit Kouwenaar in 1992 op een poëziefestival. Enquist was 45, net gedebuteerd, Kouwenaar 22 jaar ouder, P.C. Hooftprijswinnaar, bekend om zijn sobere, uitgebeende poëzie die wat hem betreft louter over taal ging. ('Gedichten bieden geen troost.') Hun vriendschap zou duren tot aan zijn dood in 2014.

Wonderlijk, zegt ze, hoe het vanaf het eerste moment aan was tussen hen. 'We gingen even de straat op in Rotterdam tijdens het festival en hij klaagde over spiertrekkingen in zijn been of zo, van die oudemannenkwaaltjes. Wat idioot, zei hij, dat ik dit allemaal aan jou loop te vertellen. We moesten erom lachen, het was meteen vertrouwd.'

Een tuin in de winter heet het boek over Kouwenaar en de kunstenaarskring die ze via hem erbij kreeg: zijn - later dementerende - vrouw Paula, Henk Bernlef, Rutger Kopland, Remco Campert en hun vrouwen. Enquist: 'Eerst zag ik allerlei moeilijkheden, want ik dacht: je kunt toch geen lelijke dingen gaan opschrijven over mensen van wie er een aantal nog leeft? De dichterswereld is een gewone wereld, hoor, vol gewone mensen, heel huiselijk en knullig. Er wordt geroddeld, er zijn mensen die de pest aan elkaar hebben, net als overal. Toen heb ik besloten gewoon maar te gaan schrijven, voor mezelf, zonder na te denken over publicatie. Ik dacht: voor het te laat is, voordat ik alles ben vergeten.'

Anna Enquist 

1945 Als Christa Broer geboren op 19 juli in Amsterdam; groeit op in Delft

Opleiding & werk
1957 gymnasium Christelijk Lyceum Delft
1963 klinische psychologie, Leiden
1969 piano en cello, conservatorium Den Haag
vanaf 1976 psycholoog en psychoanalyticus

Dichtbundels & romans (selectie)
1991 debuut: Soldatenliederen
1994 roman Het meesterstuk
1997 roman Het geheim
vanaf 1998 geregeld op tournee met Hard Gras-voorstellingen
vanaf 2001 treedt geregeld op samen met pianist Ivo Janssen
2002 Boekenweekgeschenk De ijsdragers
2008 roman Contrapunt
2012 Kool! Alles over voetbal, verhalen en gedichten
2014 roman Kwartet, wordt stadsdichter van Amsterdam
2017 Een tuin in de winter, herinneringen aan Gerrit Kouwenaar is zojuist als Privé-domein verschenen bij uitgeverij De Arbeiderspers.

Anna Enquist is getrouwd met de Zweedse cellist Bengt Widlund, kreeg twee kinderen en woont in Amsterdam.

Enquist debuteerde met een dichtbundel toen ze al jaren werkzaam was als psychoanalyticus, had ook een conservatoriumopleiding achter de rug. 'Een nieuwe wereld, helemaal gratis', schrijft ze over het literatuurfestival waar ze Kouwenaar ontmoette. 'Ik was al 45, had al een vak, een vriendenkring, een gezin, een leven. Sinds mijn debuut een half jaar eerder kwam dit er allemaal bij.'

En zo raakte u bevriend met de dichters uit uw schoolboeken.
'Dat is iets bizars, als je erbij stilstaat. Als je denkt: nu zit ik met Remco Campert op een bankje. Maar zo denk je niet in het dagelijks leven, je ontmoet gewoon aardige mensen en mensen van wie je denkt: dat is een lul, of een opschepper, daar heb ik geen zin in. Die zijn er ook genoeg in de literaire wereld, maar daar hoefde ik niets mee. Ik had al een leven.

'Het had iets vrolijks, ineens op latere leeftijd nog al die nieuwe vrienden erbij. Iemand als Henk Bernlef, een heel lieve man. Voor Gerrit ben ik een soort dochter geworden en Bengt, mijn man, een soort schoonzoon, zo voelde Gerrit het volgens mij. Maar dat was in de laatste jaren, toen we meer voor hem gingen zorgen. In het begin nam hij mij op sleeptouw. We kwamen bij hem en Paula in Frankrijk, waar Gerrit altijd ontzettend vrolijk was en eendenbouten roosterde, buiten in de tuin. We maakten grappen en we hadden het over van alles en nog wat, gewoon, gekeuvel en geroddel en geklets. Pas tegen het einde van de avond, als we veel drank op hadden en Bengt en Paula zich al hadden teruggetrokken, praatten we wel eens over gedichten maken. Het goed gebruiken van witregels, dat heb ik echt van hem geleerd.'

U schrijft ook over zijn mindere kanten. Dat hij gierig was en ijdel of althans: veel behoefte aan erkenning had. In een ziekenhuis zei hij: 'Ze weten hier niet wie ik ben.'
'Ik wilde een beeld van hem schetsen als mens, ik was niet alleen bevriend met de dichter. En dan horen al zijn karaktereigenschappen erbij. Die gierigheid had vast een reden, hij had de oorlog meegemaakt. En ja, die behoefte aan erkenning was opvallend groot, tot op hoge leeftijd. Aan het eind van zijn leven had hij een geriater, een geweldige vrouw, die kennelijk niet veel van literatuur wist en het over Gerard Kouwenhoven had. Dat was ontzettend pijnlijk voor hem. Mij zou het niet zoveel kunnen schelen, maar zijn identiteit was veel meer dan bij mij verbonden aan zijn dichterschap.'

Jullie vriendschap begon in 1992. In 2001 verongelukte Margit. Uit het boek maak ik op dat hij daar nauwelijks op reageerde. U schrijft: 'Gerrit kon heel moeilijk praten over ons verlies en dat gaf mij wel eens het idee dat hij het zich niet realiseerde.' Of: dat het hem niet interesseerde?
'Ik geloof niet dat dat zo was. Wel dat ik het zo aanvoelde, want ik was in die tijd extra gevoelig of mensen wel of niet begripvol reageerden. Hij raakte onthand door heftige gevoelens, dat vond hij eng, daar kon hij niet veel mee. Ik hoorde later van anderen dat hij er wel degelijk mee bezig was. Als ik wegging, hield hij me stevig vast en dan zei hij: je blijft wel schrijven, toch, je moet wel schrijven, hoor. Daar ging zijn bezorgdheid in zitten.'

Beeld Gerard Wessel

Ik kan me voorstellen dat u dan dacht: wat heb ik daaraan?
'Ja, dat was ook zo.'

Nam u het hem kwalijk?
'Ja. Ik begon te zwijgen, kreeg minder zin om naar hem toe te gaan. Later trok dat wel weer bij, de eerste tijd was ik sowieso heel somber.'

Maar de vriendschap sneuvelde niet.
'Nee, omdat ik aanvoelde dat hij wel met ons begaan was, maar dat niet kon uiten. Heel anders dan Henk Bernlef en zijn vrouw bijvoorbeeld, zij kwamen direct de eerste week nadat Margit was gestorven naar ons toe. Gerrit kon dat niet, die was gecompliceerder.'

Of egocentrischer?
'Zeker. Hij was erg egocentrisch.'

U zegt het liefdevol.
'Ja, ik voelde ergens wel dat hij erg op me gesteld was. Ik ben wel andere vrienden verloren in die tijd, de dood van je kind brengt een waterscheiding in vriendschappen teweeg. Mensen die niet of vreemd reageren, daar loopt het dan mee af. Maar er zijn absoluut ook nieuwe mensen bijgekomen.'
Een van die nieuwe mensen is cabaretier Diederik van Vleuten, met wie Enquist sinds een paar jaar bevriend is. 'Diederik heeft een zusje verloren. Dat zei hij ongeveer als eerste toen we elkaar leerden kennen. Hij zei erbij: ik weet zelf eigenlijk niet eens waarom ik het vertel.'

Diederik van Vleuten zegt over u: ze heeft de dood van haar dochter nooit kunnen accepteren.
'Nee, dat kun je natuurlijk niet accepteren, dat je kind zo wordt weggerukt. Dat zal ook nooit gebeuren. Je kunt hooguit proberen het te verdragen.'

En?
'Ik vind dat het wel gaat.'

'Je kunt enorm met haar lachen', zegt Van Vleuten over Enquist. 'De grondtoon is zwaarmoedig, maar ze gaat het leven met humor te lijf. Moedig voorwaarts, om met Reve te spreken.' Een andere vriend, Henk Spaan, zegt: 'Ze heeft een prettig soort cynisme.' En ook: 'Natuurlijk is ze veranderd na de dood van Margit. In bijna elk gesprek laat ze haar naam wel een keer vallen, als om haar bijna dwangmatig in leven te houden. Ze rookt als een schoorsteen, ze eet minder goed. Iets wat je geluk noemt, is niet meer im Frage. Maar ze is goed gezelschap, geestig, intelligent. En ze is altijd doorgegaan.'

Spaan leerde Enquist kennen door Hard Gras, het literaire voetbaltijdschrift dat hij in 1994 oprichtte samen met Matthijs van Nieuwkerk. Enquist - voetballiefhebber, Feyenoordfan - levert bijdragen aan het blad. Voor een literaire theatertournee rond het tijdschrift bracht ze vele uren samen in een busje door met andere Hard Gras-schrijvers: Spaan, Herman Koch, Hugo Borst, Marcel van Roosmalen, zij als enige vrouw in hun midden.

Wat trekt u zo aan in dat Hard Gras-gezelschap?

'O, we hebben zo gelachen in dat busje. Kijk, in de literaire wereld kwam ik veel jaloezie tegen. Van mijn roman Het meesterstuk zijn zo'n 400 duizend boeken verkocht, daar heb ik heel veel geld mee verdiend. Mensen zien je dan niet staan, omdat je te veel verkoopt; daar zijn mensen mee bezig, ja, dan moet het per definitie wel slechte literatuur zijn. Toen kwam ik in die Hard Gras-wereld terecht en daar speelde dat niet. Dat waren gewoon mensen die van voetbal houden en daar zo goed mogelijk over proberen te schrijven. Die grappen maken en met wie je kunt kletsen op een vriendschappelijke manier. Dít moet ik hebben, dacht ik. Hier voel ik me prettig bij.'

Ik las eens een interview met Spaan, Borst en Van Nieuwkerk die vertelden hoe ze in dat busje al hun angsten en neurosen bespraken, hun vliegangst, hypochondrie en behoefte aan valium.
'Ha, ja. Eerst ging het over de fysieke kwalen, de mannenkwalen, en daarna kwamen alle psychische klachten voorbij. En ik zat ertussen en luisterde, ja, dat vond ik hartstikke leuk.'

Schrijven, optreden, piano en cello spelen ('Heel moeilijke fuga's instuderen zodat je verder niet kunt nadenken'), die dingen houden haar gaande sinds het verlies van haar dochter. En vriendschappen - haar roman Kwartet uit 2014 gaat over wat vriendschap vermag in tijden van rouw.

U heeft een hekel aan het woord rouw, heb ik begrepen.

'Ja. Dat suggereert dat het een proces is dat weer overgaat. Je hebt fasen waar je doorheen gaat en op een bepaald moment is het klaar. Maar zo is het niet, het gaat niet over. Zo'n verlies, dat blijft. In elke leeftijdsfase krijgt het een andere kleur, dat wel.'

Welke kleur heeft het nu?
'Onze zoon heeft drie kinderen op wie mijn man en ik twee dagen per week passen, dus ik moet er vaak aan denken hoe het was geweest als Mar ook kinderen had gehad. De gezelligheid die er was geweest als we met z'n allen aan tafel hadden gezeten. Zo'n uitgebreide familie, dat het haar niet gegund is geweest om moeder te worden - dat soort overwegingen spelen nu. En als ik oud en gebrekkig word, kan ik me voorstellen dat ik denk: had ik maar een dochter om voor me te zorgen.'

Er is geen vreugde meer zonder pijn.
'Ja. Ik word er nu ook steeds aan herinnerd hoe het was toen mijn eigen kinderen klein waren, hoe ze samen speelden en hoeveel ze aan elkaar hadden. Dus het is zoals je zegt: de vreugdevolle dingen hebben altijd ook een zwarte rand.'

Beeld Gerard Wessel

Uw werk is ook voordat Margit verongelukte altijd doordrenkt geweest van een besef van eindigheid, van verlies.
'Daar ben ik als dichter altijd erg mee bezig geweest. Dat de kinderen groter werden en uit huis gingen, verschrikkelijk vond ik dat.'

Is dat de zwaarmoedigheid die Diederik van Vleuten noemde?
'Nou ja, je kunt allemaal leuke en belangrijke dingen doen, maar ondertussen is het leven toch een ramp. Dat herkennen we in elkaar. Het is ontzettend fijn als je mensen treft die dat ook zo voelen.'

Was het leven voor u altijd al een ramp, ook vóór het ongeluk?
'Ik heb het altijd wel tobben gevonden.'

Zit dat in uw karakter of komt dat door uw jeugd?
'Dat heeft denk ik ook met mijn jeugd te maken. Ik moet zeggen dat het moederschap heel heilzaam voor mij is geweest, toen kreeg ik meer plezier in het leven. Ik vond het heerlijk, die kinderen. En dat ik nog naar het conservatorium ben gegaan na mijn studie psychologie, dat is ook zo'n goede zet geweest. Tot op de dag van vandaag heb ik daar plezier van.'

U schrijft in uw boek over Kouwenaar dat u een jeugdfoto van hem ziet waarop hij er blij en onbekommerd uitziet. U schrijft: 'Hij voelde zich kennelijk welkom en gewenst in het gezin.' Was dat bij u anders?
'Ja, dat heb ik zelf wat minder gehad.'

Kunt u daar iets over vertellen?
'God, dat is allemaal al zo lang geleden en ik heb me dankzij de muziek en jarenlange psychoanalyse uiteindelijk goed gered. Maar ik voelde als kind nooit dat mijn ouders blij met me waren. Het ging om prestaties, daar deed ik dan ook altijd vreselijk mijn best voor. Maar met liefde naar je kijken, zoals ik altijd zo geweldig leuk heb gevonden bij mijn kinderen en nu weer bij mijn kleinkinderen, nee, dat kon mijn moeder niet. Ik voelde altijd afkeuring. Mijn moeder stamde natuurlijk uit de tijd dat je niets mocht als vrouw, niet studeren, niet werken, en ik had altijd het idee dat ze erg jaloers was op wat ik deed. Ik denk dat het ook een reden is dat ik van mijn zogenaamde succes als schrijver zo weinig kan genieten. Literaire prijzen, hoge verkoopcijfers, ik ben er nooit heel blij mee. Ik denk omdat ik als kind heb geleerd: als je succes hebt, maak je mensen boos. Dus daar moet je mee uitkijken. Er was altijd een akelige sfeer.'

En uw vader?
'Die was theoretisch natuurkundige, altijd bezig met dingen waar je niets van begreep. Hij bemoeide zich nergens mee. Hij nam je ook niet in bescherming of zo, daar had je eigenlijk niks aan.'

Heeft u altijd contact gehouden met uw ouders?
'Nee, na het conservatorium ben ik er een jaar of zes niet geweest. Toen Margit eenmaal was geboren, vond ik wel dat ze de kleinkinderen af en toe moesten zien. Maar ik heb ze er bijvoorbeeld nooit laten logeren. Dat vertrouwde ik niet.'

Wat vertrouwde u niet?
'Welke invloed ze hadden op zulke kleine kinderen. Ik wilde erbij zijn. Misschien heb ik mijn ouders daarmee tekortgedaan, maar goed, zelf waren ze ook niet zo geïnteresseerd.'

Is de band altijd slecht gebleven?
'Ja, al moet ik zeggen: tegen het eind van mijn moeders leven was de kwaadaardigheid er wel vanaf. Ze heeft de laatste vier jaar in een verpleeghuis gezeten en daar heb ik haar geregeld bezocht. Ze was dan ook wel blij dat ik kwam. En ik vond het fijn dat ik eens iets kon doen wat zij prettig vond.'

Wat me altijd opvalt: de grenzeloze loyaliteit van kinderen aan hun ouders.
'Ach, als iemand zo hulpeloos is geworden, moet je toch iets doen. Het is erg kinderachtig om te zeggen: je hebt me zo beschadigd, ik trek mijn handen van je af. Ik ben 71, weet je, dan hoef je niet zo hard meer boos te zijn. Ik heb zoveel gelegenheid gehad om de ellendigheid van vroeger te verwerken dat het echt wel achter me ligt.'

Ze doelt op de psychoanalyse die ze onderging tijdens haar loopbaan; als psychoanalyticus ga je zelf ook in therapie. Nog steeds heeft ze cliënten die ze thuis ontvangt.
Helpt psychoanalyse om met een moeilijke jeugd om te gaan?
'Jazeker.'

Helpt het ook bij de verwerking van het overlijden van je kind?
'In verwerken geloof ik niet, maar het kan wel steun bieden, ja. Ik heb in die tijd, na Margit, ook weer hulp gezocht. Dat zit 'm vooral in concrete dingen, het advies om elke dag een uurtje te wandelen, bijvoorbeeld. En vooral ook in de instemming dat het verdriet er mag zijn. Dat het niet gek is dat het na twee of drie jaar niet minder is geworden. Het gaat niet over, het zal altijd bij me blijven. Therapie is er niet om gelukkig te worden, dat is meteen zo hoog gegrepen. Het gaat erom dat je kunt voelen wat er in je leeft en die gevoelens leert verdragen. Dat besef is voor mij heel goed geweest.'

In uw roman Kwartet zegt Carolien, een van de hoofdpersonen, die twee zoontjes heeft verloren: ik wil dat het verdriet altijd bij me blijft.
'Zo werkt dat bij mij ook. Aan de ene kant is het gemis moeilijk, aan de andere kant is het ook een teken van haar, van hoe belangrijk ze was.'

Op welke manier speelt Margit een rol in uw dagelijks leven?
'Ze is altijd in mijn gedachten.'

Meteen bij het opstaan?
'Ja, als ik naar de douche loop, zeg ik: bah, Mar, wéér een dag. Ik praat altijd tegen haar. Maar dat is natuurlijk onzin, dat ik dat doe, dat weet ik zelf ook wel.'

Is een overleden kind vaker in je gedachten dan een levend kind?
'Ik geloof van wel. Want van onze zoon, Wouter, weet ik wel dat hij er is. Dus aan hem hoef ik niet de hele dag te denken.'

Aan haar wel, om haar erbij te houden.
'Ja. Ja, zo is het.'

U schrijft over Kouwenaar dat jullie elkaar vinden in een gezamenlijke afkeer van religie en spiritualiteit. Is die afkeer gebleven? Of heeft de hoop dat je elkaar zult terugzien in een hiernamaals die aan het wankelen gebracht?
'Nee, totaal niet. Als je dood bent, is het klaar, daar ben ik van overtuigd. En omdat dat een onverdraaglijke gedachte is, verzinnen mensen een God en een hiernamaals, maar dat zijn kinderwensen. Je zou wel willen dat je elkaar ooit weer ziet, maar dat is gewoon niet zo. Ik herken de behoefte en het verlangen, maar je zult het toch van het hier en nu moeten hebben. En van het verleden. Daarom heb ik ook over Gerrit geschreven, om iets vast te houden, en over Margit in Contrapunt.'

Beeld Gerard Wessel

Contrapunt is een roman. Geconstrueerder, afstandelijker dan uw herinneringen aan Kouwenaar. Zult u op een dag ook zo direct over Margit kunnen schrijven?
'Nee, dat zou ik niet kunnen en ook niet willen, op zo'n dagboekachtige manier. Op mijn vriendschap met Gerrit kan ik terugblikken met een gevoel van tevredenheid. Bij Margit is het veel schrijnender. Als ik zo over haar zou schrijven, zou het besef voortdurend zijn: zo was het, en zo zal het nooit meer worden.'

U zei net: je zult het van het hier en nu moeten hebben. Brengen de kleinkinderen iets van geluk?
'Een enkele keer, ja. Laatst was het een mooie dag, de oudste van 5 hoefde niet naar school en hij wilde graag picknicken. Hij had helemaal bedacht wat voor boterhammetjes er mee moesten, dus die hebben we klaargemaakt en mijn man en ik zijn met de drie kinderen naar Park Frankendael gegaan. En toen we daar zo zaten, voelde ik: dit is goed.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden