Angstig rondjes lopen rond een wak G.L. Durlacher over schrijven na Auschwitz

Tien jaar geleden publiceerde G.L. Durlacher zijn eerste boek, Strepen aan de hemel. In de tussentijd schreef hij vier bundels verhalen, allemaal over dezelfde 'coulisse', zoals Durlacher het eufemistisch noemt: zijn tocht langs de Duitse kampen....

'EEN PAAR JAAR geleden was ik met vakantie in Portugal. We reden van Lissabon naar Cascais, in zo'n snelle forenzentrein. Het was erg vol, zodat ik op het balkon moest staan. Ik keek naarbinnen. Naast mijn vrouw zat een man met een Duitse krant. Ik zag hem, en ik dacht: mijn God! Dat is Mengele!

'U kunt zich moeilijk voorstellen hoe mijn benen toen aanvoelden. Als rubber stokjes. Ik dacht: wat moet ik in godsnaam doen!? Die Portugezen in de trein begrijpen er natuurlijk niks van, en de politie in Lissabon zal me ook niet begrijpen. En ikzelf kan niets - misschien heeft hij wel een wapen bij zich!

'Ik dacht: ik moet Wiesenthal bellen! Ik moet de joodse gemeente bellen!

'Ik had geen moment rust meer. Die nacht heb ik geen oog dichtgedaan, ik was echt in paniek. De volgende ochtend zei mijn vrouw: je weet niet eens zeker of hij het wel was. Ik heb het na thuiskomst alleen aan een kennis bij het Riod verteld.

'Later kreeg ik een boek van Gerald Poszner, De kinderen van Hitler. In dat boek stond een grote foto van Mengele zelf met zijn zoon, een foto uit 1953. Ik herkende Mengele natuurlijk onmiddellijk, u begrijpt wel waarom.'

Ineens staat hij voor ons, keurend als een boer voor het vee. Stelt vragen aan korten en langen, die als gedrilde soldaten in de houding springen. Bij iedere afgekeurde sta ik strammer, de vuisten aan de dijen, het hoofd van graniet. Hij loopt voorbij en laat mij ongemoeid.

(Strepen aan de hemel)

'In het voorwoord van dat boek stond, dat Mengele in 1979 omgekomen was.

'Die man die ik in Portugal had gezien wàs hem dus helemaal niet! Maar de projectie was zo sterk, dat ik hem echt voor me zag.

'De man stapte toen in Escoril uit. Achteraf gezien ben ik dolblij dat ik niks gedaan heb, want ik had me onsterfelijke belachelijk gemaakt.

'Maar dat is nou geheugen. Geheugen kan zich zo ontzettend vreemd vergissen. Dit soort dingen komen voor. Daarom moet je ontzettend voorzichtig zijn met uitspraken.'

G.L. Durlachers werkkamer is tot het plafond gestoffeerd met boeken over de holocaust en de Tweede Wereldoorlog. Bijna alles wat verschijnt wil hij lezen, niets mag vergeten worden. Het gesprek doorspekt hij met namen van anderen die de holocaust onderzochten of hun kampervaringen op papier zetten.

Durlacher vertelt.

Al jarenlang doet hij bijna niets anders - in zijn boeken, in lezingen, artikelen, interviews. Steeds vertelt hij weer nieuwe brokstukken van hetzelfde verhaal, of dezelfde brokstukken, van een ander standpunt uit bekeken - zodat hij nu vaak niet eens meer weet of hij, wat hij vertelt, nu in zijn boeken heeft opgeschreven en zo ja in welk, of in een interview gezegd, of was het toch een lezing? 'Laatst zei ik tegen. . . Ik heb dat ergens opgeschreven. . . geloof ik.'

Tien jaar geleden publiceerde Durlacher zijn eerste boek, Strepen aan de hemel; vorige maand verscheen Niet verstaan. In de tussentijd verschenen Drenkeling (Kinderjaren in het Derde Rijk) en het met de AKO-prijs bekroonde Quarantaine. Vier bundels verhalen met allemaal dezelfde 'coulisse' zoals Durlacher het eufemistisch noemt.

De 'coulisse' is Durlachers tocht langs de Duitse kampen. Een tocht die 3 oktober 1942 begint in Durchgangslager Westerbork, en via het 'modelkamp' Theresienstadt en Birkenau ten slotte eindigt in het KZ Schotterwerk bij Gross Rosen, waar hij doodziek en met een kapotte voet en ternauwernood nog in leven wordt bevrijd, enkele dagen voor de capitulatie van Duitsland.

In Strepen aan de hemel is de coulisse nog zwaar, drukkend, en heel tastbaar aanwezig. In zijn laatste twee boeken trekt zij zich er langzaam uit terug. In Niet verstaan nog wel het meest. De kampen zijn ver weg, of flitsen, zoals in het titelverhaal, bijna terloops en luchtig in amper vijftien pagina's voorbij.

Durlacher: 'Ja, het is allemaal zachter geworden. Dat geef ik toe. Want ik probeer mij een béétje los te maken van het verleden. Het is nu eindelijk echt ná de oorlog geworden.

'De coulisse blijft natuurlijk, altijd, daar is niks aan te doen. Maar ik kan er gewoon niet meer tegen mij weer te verplaatsen in die kampkwesties. Dat is bij ons allemaal een beetje zo. Onze huid wordt dunner.'

Zou men niet juist verwachten dat ie dikker werd?

'Nee, nee, hij wordt dunner.'

In Niet verstaan maakt Durlacher reuzensprongen door de tijd. Hij vertelt van gebeurtenissen vanaf zijn vroege jeugd in Baden Baden tot aan 1978 - het jaar dat Sonia Witstein, boezemvriendin en lotgenote, stierf. Het jaar ook, waarin hijzelf instortte en de even befaamde als omstreden psychiater Bastiaans met zijn LSD-therapie Durlachers gesloten geheugen 'openbrak'.

Durlacher: 'Bastiaans heeft in 1978 bij mij de bunker laten ontploffen. Daarna ben ik in analyse gegaan.' De analyse, en later het schrijven van zijn boeken hielpen hem 'de harde schijf van zijn geheugen te ontlasten', de druk eraf te halen, zodat hij met zijn verleden kon leven. 'In dat opzicht is het schrijven - het klinkt misschien erg religieus, maar dat bedoel ik niet zo - een soort godsgeschenk.'

De verhalen komen als vanzelf naar hem toe. 'Er zijn altijd prikkels. Dan is het of er een sonde wordt neergelaten in mijn geheugen. Een beeld komt naar boven, heel helder, met daaraan vast een verhaal.' De verhalen zijn altijd kort - episodes, zoals hij ze opvist - en ze cirkelen steeds verder weg van wat er wèrkelijk gebeurde in het kamp - datgene waarvoor geen woorden bestaan.

In het gesprek heeft Durlacher het steevast over 'dat soort dingen', of 'die kampkwestie', en blijft daarmee al even vaag als in zijn boeken, waar je over zijn bestaan in het kamp kunt lezen dat hij 'tot een robot gereduceerd' is, dat 'alles droom' is of dat hij de gebeurtenissen onderging 'als een slaapwandelaar'. En àls hij wel eens schrijft over de slagen, de moorden, de honger, de stenen die zijn medegevangenen verpletteren, doet hij dat afstandelijk en koel - huiverig om dieper af te dalen:

In het Babel van verschrikking was het geblaf van bevelen en het gebrul van verwensingen de dagelijkse melodie. Zuchten en klaaglijke uitroepen van pijn, verdriet en uitputting vormden de ondertoon.

Waarna het verhaal weer verdergaat alsof die ondertoon niet echt bestaat.

Durlacher: 'Ik wìl die verschrikkingen niet beschrijven. Ik kan het ook niet, en ik zal het ook nooit kunnen. Ik heb eens tegen Stephan Sanders gezegd: het is net alsof je om een wak heenloopt in het ijs. Je durft er niet in te stappen, en je durft er niet in te springen - je loopt er maar omheen.

'Het ìs natuurlijk wel beschreven, bij processen. In de processtukken staat het. Maar ik heb dat nooit durven lezen. Het is de hel waarin je dan afdaalt. Wie dat beschrijft gaat eraan te gronde, en wie het leest kan er waarschijnlijk ook niet tegen.'

Na twee boeken, Strepen aan de hemel en Drenkeling, werd hij bevangen door twijfel. 'Je gaat op een gegeven moment bij jezelf denken: ik ben gek. Dit kan niet. Is het echt zo gebeurd, of heb ik me vergist en was het alleen maar een nachtmerrie? Ik wilde bevestiging van anderen krijgen.'

Hij ging op zoek naar de overlevenden van de 89 jongens die door Mengele waren geselecteerd voor Männerlager B 11 D. Hij wilde zijn herinneringen met de hunne vergelijken, hij wilde zijn geheugen controleren. Alles bleek te kloppen, tot opluchting van Durlacher, die volgens de schrijver S. Dresden een 'bijna maniakale neiging heeft om nauwkeurig te zijn'.

Durlacher: 'Sem Dresden is een literator, terwijl ik, ik heb een wetenschappelijke opleiding gehad, en ik vind dat je alles wat je doet zo nauwkeurig mogelijk moet doen.'

Jarenlang protesteerde hij wanneer mensen zijn boeken als literatuur bestempelden. Het wàs geen literatuur, want aan literatuur kleefde een bijsmaak van fictie, fantasie, verzinsels. Terwijl zijn enige opzet was verslag te doen, heel exact en zonder opsmuk te vertellen hoe het wèrkelijk was, zodat de revisionisten hem nooit op een vergissing zouden kunnen betrappen. Want de revisionisten - de historici die beweren dat de moord op zes miljoen joden nooit heeft plaatsgevonden - zullen altijd elke fout, elk verkeerd jaartal aangrijpen als bewijs dat àlle verhalen over de kampen verzonnen zijn.

Durlacher: 'Het verhaal van de Auschwitz-Lüge is een van de meest perverse dingen die ik ooit heb gezien. Hoe kómen mensen erbij om te beweren dat alles gelogen is? Waarom deze systematische vervalsing? Ik heb soms het idee, maar dat vindt u misschien wel erg paranoïde, dat hele grote bedragen gestort worden door gevluchte SS'ers in Zuid-Amerika. Net zo goed als er bij de skinheads in Duitsland geld moet komen.

'O, nee. Dit had ik beter maar niet gezegd. Als mensen dit lezen zullen ze vast denken: wat een paniekerige man.'

Op het omslag van zijn laatste boeken staat: 'verhalen', en niet meer, zoals op Strepen aan de hemel nog: 'oorlogsherinneringen'. Vorig jaar accepteerde Durlacher de AKO-prijs (voor literatuur). Niet langer vindt hij dat de combinatie Auschwitz en literatuur onmogelijk is. 'Ik heb het met Dresden gehad over die uitspraak van Adorno: na Auschwitz kan er geen literatuur meer geschreven worden, en niet meer gedicht worden. Sem is het er niet mee eens, en ik eigenlijk ook niet meer.

'Ik geloof nu dat je ook literair over die kampen kunt schrijven. Het bestaat, al is het is niet allemaal even goed, niet allemaal to the point. Celan heeft er schitterende dingen over geschreven, en wat heeft Primo Levi niet gedaan! Hij is de enige die echt prachtig hierover geschreven heeft.'

De telefoon gaat. Durlacher neemt, wat verstoord, op, luistert, en weigert: 'Ik doe dat soort dingen niet. Ik heb daar geen verstand van. Vraagt u een psychiater.'

Als hij weer heeft neergelegd keert zijn vriendelijke toon terug. 'Ze vroegen of ik wilde komen spreken over het KZ-syndroom.

'Eind jaren zeventig begin jaren tachtig hadden ze het ineens over niks anders. Het KZ-syndroom. Het KZ-syndroom. Iedereen die in een kamp had gezeten, had het. Depressies, slapeloosheid, lichamelijke ziekten, geen weerstand meer, geen sociale banden meer, je kinderen zwaar belasten met je eigen verleden.

'Ja, we hebben het allemaal een beetje gehad, dat wel.'

Maar zo'n woord, KZ-syndroom, dat zegt hem niks. Wat brengen de kampen teweeg? Wat voor leven leiden mensen die het overleefd hebben? Daar valt niets over te zeggen. Bij alle mensen die hij kent is dat weer anders. En hoe kun je zeggen wat door de kampen is veroorzaakt en wat niet?

'Primo Levi is in 1987 in die liftschacht gesprongen. Als zoiets dan gebeurt wordt meteen gezegd: dat komt door het kamp! Dat geloof ik niet. Bij Levi zijn daar na de oorlog nog zoveel andere factoren bijgekomen: schoonmoeder en moeder allebei seniel thuis, een gefrustreerde liefde, het feit dat de Italiaanse regering hem niet meer op scholen wilde horen - en daar komt ook zijn prostaatkanker nog eens bij. Al dat soort dingen, plùs misschien zijn herinneringen hebben hem tot wanhoop gebracht. Maar om dan te zeggen: hij heeft zelfmoord gepleegd omdat hij het verleden niet kon verwerken, dat geloof ik niet.

'Een goeie psychiater, of analyticus, had hem misschien nog daaruit kunnen krijgen. Dat hij dat niet heeft geprobeerd vind ik dood- en doodzonde. Ik vind hem nog steeds een heel groot man.'

In de jaren zestig is Levi ook fictie gaan schrijven, onder andere verhalen over de oorlog die hij niet zelf had meegemaakt. Durlacher heeft het hem jarenlang min of meer kwalijk genomen, maar nu hijzelf is aanbeland bij 'na de oorlog' is hij een stuk milder. 'Ik denk niet dat ikzelf in staat ben tot fictie. Maar ik wou dat ik het wel kon. Misschien later eens.

'Ik heb nog nooit in mijn boeken ècht over mijn vader geschreven. Adriaan (van Dis) dringt er heel erg op aan dat ik dat nu eens doe. Maar dat wil ik niet. Ik heb mijn vader op transport zien gaan. Hij is op een verschrikkelijke manier aan zijn eind gekomen. Moet ik dan nu een boek gaan schrijven over hoe hij vóór de oorlog was? Adriaan heeft zijn vader ná de oorlog nog gekend, en de kans gehad alles nog min of meer goed te maken. Ik niet. Dat is een groot verschil.'

Maar misschien: een boek over mensen die een zoon verloren in Vietnam. 'Over mensen die door een persoonlijk verlies plotseling wakker worden, en ineens zien waar ze mee bezig zijn. Mensen die schrikken van de onverschilligheid waarmee ze tot dan toe hebben geleefd en plotseling weer gevoel voor onrecht krijgen. Dat is natuurlijk net zoiets als in de Tweede Wereldoorlog. De onverschilligheid om wat er met de mensen, de joden om je heen gebeurt. Het is in zekere zin de onverschilligheid van Bolkestein. Zoals hij over asielzoekers praat: koud en berekenend.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.