Angst voor ‘de Arabieren’ zit er diep in

Formeel is er een vredesakkoord maar de vluchtelingen in Zuid-Soedan durven nog niet naar huis vanwege ‘de Arabieren’. Om nog maar te zwijgen van de Oegandese soldaten die hier jacht maken op het Verzetsleger van de Heer....

Het ongeluk vond twee dagen eerder plaats, maar nog steeds loopt heel Juba uit voor het schouwspel. Een grote vrachtwagen uit Oeganda is door de Nijl-brug gezakt. Eén van de ijzeren brugdelen hangt half in het water, met daarop weggezakt die te zwaarbeladen truck. Soldaten regelen het verkeer over het andere, nog intacte brugdeel. Ze letten op het gewicht van passerende vrachtwagens; nog zo’n ongeluk en het gehele economische leven in Juba zou tot stilstand komen.

Het moet een klap gegeven hebben, maar verbazingwekkend genoeg zijn er geen doden te betreuren. Een soldaat: ‘De chauffeur heeft het overleefd.’ Er waren, vertelt hij, vrouwen onder de brug aan het baden, maar die wisten, toen ze de brug boven zich hoorden knappen, tijdig weg te komen.

Welkom in Juba, stad aan de hier zo majestueus stromende Nijl. Hoofdstad van Zuid-Soedan. Alhoewel, ‘stad’ is een optimistisch woord voor deze roodstoffige nederzetting, waar, na een jarenlange oorlog, geen normaal huis meer overeind staat. Meer dan 300 duizend mensen wonen hier, permanent of als vluchteling-in-transit.

Het is een nieuw land. Jarenlang leverden de bewoners van het zuidelijke Soedan strijd met de ‘Arabieren’ uit het noorden. Begin 2005 sloten beide partijen een vredesovereenkomst, waarbij besloten werd dat ‘New Sudan’ het zes jaar zelfstandig, los van het verre Khartoem, mag proberen. In 2011 moet een referendum dan definitief uitsluitsel geven.

Niet dat het dan nu pais en vree is. Talloze milities struinen nog door het land. Gesteund door ‘Khartoem’, weten ze hier stellig te vertellen, want de ‘Arabieren’ hebben er baat bij om de situatie gespannen te houden.

Aan de overkant van de Nijl, aan de oostzijde, klinkt ’s nachts nog regelmatig geweervuur en worden buspassagiers doodgeschoten. In ons tentenkamp White Nile Lodge – nee, hotels heeft Juba nog niet – kunnen we het schieten horen.

Vrede; op papier klinkt ’t allemachtig mooi, de werkelijkheid toont zich weerbarstiger.

Jarenlang heeft de bevolking met onbeschrijfelijk geweld te kampen gehad, jarenlang zijn ze van oost naar west, van noord naar zuid verdreven, toch is er geen vriendelijker Afrikaans volk dan het Zuid-Soedanese. Welkom, zegt iedereen, goed dat u eens in het nieuwe Soedan komt kijken.

Dat kijken moet dan beginnen bij het graf van John Garang, jarenlang baas van de SPLA, het vrijheidsleger en na het vredesakkoord in januari 2005 de eerste leider van Zuid-Soedan. Garang kwam in juli 2005 om bij een – mysterieus – helikopterongeluk. Hij ligt begraven op een kale vlakte, onder een betegelde zerk onder een golfplaten afdak. Soldaten komen hier nog dagelijks uithuilen. ‘Hij was onze bevrijder’, zegt korporaal Jok Lul. ‘Hij mag dood zijn, in onze harten zal dokter Garang voor altijd leven.’

Over de zandvlakte, vlak voor het graf, loopt een groepje Dinka-herders. Grote, trotse mensen zijn het, ze voeren een koe met lange hoorns mee. Verderop scharrelen geiten en trappen jongetjes tegen een zelfgeknoopte bal. Op het monument hangt een half spandoek. ‘God’, lezen we, maar wat verder moet volgen is weggewaaid.

Jarenlang voerde het christelijke Zuiden oorlog tegen het islamitische Noorden, jarenlang deelden de ‘Arabieren’ hier in Juba de lakens uit. Als we de verhalen moeten geloven, voerden ‘zij uit Khartoem’ hier een waar schrikbewind, met hun islamitische wetten, de sharia, die óók gold voor het christelijke bevolkingsdeel.

Gruwelijk zijn de verhalen die je hoort, van door artsen vermoorde christelijke baby’s. Dát ziekenhuis, zegt onze gids Joël terwijl hij naar een laag, onooglijk gebouwtje wijst, daar kon je in de tijd van de ‘Arabieren’ beter niet bevallen. ‘Ze maakten je kind dood, de Arabische artsen.’

Nu is Joël Chrispo een intelligente man, die op kosten van een christelijke Britse mevrouw naar de universiteit mocht – maar dát verhaal willen we niet geloven. Massale babymoord, hier in Juba? Een dag later spreken we Apollonia Matia, journaliste van de The Juba Post, een onafhankelijke krant die met pijn en moeite plús wat Nederlands geld wekelijks kan verschijnen.

Dat verhaal, van die babymoorden, dat klopt toch zeker niet?, vragen we Apollonia, een oudere, gedistingeerde vrouw. Het is waar, zegt ze. We vallen stil als ze vertelt dat haar eigen baby Alfred ooit met lichte diarreeverschijnselen naar dat Sabe-ziekenhuis was gebracht en dat het ventje nog diezelfde dag – ‘ik zal het nooit vergeten, het was 26 oktober 1984’ – dood kon worden opgehaald. ‘De Arabische artsen zijn al lang gevlucht, maar er zijn nog steeds mensen die niet naar dat ziekenhuis durven.’

Overal in Juba zie je tentenkampen, plaatsen waar vluchtelingen, vaak op doorreis, verblijven. Sinds het vredesakkoord getekend is, moeten ze weer naar huis, maar velen durven nog niet. Vooral in het noorden, aan de andere kant van de Nijl, is het nog te onrustig. Sommigen, zoals James Akoc, een trotse, lange Dinka in kamp Logogo, zijn al 22 jaar van huis weg. Eerst verbleef hij met zijn volk in de buurt van de Congolese grens, nu zijn ze op de terugweg en wonen ze in een tentenkamp van de VN.

Akoc weigert vooralsnog de Nijl over te trekken. Pas als de kust veilig is, zal James zijn volk van 1040 zielen als een moderne Moses terugleiden naar dat beloofde land waarover de verhalen steeds mooier worden. Dat groene, vruchtbare land waar het leven goed was, waar werd geleefd van visvangst, veeteelt en akkerbouw. ‘Maar dat is lang geleden’, zucht Akoc, ‘voordat de Arabieren kwamen.’

Een dag later rijden we Juba uit, over de weg naar Yei, richting Oegandese grens. Voor we vertrekken, vouwen gids Joël en chauffeur Baraka de handen. ‘Heer, sta ons bij op deze lange reis’, bidt Joël, ‘vooral de chauffeur, hij zal Uw leiding hard nodig hebben, geef hem alstublieft kracht.’

De weg leidt langs de Berg van de Heks. Toepasselijke naam: overal wordt hier gewaarschuwd voor landmijnen, rode stokjes in de grond geven de locatie aan, vele duizenden moeten hier liggen. VN-militairen zijn begonnen met ruimen. Met gepantserde Minewolfs ploegen ze de mijnen uit de grond.

Halverwege Yei, vlakbij Lainya, stuiten we op een slagboom. Soldaten in keurig gesteven uniformen, gestoken in groene kaplaarzen, houden ons aan. Het zijn Oegandese soldaten, meer dan honderd kilometer van hun land. Ze zijn hier om het Verzetsleger van de Heer, de rebellengroepering die Noord-Oeganda jarenlang terroriseerde, de voet dwars te zetten.

Het zijn zo op het oog correcte jongemannen, maar no photo’s please, we are guests here. Met toestemming van de Zuid-Soedanese regering mogen ze hier jacht op rebellenleider Kony cum suis maken. Maar nu de vrede in dat conflict nabij lijkt, hopen ze snel weer naar huis te kunnen.

Dat het Verzetsleger van de Heer ook het zuiden van Soedan heeft bereikt, blijkt nabij Wonduruba, ruim anderhalf uur gaans over een slecht modderpad vanaf de hoofdweg Juba-Yei. ‘Het gebeurde in april. Mijn zoon riep: de Tong-Tong komen er aan’, zegt dorpoudste Charles van het gehucht Dokuni.

De Tong-Tong, dat zijn de kindsoldaten van het Verzetsleger van de Heer. De hongerige kindsoldaten hadden ditmaal niet opdracht om te doden of te verminken, ze roofden ‘slechts’ de hele oogst, plus alles wat ze verder in de hutten konden vinden.

Nu is al het eten weg, zegt Charles, terwijl we met de halve dorpsbevolking moeten schuilen onder een armetierig afdakje. De slagregen gutst met bakken uit de grijsbruine hemel, boven de kale rotsen weerlicht het. ‘Pas over een paar maanden kunnen we weer zaaien, oogsten doen we pas volgend jaar september. Wie gaat ons helpen?’

Ja, de Tong-Tong zijn weggejaagd door het Oegandese leger, die komen waarschijnlijk nooit meer terug, nu er een vredesakkoord ophanden is. ‘Maar dat is nog niet eens ons conflict’, klaagt Charles, ‘wij zijn inwoners van het nieuwe Soedan. Maar daarmee gaat ’t ook niet goed door dat gestook van Khartoem.’

En die veel bezongen vrede dan? ‘Ach mijnheer, vrede is slechts een stukje papier.’

Soedan verkeert permanent in burgeroorlog. Momenteel gaat alle aandacht uit naar de verschrikkingen in het westelijke Darfur, maar ook in het zuiden, in ‘New-Sudan’, is het ondanks het vredesakkoord van 2005 verre van rustig. Volgens het zuiden stuurt de regering in Khartoem nog steeds rondstruinende milities aan. Ook het officiële leger roert zich weer, zoals onlangs in Malakal. Jaap-Jan Verboom, die in Juba werkt voor het Nederlandse ICCO, vertelt dat er veel doden en gewonden zijn gevallen tijdens die strijd.

Verboom: ‘Een ernstig incident, omdat dit de eerste keer sinds de vrede is dat de troepen van het noorden en het zuiden weer met elkaar hebben gevochten. Tot dan waren alle gevechten met milities.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden