Angolezen verdringen expats

Buitenlandse bedrijven nemen naar Afrika vaak hun eigen personeel mee. Angola pikt dat niet en verplicht bedrijven als het Nederlandse Fugro meer Angolezen in te zetten.

AMSTERDAM - Toen het Nederlandse bedrijf Fugro tien jaar geleden een vestiging opende in Luanda, werd al het personeel voor de oliewinning voor de kust ingevlogen, zegt accountant Gerrit Eggink. Fugro heeft een eigen gebouw met een kantine en personeel wordt vandaaruit per helikopter naar de schepen gebracht. Van Angola zagen ze niet veel. Zo gaat het nog steeds, maar sinds een paar jaar maakt Fugro in Angola ook veel werk van de 'angolanisering'.


Fugro levert specialistische kennis aan grote oliemultinationals (BP, Shell, Total, ENI) voor onderzoek en naar het in positie brengen en houden van schepen in de offshoreolie- en gaswinning. 'We werken met heel moderne systemen, want de posities moeten op enkele centimeters nauwkeurig worden bepaald. Onze mensen staan letterlijk naast de kapitein op een schip.'


De 'angolanisering' begon in 2011 met een nieuwe wet, waarin de MPLA-regering van president Dos Santos buitenlandse bedrijven verplicht opdrachten te verstrekken aan Angolese ondernemingen. Ze moeten volgens de wet ook meer Angolese werknemers in dienst nemen en zorgen voor opleidingen. Dat wordt in nieuwe contracten met buitenlandse bedrijven vastgelegd. Het staatsbedrijf Sonangol kijkt daarop toe; Sonangol is oppermachtig bij het verstrekken van concessies voor de olie- en gaswinning.


Het is regeringsbeleid, maar het strookt ook met de bedrijfsfilosofie van Fugro, zegt Eggink. 'Het is de bedoeling om expats overbodig te maken. We hebben een opleidingscentrum opgezet voor jonge afgestudeerden met de Angolese nationaliteit - die wonen hier of komen terug uit Zuid-Afrika, Nederland, Australië of waar dan ook.' De salarissen van de schaarse Angolese technici zijn hoog.


Het vinden en rekruteren van personeel is nog het lastigst: het aantal opgeleide Angolezen is beperkt en andere bedrijven moeten ook naar hen op zoek. 'Je hebt wel een goede opleiding nodig voor het gespecialiseerde werk bij Fugro.'


Toch is het de moeite waard, vindt Eggink. Nog tientallen jaren zal er voor bedrijven als Fugro werk zijn in de groeiende economie van Angola. De schatten in de zeebodem zijn nog lang niet uitgeput. En de stijgende vraag naar technische kennis in de weg- en waterbouw schept nieuwe mogelijkheden. Met het vooruitzicht nog lang in Angola te blijven, bouwt Fugro zijn vestiging om tot een 'Angolees bedrijf', een joint venture waarin 51 procent van de aandelen in Angolese handen is.


Peter-Jan van As verkende vanaf 2009 voor Fugro de mogelijkheden voor 'local content'. Hij werd gefascineerd door de mogelijkheden in Angola en greep het aanbod van Fugro voor de nieuwe functie met beide handen aan. In 2011 begon hij voor zichzelf als consulent voor internationale bedrijven: hij maakt hen wegwijs in het regeringsbeleid, de wetgeving, de voorwaarden van 'angolanisering' en het vergunningenstelsel.


Van As: 'Multinationals moeten aan Sonangol laten zien met welke Angolese bedrijven zij contracten hebben gesloten. Die partners maken de weg vrij voor allerlei vergunningen. Bedrijven moeten aantonen dat ze Angolees personeel werven. Het doel is 70 procent Angolees en 30 procent expats, op alle niveaus.'


Dat is meestal lastig. Er zijn weinig Angolese bedrijven die als partner kunnen dienen en nog schaarser is personeel met een opleiding. De regering vindt dat geen excuus en zet druk op de ketel door vergunningen te vertragen en moeilijk te doen bij het verstrekken van visa. Van As denkt echter dat het nodig is om bedrijven op te porren.


Er is in Angola kritiek dat het systeem de toch al wijd verbreide corruptie verder in de hand werkt. Het is gemakkelijk daar cynisch over te doen, maar Van As vindt dat geen productieve houding. Het beleid van local content geeft Angolezen wel degelijk een kans een rol te spelen in de expanderende economie van hun land.


Van As geeft een voorbeeld. Er werd een Angolees bedrijfje opgericht dat onderdelen voor de olieplatforms ging importeren. Die onderdelen werden gemaakt door een Brits bedrijf. 'Steeds bleek een gevraagd onderdeel niet op voorraad. Toen besloten ze die onderdelen zelf te gaan maken in een werkplaats. Nu zijn die binnen een dag klaar en ze zijn goedkoper. En het belangrijkste: ze zijn lokaal gemaakt.'


Gerrit Eggink accountant bij Fugro


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden