André van Duin

De stuiterende volkskomiek op het podium is een ander mens dan de bescheiden prater thuis. Misschien dat André van Duin (61) juist daarom geen enkele moeite heeft zijn eigen kwaliteiten te relativeren....

Soms kan hij echt een hekel hebben aan André van Duin. Laatst bijvoorbeeld, toen de moeder van zijn partner Martin was overleden. ‘Zit je in die aula, zie je allerlei mensen binnenkomen en denken: verrek, kijk ’ns wie daar zit! Op zo’n moment zou ik graag even níét André van Duin willen zijn. Want de kinderen die er zijn, vragen na afloop toch je handtekening.’

Zo’n vijf keer per week is hij het middelpunt in het theater, in zalen van doorgaans minstens duizend mensen. Koning van de kolkende lach. Maar in de persoonlijke ontmoeting is de man die al 42 jaar het predikaat ‘volkskomiek’ waarmaakt, verbijsterend timide. Al zitten we in zijn eigen café – een grote ruimte op de begane grond van zijn huis, compleet met bar, luxe fauteuils, lichtreclame en biljart – hij praat gedempt, alsof hij vooral niemand wil storen. Na een zomerstop van bijna een half jaar is hij weer gaan spelen, met André’s Nieuwe Revue. Om die reden heeft hij net een dvd bekeken van de laatste voorstelling van voor de zomer. Hoe hij dan naar die man op het toneel kijkt? Hij aarzelt, kijkt alsof hij de vraag niet helemaal begrijpt, en begint dan te glimlachen. ‘Ik vind die man eigenlijk wel grappig, ja. Het is wel iemand die zijn vak verstaat. Maar ik vind hem ook vaak erg vervelend. Dan denk ik: wat is-ie druk, wat vertelt-ie irritante grappen. Ik kan me dan best voorstellen dat mensen een hekel aan me hebben.’

Aan zo’n revue hoeft hij eigenlijk weinig meer in te studeren. Zo veel kan er niet misgaan. Zelfs het kwijtraken van zijn tekst hoeft geen ernstige gevolgen te hebben. Mensen merken dat helemaal niet. ‘Dat is het voordeel van komische dingen: er zit geen begin en geen eind aan. Wij hebben geen kop en geen staart. Geen mens denkt: hé, nu klopt het niet meer. Want het klopt namelijk nooit.’ Het enige wat van belang is: dat hij tijdens de repetities mensen om zich heen heeft die om hem moeten lachen. ‘Want een clown met een rood neusje op om wie niemand lacht, wordt ogenblikkelijk een intrieste figuur.’

Waaraan merkt u dat uw vakmanschap door de jaren gegroeid is? ‘Mijn timing is beter geworden; ik wacht beter m’n moment af. Als je ouder bent, heb je meer levenservaring. Daardoor kun je meer grappen kwijt. Ik vertelde als 16-jarige moppen over mijn schoonmoeder. Dat sloeg natuurlijk nergens op. Als je ouder bent, accepteren ze veel meer van je.’

Wat is de leukste grap die u kent? Glunderend: ‘O, dat is al een heel oude. ‘Goedemiddag. Waar komt u vandaan?’ ‘O, ik heb een plezierreisje gemaakt.’ ‘Een plezierreisje?’ ‘Ja, ik heb net m’n schoonmoeder naar Schiphol gebracht.’ Een erg leuke grap en het effect is werkelijk ongeëvenaard. Er komt zo’n lach in die zaal* wel een minuut lang.’

U werkt nu met Ron Brandsteder als aangever. Lijkt hij op Frans van Dusschoten, met wie u groot geworden bent? ‘Totaal niet. Frans hield van typetjes en woordspelingen. We konden verschrikkelijk met elkaar lachen. Hij was ook een beetje wonderlijk mannetje om te zien. Ron is een grote, lange man. Dat geeft een ander effect. Ron is ook altijd Ron. Die gaat geen typetje spelen. De tijd met Frans was een geweldige tijd. Maar dat is geweest. Nu ben ik vooral aan het oogsten. Ik heb een enorm krediet bij het publiek, leef op m’n populariteit. Ik doe mijn best om dat te continueren, maar ik heb niet de behoefte het wiel opnieuw uit te vinden.’

Wanneer brak die oogsttijd aan? ‘Rond m’n 50ste, denk ik. We stopten met de revue en gingen tv doen. Dat was de periode waarin ik dacht: nu wordt het allemaal toch wat makkelijker.’ ‘Ik ben geen cabaretier, ik noem mezelf altijd volkskomiek. In de traditie van Johnny Kraaykamp, de Mounties en Snip & Snap. Nee, Toon Hermans hoort daar niet bij. Dat vind ik toch een stapje hoger dan wat ik doe.’

André van Duin zit onder Toon Hermans? ‘Voor mij wel, ja. Wat Toon deed noem ik ‘hoogpolig cabaret’. Hij werd door critici ook hoger aangeslagen.’

Met wat u doet, heeft u veel succes, maar u heeft het zich daardoor ook makkelijk gemaakt. U doet wat u goed kan en dat is het dan ook. ‘Ja.’

U hebt geen behoefte om te kijken wat er nog meer in het vat zit? ‘Nee. Ik heb bij de Dikvoormekaar- show wat meer grenzen opgezocht, maar dan wel altijd achter typetjes. Het hóórt niet bij me.’

Kun je dat artistieke luiheid noemen? ‘Dat denk ik zeker. Ik ben ontzettend lui, vind het héérlijk om niks te doen.’

U kunt eigenlijk meer dan u laat zien? ‘Veel meer. Ik heb er alleen geen zin in. Een tijdje geleden heeft een uitgeverij me gevraagd een boek te schrijven, een soort komische roman. Op zich leuk. Maar ik ben inmiddels op de helft en heb het wel gezien.’

Eigenlijk een enorm gebrek aan ambitie. ‘Dat kun je zo wel zeggen, ja.’

Dat is misschien ook de schaduwkant van een groot talent. Als u dat niet had gehad, was u wel gedwongen om eens iets anders te proberen. ‘Het is vooral het gevolg van niet meer hoeven. Ik kan op mijn gemak de krenten uit de pap halen. Dat werkt luiheid in de hand. Die drive van Paul de Leeuw mis ik gewoon. Hij is een soort adhd-patiënt; wil zich overal mee bemoeien, zichzelf voortdurend bewijzen, overal bij zijn. Ik vind het juist heerlijk om ergens niet bij te zijn. De uitreiking van de Televizierring, de opening van zusenzo, de première van hutsefluts* Voor mij hoeft dat allemaal niet.’

Met uw talent had u ook in het buitenland groot kunnen worden. ‘Ach, dat weet je niet. Het buitenland is natuurlijk toch een ander land.’

De Duitsers zouden dol op u zijn geweest. ‘Ik heb die behoefte nooit gevoeld. Misschien ook luiheid. Ik zag de noodzaak gewoon niet. Voor een carrière in Duitsland moet je er ook gaan wonen. Dat had ik er niet voor over. Ik vind het wel goed zo, hoef geen grotere artiest te worden dan ik nu ben. Waarom zou ik? Hier kennen ze me. Dat is mooi genoeg.’

André van Duin is sowieso geen man van grote wensen. Goed, hij bewoont een mooi grachtenpand in de Amsterdamse binnenstad en hij heeft zich een bootje gepermitteerd. Daar houdt hij het bij. Zijn auto heeft hij een paar jaar geleden van de hand gedaan. Daar heb je toch niets aan in Amsterdam. ‘Ik doe alles lekker lopend of op de fiets. En als ik moet spelen, word ik opgehaald door de bus.’ Als hij niet hoeft te spelen, zit hij graag thuis, met zijn partner Martin (44). Lekker televisiekijken of biljarten. Een enkele keer gaat hij naar het theater, om collega’s te zien. ‘Al zit ik daar nooit lekker, Omdat ik altijd het gevoel heb dat mensen op me letten. Kijken of ik wel of niet lach. Dat vind ik erg ongemakkelijk. Soms is bekendheid belastend. Vooral als je gewoon even wat staat te kopen in een winkel. Dan voel ik ze kijken. Toch loop ik gewoon over straat, hoor. Ik ben echt niet de hele dag bezig met het feit dat ik André van Duin ben.’

Ook omdat u dat niet bént. U bent voor de burgerlijke stand Adrianus Kyvon. ‘Jawel, maar ik straal wel André van Duin uit. Als ik aan mezelf denk, denk ik aan Van Duin, nooit aan Kyvon. Eigenlijk is Adri Kyvon een ander geworden. Niemand noemt me ooit zo. Alleen de Belastingdienst.’

Adri Kyvon groeide op in de Watergeusstraat in Rotterdam, in een gezin waar theater geen enkele rol speelde. Zijn ouders hadden 78-toerenplaten van The Three Jacksons en Johnny Jordaan, maar dat was het dan ook. Hij was enig kind, zoon van een magazijnbediende. Een rustige, onopvallende jongen die zich het liefst op zijn zolderkamer terugtrok om naar de radio te luisteren. Daar hoorde hij Wim Sonneveld, de Showboat en Snip & Snap, iconen van een verre wereld waar hij graag bij wilde horen. ‘Dat wilde ik ook: beroemd worden, gezien worden.’ Hij koesterde een telefoonboek van Amsterdam, waar hij de adressen van die artiesten zo in kon opzoeken. Nee, natuurlijk durfde hij ze niet op te bellen. Laat staan dat hij erheen ging. ‘Joh, ik was nog nooit verder dan Hoek van Holland geweest.’

Met een bandrecordertje nam hij fragmenten van de radio op, die hij slim aan elkaar monteerde. Daarmee trad hij vanaf zijn 15de op als bandparodist, eerst nog in jeugdhuis Piet Hein, maar al snel op grotere podia. Ze moesten onbedaarlijk om hem lachen, om zijn mimiek en zijn elastieken motoriek. ‘Ik had groot succes, ook omdat ik aan het eind een ovationeel applaus gemonteerd had. Je kon nauwelijks horen hoe de zaal zelf reageerde. Toen ik in 1964 het voorprogramma deed bij het roemruchte concert van de Rolling Stones in het Kurhaus, konden ze me gewoon niet wegfluiten. Ik had al die herrie bij me.’ In datzelfde jaar, 1964, won hij een talentenjacht van de AVRO en vanaf 1967 verscheen hij regelmatig op televisie. Eerst nog als bandparodist, later ook met sketches en liedjes. Vanaf 1970 volgden zijn eigen revues, met Frans van Dusschoten en Corrie van Gorp. In 1973 begon hij met de Dikvoormekaar-show. Langzaamaan werd Van Duin een nationaal fenomeen. ‘Ik had bereikt wat ik wilde. Ik was ook zo iemand uit het telefoonboek geworden.’

Al op zijn 10de wist hij dat hij homoseksueel was. ‘Ik keek alleen naar jongens, niet naar meisjes.’ Van een ingewikkelde coming out was geen sprake. ‘Mijn ouders hebben er nooit een probleem van gemaakt. Het was geen onderwerp van gesprek.’ Hij kent zijn partner Martin een kleine twintig jaar, uit de stamkroeg waar hij ook al met zijn vroegere vriend Wim kwam. Martin werkte jarenlang als planner bij Wagon Lits. Onlangs trouwden ze met elkaar. ‘We schelen zeventien jaar. Dan moet je het gewoon goed geregeld hebben.’ Zijn overleden vriend Wim, met wie hij ruim twintig jaar samenleefde, speelt geen grote rol meer in zijn leven, zegt Van Duin. ‘Ik ga vrijwel nooit meer naar zijn graf. Ik heb hier in de kamer zijn foto staan met een kaarsje erbij. Die raak ik soms nog even aan. Maar ik ben niet iemand die na zoiets jarenlang de weg kwijt is. Ik ben gewoon niet zo’n emotioneel mens. Verdriet slijt. Vooral als je weer een nieuwe partner hebt.’

Is openlijk homo-zijn in Amsterdam anders dan twintig jaar geleden? ‘Ik kom niet zo in dat uitgaansleven, ken die problemen niet. Ik zie overdag in het centrum wel allerlei types rondlopen in wonderlijke uitdossingen waar het werkelijk van af druipt. Toch worden ook die niet in elkaar geslagen – dat zal wel een toevalstreffer zijn.’

Iemand als Pim Fortuyn voelde zich als homo vaak belaagd. ‘Maar ja, die vroeg ook wel heel veel aandacht.’

Hoe keek u naar hem? ‘Ik vind het jammer dat hij niet iets wezenlijks heeft kunnen betekenen. Maar ik heb weinig op met die agressie tegen de islam. Wat Geert Wilders wil – die mensen gewoon de deur uitzetten – is natuurlijk totaal verkeerd. Dat geschreeuw werkt alleen maar averechts. Geef het twee, drie generaties de tijd. In Rita Verdonk geloof ik al helemaal niet. Ze doet het ook gewoon niet goed. Dat heeft Wilders wel; die kan in elk geval prima lullen. Verdonk kan dat helemaal niet. Als ze een toespraak houdt, is het altijd geforceerd. Het loopt nooit lekker. Ze is gewoon niet overtuigend.’

Zit daar een typetje voor u in? ‘In Rita Verdonk wel. Die vrouw neem ik niet serieus. Wilders is een ander verhaal; die is wel serieus, en op een bepaalde manier ook bedreigend. Da’s niks voor een type.’

Op wie zou u nu stemmen? ‘Ik zou nu op Pechtold stemmen. Dat is in elk geval geen schreeuwer, maar juist een man die het nog een beetje bij elkaar houdt. Daar moeten we het van hebben.’

In een aflevering van het tv-programma Profiel zei Joke Bruys over u: ‘André kijkt je nooit echt aan. Dat is toch een vorm van ontwijken.’ ‘Op het toneel kijk ik naar iemands haarlijn. Een truc om niet afgeleid te worden. Ik kijk mensen in de zaal ook niet aan. Ik ben altijd bang dat, net als ik kijk, die ene man gapend op zijn horloge kijkt. Dat zit dan de hele verdere avond in mijn kop: die man vindt het niet leuk.’

Kijkt u in het normale leven wel mensen aan? ‘Meestal niet. In het normale leven ben ik een verlegen man, een onzeker mens. Ik zal niet snel op mensen afstappen. Dan ben ik bang dat ik ze lastigval. Ze zitten heus niet op mij te wachten, denk ik dan. Op een feestje sta ik het liefst in een hoekje.’

Staat roem een normaal contact in de weg? ‘Beslist. Ze kennen mij, maar ik ken hen niet. Ik weet nooit hoe anderen over mij denken, of ze m’n vriend of m’n vijand zijn. Daarom hou ik me liever maar gedeisd.’

Dat maakt het contrast met uw toneelverschijning extreem groot. ‘Op het toneel ga je vanzelf stralen. Je doet je daar anders voor dan je bent. Dat kan ik goed. Een minuut voor achten zet ik dat knopje om.’

En wanneer zet u de knop weer terug? ‘Direct na afloop. Dan is het product verkocht en de handel weer gedaan. Ik hoef ook niet af te kicken. Ik zit gewoon weer stilletjes in de tourbus naar huis.’ U bent nu 61. Ziet u uzelf op uw 80ste nog op het toneel staan? ‘Ik zal zeker dingen blijven doen. Er moet altijd een reden blijven om ’s morgens op te staan.’

Hebt u perioden gehad waarin u die reden niet zag? ‘Nee. Ook niet na de dood van Wim. Ik was erg verdrietig, maar ging niet bij de pakken neerzitten. Het was raar: vlak voordat Wim stierf, was ik gestopt met roken. Toen hij doodging, dacht ik: nu heb ik toch eigenlijk alle reden om verschrikkelijk te gaan paffen. Toch deed ik dat niet. Ik had juist een ander gevoel: ik moet dóór. Als je geen reden kunt vinden om op te staan moet je ’m desnoods maar verzinnen. Ik verwacht van mezelf dat ik nuttig ben, dat ik deelneem aan de maatschappij. Ook wanneer ik straks oud ben.’

U zou misschien jonge collega’s kunnen gaan coachen? ‘Ik? Welnee. Ik ben wel eens gevraagd voor een masterclass, maar daar ben ik niet geschikt voor. Wat weet ik nou van dit vak wat een ander niet weet? Er zijn zoveel manieren om komiek te zijn.’

U kunt toch zeggen: die grap moet je anders brengen? ’Ja, maar dat is dan mijn mening. Hans Teeuwen vertelt ze anders dan ik, en Freek doet ze anders dan Youp. Ik kan niet zeggen of iemand het als komiek goed doet.’

Valse bescheidenheid. Natuurlijk kent u dat vak, weet u er meer van dan bijna iedereen. Hij denkt lang na, begint dan te lachen. ‘Nou oké* ik ben te bescheiden. Natuurlijk weet ik er wat vanaf. Omdat ik het al zo lang doe. Maar ik weet ook dat op het gebied van humor niemand de wijsheid in pacht heeft. Er zijn veel mensen die het leuk vinden wat ik doe. Maar er zijn altijd nog veel meer mensen die het verschrikkelijk vinden.’

cv André van Duin

geboren 1947, Rotterdam

burgerlijke staat getrouwd met Martin

carrière 1964 wint talentenjacht Nieuwe Oogst; 1967 debuut op televisie; 1970 eerste theaterrevue; 1973 begint Dikvoormekaarshow

Maakt nadien talloze tv-programma’s, scoort hits met persiflages van bekende nummers (Het bananenlied, File, Doorgaan, Willy Alberti bedankt) en maakt carnavalskrakers als Willempie, Ik heb hele grote bloemkoole en Er staat een paard in de gang. En speelt in de speelfilms Ik ben Joep Meloen (1981) en De boezemvriend (1982)

2004 viert 40-jarig jubileum als artiest en gaat weer in het theater spelen 2009 vanaf februari is de Dikvoormekaarshow weer op televisie te zien zijn

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden