Anders dan zij, anders dan een ander

ER BESTAAT een soort proza waar je, terwijl je het zit te lezen, onrustige voeten, krabneigingen, slikdwang en onbestemd heimwee van krijgt....

Michaël Zeeman

In het kleine boekje Ik, de ander van de Hongaar Imre Kertész komen drie manieren ter sprake waarop de schrijver 'er' niet bij hoort. Dat is een ervaring die hij, in al haar gedaanten, met zijn lezers wil delen. Dat kán ook - en dat alleen is al eigenaardig: als de buitenstaander zijn status gemeen heeft met anderen, is hij al geen echte buitenstaander meer. Hoe waarachtiger en overtuigender hij daarover schrijft, hoe ongeloofwaardiger hij tegelijkertijd wordt. Wie zich daar uit probeert te redden met een koket beroep op de 'paradox', is een temende klier die zijn eigen onderneming niet serieus neemt.

Buitenstaanders die opzettelijk indringend proberen te schrijven over hun isolement, zijn doorgaans larmoyant; doen zij het goed en zuiver, en dus onnadrukkelijk en precies, dan heffen wij lezers hun isolement op, al was het maar voor de tijd die het neemt om hun boek te lezen. Opnieuw is dat een stilistische aangelegenheid - opnieuw is het bloedlink, maar als het lukt raadselachtig mooi en onrustbarend.

In de waarnemingen en belevenissen die Kertész noteert, blijft hij dicht bij de alledaagse, weinig opmerkelijke ervaringen die talloze mensen van dag tot dag moeten hebben. Alleen al die onduidelijke en toch fnuikende gewaarwording van het buitenstaanderschap deelt hij op zijn minst met allen die gevoelig zijn voor literatuur, voor kunst, voor een gedachte. Zij op het strand, zij op de boulevard, zij voor hun televisie in de huizen achter de boulevard, maken ergens deel van uit, horen ergens bij. Door zijn vermogen het op te merken, distantieert de beschouwer zich van hen.

Ik, de ander is een boek als een zakboekje. Imre Kertész heeft er, op het simpelste niveau beschouwd, enkele bijzonderheden van zijn ervaringen van na 1989 in bij elkaar gebracht. Hij heeft het tijdens de gloriejaren van de communistische terreur in Centraal Europa niet makkelijk gehad. Dat hij standvastig bleef en trouw aan zijn literaire overtuigingen, maakte hem vanaf de omwenteling een fuifnummer voor literaire conferenties en deftige festivals in het Westen. Het zakboekje verslaat zijn tochten naar München, Hamburg, Berlijn, Wenen, Leipzig, Amsterdam, Parijs en al die andere steden waar de goedgevulde subsidiepotten klaarstaan om de voorheen onderdrukte auteur te onthalen. Logeren in villa's en eersteklas hotels, voorlezen in rijk gesorteerde boekhandels, collegezalen en stadspaleizen, applaus na, geld toe.

Dat alleen is al vervreemdend; in die comfortabele entourage voorlezen uit boeken als Onbepaald door het lot, Kaddisj voor een niet geboren kind of Het fiasco, het heeft iets oneigenlijks, op het perverse af. Het slachtoffer van Hongaars antisemitisme, nazi-terreur en communistische hufterigheid als sterauteur: je kunt je voorstellen dat de beroemde regel van Arthur Rimbaud, je, est un autre, zich onverdund aan hem opdringt. Kijk maar, we zien toch niet wie we zien.

Maar er is meer. Want je kan Imre Kertész wel een Hongaars auteur noemen, maar je roept daar ook onmiddellijk nieuwe problemen mee op: zó hebben de Hongaren, collega's, lezers en overheden, hem immers nooit gezien. Jood in Hongarije, Hongaar daarbuiten, joodse Hongaar of Hongaarse jood als hij in Duitsland komt, Oost-Europeaan in West-Europa. In Frankrijk wordt hij op een bepaald moment, o ironie, zelfs Duitser.

De auteur leest voor over iemand die hij niet meer is, en wordt aangesproken op karakteriseringen die van plaats tot plaats verschillen en die hij geen van alle aanvaardt. De vraag naar de identiteit is een modieuze, bevorderd door de bureaucratie, maar er zit ook een pathologische kant aan: je hoort te weten wie je bent, ook al bestaat er verwarring over je paspoort. 'Er is iets met je gebeurd', zegt iemand die hem goed kent tegen de schrijver, 'je bent de diepzinnigheid kwijt die je vroeger had.' De veranderde politieke en maatschappelijke omstandigheden hebben de functie van de literatuur ook veranderd, de verschoppeling van toen handelt tegenwoordig in en onderhandelt over vertaalrechten. Ik is geen ander, ik is een heleboel ongrijpbare en onbegrijpelijke schijngestalten, alleen wie zegt dat hij liegt spreekt de waarheid.

En hij is dezelfde schrijver, dezelfde die de concentratiekampen van de nazi's overleefde, een bestaan opbouwde in een antisemitische en literatuurvijandige heilsstaat, een toon vond, een stijl, een wijze van schrijven. De onbestemdheid van die eerdere boektitels - 'onbepaald', 'ongeboren' - zit ook in de huidige aantekeningen, in de manier waarop Ik, de ander is gecomponeerd. De identiteit van de schrijver is niet zijn geloof, niet zijn afkomst, niet zijn nationaliteit, maar louter zijn stijl.

'Niet in overeenstemming met de tijdgeest te leven', schrijft Kertész, daar gaat het om, niet afhankelijk te worden van de anderen: ik, de schrijver, sta er buiten, moet er ook buiten staan om te kunnen schrijven. Voor die anderen heeft hij geen goed woord over, in Oost noch in West. 'Ik ben anders dan zij, anders dan een ander, anders dan mezelf.' Hij is de buitenstaander, de buitenstaander die terugpraat - maar geen van tweeën heeft hij zelf bedacht: buitenstaander werd hij door een ster, een paspoort, terugpraten is zijn natuur, zijn talent. Dat maakt het almaar lastiger te leven en te schrijven en daarbij niet je oprechtheid te verspelen. Leven en letteren worden hoge, eerbiedwaardige opdrachten - en het vervelende is dat Kertész daar, dwars tegen de tijdgeest in, volkomen gelijk in heeft.

Hij is geobsedeerd door het intellectuele, artistieke en politieke verraad van wie hij tegenkomt, opnieuw zowel in Oost-Europa als in het Westen. 'Weer zullen de bezitters van macht en geld de volledige neergang van de maatschappij dulden om te redden wat er te redden valt, en weer zullen zij totalitarisme en andere maatschappelijke ellende aanvaarden om aan hun dreigende vernietiging te ontkomen.' Zelden zal iemand zo snel en scherp doorzien hebben waar de kakelende klasse van het Westen mee bezig is. Ik, de ander wordt zo de weergave van een aanhoudende reeks vervreemdingen: het oude huis is ingestort, het nieuwe een spookhuis. De bespreking daarvan leidt niet tot het gangbare geleuter over meervoudige identiteiten of post-moderne maskerades, maar juist tot een zekere standvastigheid.

De schrijver wordt gedwongen antwoord te geven op de vraag of hij vooral goed gedijde onder de terreur - een kwestie waar iedere voormalige samizdat-auteur zich een oordeel over heeft moeten vormen. Hij beseft steeds duidelijker dat het daar niet om gaat. 'Ik ben in een vacuüm opgegroeid en heb vanaf mijn vroege jeugd met pure logica geleerd me aan dat vacuüm aan te passen', schrijft hij. Daar scheiden de wegen van de buitenstaander en de burger, daar scheiden ook de wegen van wie de propaganda van zijn tijd gelooft en wie zelf kijkt.

En daar ook wordt Ik, de ander zoveel meer dan een schrijversdagboek, een autobiografische bespiegeling. Daar wordt het een pamflet, een bezwaar, een eenmansactie - een bron van ongemak, van jeuk, van dorst, van heimwee.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden