Anderhalf uur per dag in het water is niet genoeg

De Olympische sportbonden buitelen over elkaar heen in hun haast de weg naar Atlanta te plaveien. Met aandoenlijke ijver en in ijltempo worden beleidsplannen ontwikkeld, kernploegen geformeerd, begeleidingsteams samengesteld en Noorse of anderszins prachtige modellen geïmiteerd....

Van onze verslaggever

Hans van Wissen

EMMEN

Dat virus heet heel eenvoudig en prozaïsch: geld. Sinds de invoering van de krasloterij en het aantreden van staatssecretaris Terpstra heeft het NOCNSF meer middelen te verdelen dan ooit. En omdat 'Papendal' heeft bevolen dat 'meer geld in minder mensen geïnvesteerd moet worden', weten de Olympische bonden niet hoe snel ze die eis moeten honoreren.

Het NOCNSF heeft ontegenzeglijk een omslag teweeggebracht en grosso modo geen slechte. Tien jaar geleden was het nog ondenkbaar dat de Olympische sportbonden door het Nederlands Olympisch Comité een bijna uniforme aanpak kregen voorgeschreven, laat staan dat ze zich klakkeloos schikten. Elke bond had een eigen cultuur, een eigen verantwoordelijkheid. Maar wat de topsport betreft zijn in korte tijd totaal andere verhoudingen ontstaan. Het NOCNSF bepaalt nu de grote lijn, en alleen als de bonden zich daaraan houden, mogen ze de eigen details invullen.

Parallel met die ontwikkeling loopt de plotseling ontwaakte nooddruft bij de Olympische bonden om zich positief, dynamisch, zelfbewust, marktgericht, consumentvriendelijk en als het even (erger) kan, ook zeer optimistisch te presenteren. De zwembond heeft daar natuurlijk moeite mee. Sinds de Spelen van 1992 in Barcelona volgde het ene fiasco op het andere en de nieuwe wegbereiders, coördinator Ad Roskam en bondscoach René Dekker (die sinds februari in volledige dienst is) zijn dan ook van het bescheiden soort.

Maar het gevecht om een vooraanstaander positie van het zwemmen schuwen ze niet. Daar waar iedere zichzelf respecterende bond inmiddels het aantal titeltoernooien, gala's en Grand Prix' tot in het absurde heeft doen toenemen, kon de KNZB natuurlijk niet achterblijven. Vandaar ook een nationaal sprintkampioenschap zoals afgelopen weekeinde in Emmen. Eén Olympisch onderdeel was erbij (de 50 meter vrije slag, gewonnen door Inge de Bruijn en Pieter van de Hoogenband), maar onder aanvoering van de PSV-anhang moest het hele toernooi carnaval worden. En als er maar hard genoeg wordt gejoeld, geknuffeld en bemoedigd, dan gebeurt dat ook. Kermis móet het zijn en kermis zál het zijn.

Maar kermis is het voorlopig niet, waar het gaat om de 'Kernploeg Atlanta '96' die zaterdag werd gepresenteerd. Daarin doken namen op van zwemmers zonder enige internationale statuur, terwijl toppers als Karin Brienesse of Marianne Muis werd aangezegd dat ze eerst maar weer eens moeten presteren of zich moeten committeren aan de vereiste 'loopbaan-planning'.

Karin Brienesse heeft de meeste reden zich gepasseerd of verjaagd te voelen. Ze droeg vorig jaar zorg voor één van de slechts drie finaleplaatsen die de KNZB-afvaardiging afdwong bij de WK van Rome. De andere twee waren voor Inge de Bruijn en Angela Postma, die wel deel uitmaken van de elfhoofdige Atlanta-selectie.

Brienesse was ooit de privé-pupil van Ad Roskam maar na hun onderlinge verwijdering is de Friezin voor steeds meer clubs en trainers gaan gelden als een zwemster met wie geen land valt te bezeilen. Onlangs werd ze ook al weer weggezonden door Ad van van der Ven, de wetenschapper/trainer die nauw betrokken is bij de hoogtestages van de KNZB. Brienesse heeft inmiddels onderdak gevonden bij DWK, waar coach André Cats eveneens de nodige voorwaarden stelde.

Brienesse liep intussen een dusdanige trainingsachterstand op dat ze in Emmen al helemaal niet verscheen. De eis van een verantwoorde 'loopbaan-planning' die Roskam en Dekker aan kandidaten voor de Olympische kernploeg stelden, lijkt bepaald niet op de laatste plaats afgestemd op het gedrag van de wispelturige en vaak heetgebakerde Friezin.

Maar ook anderen moeten zich 'geprikkeld' voelen zoals trouwens de bedoeling was van Roskam en Dekker. Caspar van Dam, die zaterdag het Nederlands record op de 50 vlinder evenaarde (waarna het in de finale alsnog verpulverd werd door Van de Hoogenband), was ook uiterst teleurgesteld, om niet te zeggen vol wrok. Niet eens een verklarende brief had hij ontvangen. Ron Dekker behaalde zjn 61ste nationale titel - over inflatie gesproken - en ook hij valt voorlopig tussen wal en schip.

Het zou allemaal heel eenvoudig zijn geweest als de critera voor opname in de Atlanta-selectie geen ruimte hadden gelaten voor misverstanden. Twee maatstaven werden aangelegd: de positie op de internationale ranglijst en een voortdurende, grote inzet. In dat laatste zit 'm natuurlijk de kneep. Want hoe is die inzet meetbaar? Het enige concrete dat Roskam er zaterdag over kon zeggen was dat hij geen zwemmers in de kernploeg wenst die slechts anderhalf uur per dag voor de topsport beschikbaar hebben.

Er is een reeks 'intensieve' gesprekken gevoerd over de 'loopbaan-planning' en volgens de KNZB kunnen Van Dam, Brienesse of Marianne Muis alsnog in de kernploeg terecht komen als ze de vereiste prestaties leveren en dus meer dan anderhalf uur per dag in het water beloven te liggen. Want andere duidelijke richtlijnen of eisen zijn er niet. Of het moet al de verplichting zijn om een logboek bij te houden.

De KNZB streeft een 'integrale topsport-begeleiding' na, ook al één van de begrippen die de Olympische sportbonden noodgedwongen maar terecht bijna voltallig hebben geadopteerd. Er mag niet langer nog kennis worden verspild en geen dubbel werk meer worden verricht. Prioriteit heeft het ontdekken van 'zwakke punten' bij zwemmers, want zoals Roskam zei: 'Het kenmerk van veel topsporters is dat ze zich niet bewust zijn van die zwakke punten.' Hij had ook kunnen zeggen: 'Het kenmerk van topsporters is dat ze hun zwakke punten zeer goed kennen en in dat opzicht zijn veel zwemmers zeker geen topsporter.' Maar met deze zelfreflectie krijg je geen Olympische pecunia.

Het gaat er om een overtuigend model te vinden en de KNZB hoefde het niet eens zelf te ontwikkelen. Want in het wilde weg en zonder bondssteun ontstond dat model in Eindhoven. Het begon met een smal, gestroomlijnd jongetje, Pieter van de Hoogenband, die furore maakte bij de Europese jeugdkampioenschappen en uiteindelijk een hele club (PSV) op drift kreeg. Niet in de laatste plaats ook door de inzet van zijn ouders. Vader is clubarts van PSV-voetbal, moeder vormt met Jacco Verhaeren de trainersstaf van PSV-zwemmen.

De Eindhovense club wordt intussen financieel ondersteund door een florerende stichting en oefent een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit op steeds meer talenten. Ook Inge de Bruijn, die in Emmen drie titels veroverde, maakt inmiddels al deel uit van de brigade en talloze clubs vrezen dat het Eindhovense bolwerk alleen maar aanlokkelijker wordt. De KNZB werkte die vrees in de hand door het Atlanta-model vooral op 'Eindhoven' te enten.

Zeven van de elf leden die de Kernploeg Atlanta telt, bevinden zich in de gelederen van PSV. Dat komt vooral omdat vier PSV-zwemmers zijn geselecteerd die in samenwerking met clubgenoot Van de Hoogenband worden geacht in estafetteverband een Olympische finale te kunnen halen, op zowel de 4x100 als 4x200 meter vrije slag. De enige statistische grondslag voor die aanwijzing is dat het (beste) PSV-kwartet op de korte baan internationaal een inderdaad zeer vooraanstaande (vierde) ranglijstpositie bekleedt. Maar enige garantie voor Olympisch succes is dat niet.

Het is een 'stabiele ploeg', voegde Roskam eraan toe en daarmee werden de vrouwen fijntjes op hun grootste tekortkoming gewezen. Zij hebben kennelijk de impliciete opdracht grkregen de naijver door werklust en de bezadigdheid door nieuw elan te vervangen. En anders kunnen ze ophoepelen.

Het gevolg is dat de balans in de Kernploeg Atlanta '96 lijkt te ontbreken. Volstrekte anonymi als Rob Onderwijzer of Pie Geelen (na een Amerikaans verblijf werd die overigens al Nederlands winterkampioen) hebben voorrang gekregen boven een aantal (vrouwelijke) renommé's. Dat lijkt eerder op een beloning voor de werkwijze bij PSV dan op een zuivere meting van prestaties.

Maar zo funest en dramatisch is het voor de afvallers (die tenslotte blijven behoren tot de A-selectie) ook weer niet. De voorlopige Atlanta-kandidaten krijgen iets meer wetenschappelijke begeleiding en tot de Olympische Spelen drie hoogtestages, maar enig geldelijk gewin is er niet bij. De 'status' moet de grootste stimulans zijn. Roskam: 'Onze eerste zorg is niet of de Olympische Spelen worden gehaald. Die klassieke Nederlandse fout willen we niet maken. De eerste zorg is: hoe presteren we in Atlanta zelf zo goed mogelijk?'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden