InterviewMartje van der Brug

‘Anderen dachten dat ze beter wisten wat goed voor mijn moeder was. Maar zij zei: ik wil naar huis en dan wil ik dood’

Martje van der Brug: ‘Ik beloofde haar: al moet ik ervoor naar de gevangenis, ik zorg ervoor dat het gebeurt.’ Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant
Martje van der Brug: ‘Ik beloofde haar: al moet ik ervoor naar de gevangenis, ik zorg ervoor dat het gebeurt.’Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant

Als haar moeder (86) na een hersenbloeding verlamd raakt en alleen nog kan praten, is het enige wat ze haar arts vraagt om op een humane manier te mogen sterven: ‘Het is mooi geweest.’ Het gevecht dat dan begint, is voor dochter Martje van der Brug reden om vrijdag met dertig anderen in een rechtszaak te eisen dat er een legaal laatstewilmiddel verkrijgbaar wordt in Nederland.

‘Voor het eerst in mijn leven’, zegt schrijver Martje van der Brug (62), ‘heb ik het gevoel dat ik iets doe wat groter is dan ikzelf.’

Van der Brug is een van de dertig Nederlanders die meedoen aan het proces van de Coöperatie Laatste Wil tegen de staat. Inzet is een principiële kwestie: de 31 eisers willen dat het mogelijk wordt in eigen regie op humane wijze een einde te maken aan het leven. Met een legaal verkrijgbaar laatstewilmiddel.

‘Misschien leef ik niet eens lang genoeg om het einde van de rechtszaak mee te maken’, zegt ze. ‘Zo’n bodemprocedure kan jaren duren. Maar als ik hier iets aan bijdraag, dan ben ik daar trots op. Dit is voor zo veel mensen zó belangrijk.’

Het is april 2017 als Martje van der Brug een telefoontje krijgt: haar 86-jarige moeder heeft een hersenbloeding gehad. Het is de tweede in korte tijd en het is ernstig: haar benen zijn verlamd, en ook haar armen kan ze nauwelijks meer bewegen. Alleen praten – dat lukt wel. Het gesprek met de neuroloog in het ziekenhuis kan Van der Brug zich nog woordelijk herinneren.

‘Het is mooi geweest’, zegt haar moeder tegen de neuroloog. ‘Ik wil euthanasie.’

Maar de neuroloog denkt daar anders over. ‘Ik denk dat u nog revalideerbaar bent, mevrouw’, zegt hij. ‘Ik verwijs u naar een revalidatie-oord.’

‘Zal ik daarna weer zelfstandig kunnen leven?’, vraagt haar moeder. ‘Of kunnen lopen?’

Nee, zegt de arts, dan vraagt u het onmogelijke. ‘Maar u zult wel wat meer controle hebben over uw benen dan nu. En uw arm wordt misschien ook wat beter.’

Haar moeder is een intelligente, daadkrachtige vrouw. Ze spreekt vele talen, woonde jaren in Iran, de VS, Canada en Curaçao, rondde meerdere universitaire studies af, vertaalde artikelen uit Amerikaanse kranten voor NRC Handelsblad. Als de arts een lang verhaal begint te houden over het belang van revalidatie, onderbreekt ze hem. Ze wil geen leven waarin ze afhankelijk is van anderen en waarin ze nooit meer kan lopen. Het is klaar, vindt ze.

‘Bullshit’, zegt ze tegen de neuroloog. ‘Geef me gewoon een indicatie waarmee ik hier weg kan.’

Maar de arts is onvermurwbaar. Als er verbetering mogelijk is, dan wil hij dat proberen.

‘U laat me dus stikken?’, zegt ze.

Wilt u dit artikel liever beluisteren? Hieronder staat de door Blendle voorgelezen versie.

Starend naar het plafond

‘Die neuroloog was een vrij jonge arts’, zegt Van der Brug. ‘Het was geen kwade wil. Maar mijn moeder zei gewoon: ik wil naar huis en dan wil ik dood. Ze heeft hem daarna consequent ‘die student’ genoemd. Ze was een vrouw van 86. Ze voelde zich niet serieus genomen. Ze stoorde zich eraan dat hij dacht te weten wat goed voor haar was. Dat ze afhankelijk van hem was.’

Als familie van vier kinderen hebben ze een geschiedenis. Toen hun vader jaren daarvoor terminaal ziek werd, verschilden ze hevig van mening over de weg die hij moest volgen. Maar nu zijn ze eensgezind: ‘We zeiden: we gaan doen wat mama wil, wát het ook is.’

Tegen het advies van de neuroloog plaatsen ze hun moeder in een verpleeghuis. ‘Feitelijk huurden we daar een kamer voor haar’, zegt Van der Brug. ‘Tegen hoteltarief.’

Daar ligt haar moeder de hele dag op haar rug en staart ze naar het plafond. Met een tillift moet ze uit bed worden gehaald. Haar handen werken zo slecht dat ze haar telefoon niet zelf kan bedienen. Ze kan niet lezen, zelfs tv kijken lukt niet. Ze heeft zo weinig te doen dat ze aan de voetstappen op de gang hoort wie er aankomt. ‘Ze zei: als ik niet doodga, dan lig ik hier over tien jaar nog.’

Het maakt haar dochter vastbesloten. ‘Ik beloofde haar: al moet ik ervoor naar de gevangenis, ik zorg ervoor dat het gebeurt. Onderling zeiden we: al moet het met een kussen, we doen dit. Al weet ik niet of ik dat echt had gekund. Maar ik weet wel zeker dat ik naar illegale middelen had gegrepen, als dat nodig was geweest.’

Ondertussen voert haar moeder gesprekken met de huisarts over euthanasie. ‘Hij had tegen haar gezegd: ik ga je helpen.’ Het is het begin van een zwaar traject, zegt Van der Brug. ‘Mijn moeder had het gevoel dat ze door allerlei hoepels moest springen. Alsof ze telkens opnieuw examen moest doen.’ Zo moet ze tóch revalideren, om te onderzoeken of er echt geen vooruitgang mogelijk is. Ook komt de psychiater bij haar langs.

‘Heb ik een depressie dan?’, zegt haar moeder.

‘Nee’, zegt de huisarts. ‘Maar dat moeten we wel heel zeker weten.’

‘Ze realiseerde zich dat ze zich daar geen slip of the tongue kon veroorloven’, zegt Van der Brug. ‘Ze zei: ik ga niet zeggen dat ik nog steeds van de kleinkinderen geniet. Ze wist dat ze daar zo onthecht mogelijk moest overkomen. En dat ze ook niet moest zeggen dat de boom voor haar raam zo mooi in bloei stond.’

‘Een klap in het gezicht’

Na maanden onderzoek zegt de huisarts: ‘Nu staan alle seinen op groen.’ Maar eerst gaat hij nog op vakantie. Van der Brug: ‘Hij zei: dan kunt u er de komende weken nog eens heel goed over nadenken.’

Ze begrijpt volledig dat de huisarts zijn dossier zo zorgvuldig heeft opgebouwd. ‘Dat móést ook’, zegt ze. En toch zit dit haar dwars. ‘Hij was een fantastische huisarts en ik ben hem eeuwig dankbaar. Hij heeft het nooit geweten, maar voor mijn moeder was het een klap in haar gezicht. Dat ze als een kleuter nóg een keer de opdracht kreeg om na te denken of ze dit echt wel wilde. Maar ze reageerde gelaten. Wat kon ze doen? Ze was afhankelijk.’

En dan moet de SCEN-arts – de tweede, onafhankelijke arts – nog komen. Na een lang, geanimeerd gesprek geeft ook hij groen licht. ‘Dit was het eindexamen voor mijn moeder’, zegt Van der Brug. ‘Eerlijk gezegd denk ik dat dit niet iedereen was gelukt. Een arts moet er wel van overtuigd zijn dat je ondraaglijk lijdt. Mijn moeder was intelligent en bijdehand. Maar als je dat allemaal niet bent, zie dit dan maar eens voor elkaar te krijgen. Dat is rechtsongelijkheid.’

In augustus 2017 krijgt haar moeder euthanasie. ‘Ze gleed heel rustig weg. De huisarts was kapot na afloop. Voor hem was het enorm belastend geweest. Vermoedelijk omdat hij wist dat het risico bestond dat andere artsen het niet eens waren met zijn oordeel dat ze ondraaglijk leed.’

Nachtmerries

Later heeft Van der Brug maandenlang last van nachtmerries. ‘Ik ben 62, kerngezond en ik heb geen enkele reden om dood te willen. Maar ik werd bang. Ik realiseerde me steeds meer dat het leven zomaar om kan slaan. We zijn kwetsbaar. Er hoeft maar dít te gebeuren en je ligt ineens in een bed en je bent het haasje. Dan kun je afhankelijk worden, de controle verliezen over je bestaan. Dat is mijn angst.’

Het is de reden dat ze meedoet aan de rechtszaak voor een humaner levenseinde in eigen regie. ‘Je kunt zeggen: wat zeur je nou? Je moeder heeft toch euthanasie gekregen? Onder de 31 eisers zijn mensen die een verhaal hebben dat veel erger is dan dit. Sommigen verloren hun kind door een gruwelijke zelfdoding.

‘Maar mijn verhaal gaat niet alleen over lijden; het gaat over autonomie. Mijn moeder moest haar lot in handen leggen van goedwillende mensen die konden beslissen dat ze op een woensdag om half twaalf in de ochtend mocht overlijden. Ze hadden ook kunnen beslissen dat het niet mocht. Ze had totaal geen regie meer.

‘Mijn punt is: deze dokters waren niet nodig geweest. Mijn moeder had de artsen hier helemaal niet mee lastig hoeven vallen. Als er een legaal, betrouwbaar middel was geweest, had ze dit rustig zelf in kunnen nemen. Daar had ze mijn hulp bij nodig gehad. Maar ik had geen middel.’

Wit poeder uit China

Na het overlijden van haar moeder gaat ze alsnog op zoek. Met haar man reist ze naar Mexico, speurend naar een dodelijk middel dat in Nederland illegaal is: pentobarbital. ‘Ik ben zeven dierenklinieken af geweest, maar geen dierenarts wilde geloven dat ik een ziek paard had. Eén arts zei zuchtend: u bent al de zoveelste die dit hier probeert.’

Een vriendin van haar bestelde illegaal een wit poeder in China. ‘Dat heeft ze nu in haar naaimandje liggen. Maar ze heeft de echtheid nooit kunnen controleren.’

Voor andere methoden voelt ze niets. ‘Waarom moet ik met een zak over mijn hoofd doodgaan? En de suggestie dat je ook kunt stoppen met eten en drinken – dat vind ik een belediging.’

Het toeval wil dat ze eerder een roman schreef, Wat doen we met moeder?, waarin iets vergelijkbaars gebeurt. ‘Mijn moeder vond die titel destijds vreselijk: zij was toen springlevend. De huisarts belde me later verbijsterd op. Hij zei: heb je dit boek echt hiervóór geschreven?’

Sterven hoort bij het leven, zegt ze. ‘Ik voel me strijdbaar. Dit is een principiële kwestie, iets waar ik voor wil vechten. Ik wil niet tegen elke prijs blijven leven. Waarom zou ik niet zelf mogen beslissen wanneer ik dood wil gaan? Waarom moeten anderen dit voor mij bepalen? Niemand hoeft er zelf een eind aan te maken. Nee, ga vooral je goddelijke gang en blijf leven. Maar mag ik dit alsjeblieft wel?’

Praten over gedachten aan zelf­doding kan bij de crisislijn van 113 Zelfmoordpreventie. Bel 0800-0113 of chat op 113.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden