And All That Jazz

Ik schrijf er zelden of nooit over maar ik ben een groot jazz-liefhebber. Een liefde die zo'n jaar of twintig geleden ontstond toen ik in Antwerpen bij de FNAC eens door een platenbak vlooide en er Blue Train van John Coltrane uit trok. Prachtige hoes, mooi dik karton, een mooie reden om toch eens wat beter te gaan luisteren naar die muziek waar ik nog niet veel mee had.

Een paar jaar eerder had ik al eens voor weinig Kind Of Blue aangeschaft, die plaat van Miles Davis, die iedere jazzliefhebber (terecht) bezit, maar dat was meer omdat ik in de NME had gelezen dat deze tot de beste honderd platen ooit kon worden gerekend.

Ik kon er niet veel mee, en liet jazz nog even een door mij verder onontgonnen terrein. Blue Train beviel al beter, ook omdat ik er in dezelfde tijd een alleraardigst boekje Lost Heroes van Fred van Doorn bij las. Ik ben het kwijtgeraakt dus ik kan het niet checken maar ik herinner me dat hij over Blue Train vooral schreef vanwege trompettist Lee Morgan, en inderdaad vond ik het moment waarop hij begon te soleren prachtig.

Zo bracht Van Doorn me meerdere muzikanten op het spoor (ook de wat bekendere Chet Baker, Gerry Mulligan, en Art Pepper). Het was een tijd waarin er voor een popfanaat als ik was niet zo bar veel gebeurde. The Smiths hadden hielden ermee op, The Pogues vond ik geweldig maar tussen hun tweede en derde plaat gaapte een te lang gat van 2,5 jaar. En dan had je natuurlijk nog Tom Waits, van wie behalve de meesterlijke trilogie Swordfishtrombones, Rain Dogs en Frank's Wild Years ook ouder werk me steeds dierbaarder werd. Platen die erg door jazz waren beinvloed.

Hiphop-platen waren er wel maar nog te weinig, zo in 1987 en 1988, dus er was alle gelegenheid om je eens in andere genres te verdiepen. Dat deed ik, en jazz werd een passie. Ik las biografieen van Charlie Parker en in 1989 die prachtige autobio van Miles Davis en kocht naslagwerken. Ook kocht ik steeds meer platen, of op vinyl of op cd, in beide gevallen niet duur.

Veel platen op Savoy, Verve, Impuse, Prestige en Riverside van Coltrane, Charlie Parker, Sonny Rollins en Charlie Mingus. Mijn voorkeur ging uit naar de periode dat jazz nog akoestisch was, dus voor pakweg 1968. Die voorkeur heb ik nog steeds, en na een tijdlang gedacht te hebben dat ik de mooiste jazzplaten wel had, ontdekte ik een jaar of drie geleden ineens de prachtige reissue serie die Blue Note onder de naam Rudy Van Gelder Edition uitbrengt.

Ze kosten thans slechts 7 euro en iedere paar maanden komt er weer een nieuwe reeks van lang niet verkrijgbare Blue Note-titels, of platen waar je voor de originele vinyl-versie een vermogen voor moet neertellen.

Inmiddels verheug ik me iedere keer op weer zo'n nieuwe reeks titels. De afgelopen jaren heb ik pianist Andrew Hill ontdekt en de vele platen die Lee Morgan onder eigen naam uitbracht (zijn werk met Art Blakey kende ik wel). En zo doe ik iedere keer weer nieuwe ontdekkingen.

Zo viel de naam van trompettist Louis Smith me op toen ik de kersverse cd Live At Newport '58 van Horace Silver kocht. Prachtig geluid, en wat bleek, een maand later verscheen ineens zijn eigen soloplaat Here Comes Louis Smith uit 1957 op cd. Lekker stevig boppen, voor zeven euro met ene Buckshot la Funke' op alt saxofoon. Wist ik meteen waar Branford Marsalis zijn bandnaam van een jaar of wat geleden vandaan had. Want deze La Funke bleek niemand minder dan Cannonball Adderley, (van wie u ook het meeste ongehoord voor weinig kunt kopen) die contractueel niet onder zijn eigen naam mochts spelen.
Die Smith heeft, zo blijkt nu, maar een paar platen gemaakt en is vooral gaan lesgeven. Maar wat een toon!

Ook mooi en voor mij nieuw: de plaat Shades Of Redd van The Freddy Redd Quintet uit 1960. Pianist Redd wordt bijgestaan door saxofonisten Tina Brooks en Jackie McLean (van wie, zo lijkt het, de complete Blue Note catalogus inmiddels voor weinig beschikbaar is) en het openingsnummer The Thespian is van een beklemmende schoonheid.

Ik heb er intens van genoten, vooral toen ik dezer dagen het herdrukte fotoboek Jazz van Ed van der Elsken ter hand nam. Zijn foto's maakte hij tussen 1956 en 1959 bij live-concerten vooral in het Concertgebouw en die zijn prachtig, haast ritmisch gerangschikt. Ook de teksten van onder meer Carmiggelt, die het nog liefdevol heeft over de 'negerband van Illinois Jacquet' en Michiel de Ruyter zijn mooi. Echt een aarader dat boek, en ik moest terugdenken aan die jaren 1987-1989 dat ik fanatiek De Ruyters Jazzgeschiedenis beluisterde. Tijdvak 1953-1958, kan ik me herinneren, is het laatste dat hij heeft kunnen behandelen. (Is die serie eigenlijk al online?).

Wat ik alleen maar wil zeggen pop-, rock- en danceliefhebbers: stel je eens open voor die enorme rijke jazzgeschiedenis. En luister bij het lezen van Jazz bijvoorbeeld naar de ook net opnieuw uitgebrachte (9 euro) Very Saxy waarop vier tenorsaxofonisten (Eddie 'Lockjaw' Davis, Coleman Hawkins, Arnett Cobb en Buddy Tate) niet alleen meesterlijk tegen elkaar inspelen maar ook nog moeten afrekenen met de hardhandig pompende Shirley Scott op Hammond-orgel.

Die plaat komt uit 1959, het jaar dat Jazz werd gepubliceerd. Luister, lees, geniet en besef dat er nog zoveel meer is, gewoon voor weinig te koop......Heerlijk.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden