Amsterdamse archeoloog kraakt oud Byblos-schrift

Tachtig jaar geleden werden in het Libanese Byblos tabletten aangetroffen in een eigenaardig schrift. Een Nederlandse onderzoeker wist er wijs uit te worden....

De Amsterdamse archeoloog Jan Best (69) beweert het meer dan 3.500 jaar oude Byblosschrift te hebben ontcijferd. In het nieuwe nummer van Ugarit-Forschungen, het internationale jaarboek voor de oudheidkunde van Syrië en Palestina, zet Best uiteen hoe hij de code heeft gekraakt. De inscripties met het Byblos-schrift zijn tussen 1928 en 1932 gevonden op twintig tabletten en monumentale stenen bij opgravingen door de Fransman Maurice Dunand op een tempelterrein in Byblos in het huidige Libanon.

Byblos was in de Bronstijd (3000 tot 800 voor Christus) de belangrijkste havenstad van de Levant, het westelijk deel van Azië, tegenwoordig omvat door Israël, de Palestijnse gebieden, Jordanië, Syrië en Libanon. Het was het territorium van de zeevarende Feniciërs, die handel dreven tot in Cornwall en Bohemen.

Dunand maakte na zijn ontdekking jarenlang studie van de tekens, volgens hem een tussenvorm van op Egyptische hiëroglyfen gelijkende pictogrammen en het latere alfabet van de Feniciërs. In zijn boek Byblia Grammata publiceerde Dunand in 1945 een overzicht van de in totaal 114 tekens. Hij waagde zich echter niet aan de interpretatie van de inhoud en aan de aard van de taal.

Na Dunands publicatie volgden diverse pogingen om het schrift te ontcijferen. De Franse oriëntalist Édouard Dhorme gaf in 1946 fonetische transcripties van 75 tekens op basis van het latere Fenicische alfabet, met onbevredigend resultaat. De Amerikaan George Mendenhall boog zich maar liefst 37 jaar over het Byblosschrift voordat hij de resultaten daarvan in 1985 publiceerde. Zijn beschrijving van het ontcijferingsproces was te vaag om door andere wetenschappers te kunnen worden gereconstrueerd. Mendenhalls vertaling leverde bovendien cryptische boodschappen op.

Bronzen tabletten
Archeoloog Jan Best, voormalig docent mediterrane pre- en protohistorie aan de Universiteit van Amsterdam en sinds 1991 buitenuniversitair onderzoeker, maakt nu in Ugarit-Forschungen in detail duidelijk hoe hij de code heeft weten te ontraadselen. Hij heeft zich geconcentreerd op de omvangrijkste inscripties die Dunand opgroef, twee op een tempelterrein gevonden dubbelzijdig beschreven bronzen tabletten, die in de vakliteratuur de letters c en d hebben gekregen. Deze boden de beste aanknopingspunten voor het vinden van namen van machthebbers, goden en steden. ‘Alleen een machtig persoon liet in die tijd iets schrijven op een duurzaam en kostbaar materiaal als brons, om zichzelf te vereeuwigen voor het nageslacht’, zegt Best. ‘Daar zijn meer voorbeelden van bekend op tempelterreinen.’

Hoe ging Best te werk? Allereerst was er de vraag van de schrijfrichting. Die kon hij simpel aflezen uit het vele wit ter linkerzijde bij diverse regels van het hier afgebeelde tablet c: van rechts naar links dus. Het viel Best op dat drie witregels (links) eindigen met hetzelfde teken (een soort A), die ook al aan het begin van de eerste regel staat. Hij vroeg zich af of dat een leesteken kon zijn. ‘Zo kwam ik op het idee dat dit een dubbele punt is, voorafgaand aan een opsomming, en dat het boogje aan het begin van regel 9 en het dubbele boogje aan het begin van regel 7 een komma, respectievelijk een puntkomma zijn. Op tablet d staat aan het begin van een regel met veel wit een rondje, dat ook als tweede teken van rechts in regel 13 van tablet c opduikt en in diverse andere Byblos-teksten staat. ‘Dat rondje is onze punt’, stelt Best.

Met deze interpunctie in het achterhoofd viel de tekst meteen al in handzamer puzzelstukjes uiteen. Best zag dat twee leestekens achter (dus links daarvan) de enkele komma in de eerste regel van tablet c identiek zijn aan de eerste twee tekens van regel 9 van tablet c en dat ze terugkeren in twee regels op tablet d. Het tweede van deze twee tekens komt ook elders op de tabletten voor. Best zag ineens een parallel met het Lineair A, een Kretenzisch schrift waarmee hij zich eerder intensief heeft beziggehouden. ‘Dat Lineair A bevat de klankwoordencombinaties u-ya en wa-ya, voegwoorden die allebei ‘en’ betekenen. Met dit gegeven kon ik de tekst verder opdelen en invullen, omdat ik ook tekens tegenkwam die ik herkende uit het Kretenzisch en het Egyptisch Hiëroglyfisch.’

De ontcijfering kwam hierna als omvallende dominostenen tot stand, vergemakkelijkt door het opdoemen van klankwaarden van delen van historische namen in de tekst. Tablet c bevat volgens Best onder meer de boodschap dat Ammitaku, koning van Alalakh (in het huidige Zuid-Turkije), dit tablet heeft geschonken aan de tempel van de Indo-Arische godheid Suruya. Tablet d is geschonken door Yarimlim, koning van Yamkhad (in het huidige Noord-Syrië) met als hoofdstad Aleppo. Twee verschillende schenkers dus, wat verklaart dat de tabletten duidelijk in een ander handschrift zijn geschreven.

De teksten werpen onverwachts nieuw licht op de historische situatie in de tweede helft van de zestiende eeuw voor Christus. Uit andere bronnen is bekend dat de Hettieten tussen 1650 en 1550 voor Christus eerst Alalakh op koning Ammitaku hebben veroverd en verwoest, en twintig jaar later ook Aleppo van koning Yarimlim hebben ingenomen. De Byblos-tabletten wijzen er volgens Best op dat deze twee koningen hebben gedongen naar bescherming van de Egyptische farao door in Byblos, de hoofdstad van het toenmalige Egyptische protectoraat Retenu, een tempel te laten bouwen ter ere van zonnegod Suruya, de lokale tegenhanger van de Egyptische zonnegod Amon-Re. ‘Zij kozen deze god om te laten zien dat zij eigenlijk dezelfde god vereerden als hun beschermheer. Maar hun actie heeft dus niet mogen baten.’

Door het Byblos-schrift te identificeren als een Semitische taal, bij de ontcijfering gesteund door klankwaarden uit het Lineair A, ziet Best zich gesterkt in zijn opvatting dat ook het op Kreta gevonden Lineair A een Semitische taal is en dat de – vermeende – ‘bakermat van de Europese beschaving op Kreta’ niet in splendid isolation tot stand is gekomen. Dat idee kwam hem in 2002 op badinerende uitspraken te staan in NRC Handelsblad, waarin de (inmiddels overleden) hoogleraar Griekse taalkunde Kees Ruijgh hem als ‘charlatan’ bestempelde. Met zijn ontcijfering van het Byblos-schrift beleeft Best nu dus in dubbel opzicht zijn finest hour.

Afrekening
Dit najaar verschijnt bij uitgeverij Prometheus zijn boek Het Byblosschrift ontcijferd. Daarin schetst Best hoe hij aan de hand van het credo van zijn leermeester archeoloog Willem Glasbergen – observeren, registreren, interpreteren, identificeren – van onderzoek in Cornwall via Kreta in Byblos kon belanden. In zijn boek zal hij ook afrekenen met graeci die hem hebben beschimpt. Het belooft een interessante botsing te worden tussen gevestigde universitaire wetenschappers en ‘café-wetenschapper’ Jan Best, die al vele jaren met de amateur-onderzoekers Winfried Achterberg, Kees Enzler en Lia Rietveld publiceert onder de naam Alverna Research Group, vernoemd naar het Amsterdamse grand café waar ze maandelijks hun vorderingen bespreken aan de stamtafel.

Hoofdredacteur dr. Kai Metzler van Ugarit-Forschungen, specialist in oude Semitische talen, noemt Bests artikel een ‘interessante poging’ om de discussie over het Byblos-schrift verder te helpen. ‘Of hij het Byblos-schrift werkelijk definitief heeft ontcijferd, is lastig te zeggen, mede omdat er weinig teksten bewaard zijn gebleven vergeleken met talen als Akkadisch en Oegaritisch. Behalve hij en de Alverna Research Group heeft niemand zich de afgelopen jaren verdiept in dit schrift. Bests wijze van redeneren is in elk geval wetenschappelijk, maar ons vakgebied is nu eenmaal geen natuurwetenschap.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.