Amoureus, boertig en aandachtig

Interviewers pleegt hij om de tuin te leiden, zijn exegeten piekeren zich suf. Op 5 april wordt Hugo Claus 75....

Zuster Econome kent alle geheimen, en schrijft ze ook nog op. Dat maakt haar tot een mysterieuze, bijna mythische figuur in de ogen van Louis Seynaeve, de elfjarige leerling op een nonnen internaat en hoofdpersoon uit het magnum opus van Hugo Claus, Het verdriet van Belgi1983). In het vierde hoofdstuk laat Claus de jongen met zijn leeftijdgenoten fluisteren over de altoos pennende zuster. Iedere zaterdagavond vult Econome het Reglementenboek aan, in kalfsleer gebonden en met koperen hoeken afgeboord, dat geen leerling ooit heeft mogen inkijken maar dat de zusters bij het miniemste twistpunt al consulteren.

Alles zou erin staan. Hoe ver over de knie een korte broek mag; hoe je de nooit aflatende vijand kan bedwingen met gezang, of hem afweren met gebeden; hoe de duivels eruitzien, 'met annex de land- en luchtkaarten waar je ze kunt aantreffen als je een beetje geluk - of ongeluk - hebt, want de meesten hangen wat rond in de mist'. En dan registreert Econome daarnaast in aparte cahiers alles over de leerlingen, plus wat er in het dorp gebeurt .

Seynaeve is erdoor gefascineerd. Wie alles kan opschrijven, van het onooglijk lage tot het onzichtbaar hoge, bezit macht. Later wil hij schrijver worden, en verderop in Het verdriet van Belgilijken de eerste driehonderd van de achthonderd pagina's tellende roman het autobiografische debuut van Seynaeve te zijn, Het verdriet, voltooid in 'november '47'. Het tweede deel heet vanzelf Van Belgien tezamen vormen die delen een breed uitwaaierende polyfonie waarin Hugo Claus als een eigenzinnige leerling van zuster Econome es opschrijft, zodat het verhaal over de jonge Louis Seynaeve uitgroeit tot een kleurrijk portret van zijn vaderland in de jaren 1939-1947. Het geloof, de oorlog, de welig tierende collaboratie, de angsten en verlangens van een jongen uit een bonte familie worden exemplarisch voor een tijdvak. En iedereen mag het boek inkijken.

Voor zijn posche en tegelijk rauwe stemmenspel crede Claus een apart dialect, een niet-bestaande taal (die zijn vertalers tot desperate acrobatiek zou noodzaken) waardoor hij zich niet hoefde neer te leggen bij een realistische weergave van gebeurtenissen en dialogen. Door een sluwe vermenging van registers wist hij een elixer te fabriceren waardoor er vonken van magie konden knetteren. Uit vodden en vroomheden schiep hij een taal waarmee hij de ontpopping van zijn alter ego kon beschrijven, telg van een eeuw waarin de mens versplinterde en in de puinhopen van na de oorlog ervoer dat hij wellicht kon uitbreken uit de gevangenis van internaat, gezin, kerk, afkomst - maar dat die vrijheid ook inhield dat hij voorgoed van god los was, vogelvrij voorthinkend over een slagveld, zijn medemensen gade slaand met rauwe deernis. Gelukkig rest hem de taal, waarin de liefde zich nog bezingen laat, als het meezit. Maar nooit zal dat lied volmaakt sereen en ongehavend opklinken.

Met hoeveel geestige contradicties hij interviewers ook het bos in heeft gestuurd (1981: 'Ik behoor tot de mensen die vinden dat een engagement absoluut moet'; 1983: 'Ik wantrouw ten zeerste de schrijver met engagement'), ze nu eens afschepend met aperte onwaarheden (1985: 'Mijn bijbelkennis is nihil') en ze dan weer verrassend met een openhartige bui (1994: 'Toneel is een onzuivere vorm, en die onzuiverheid geeft me een gevoel van veiligheid. In poe geeft iemand zich'), voortdurend houdt hij de vragenstellers voor dat ze het in het oeuvre moeten zoeken. Niet bij de maker, die hooguit zijn 'waarheid van het ogenblik' kan bieden.

Een zinnig advies, dat zich evenwel niet zo eenvoudig laat opvolgen, gegeven de gigantische omvang van het onevenwichtige oeuvre, maar vooral gezien de intrinsieke meerduidigheid ervan. Veel Claus-exegeten uit Nederland en Belgiijn verstrikt geraakt in het uitpluizen van de veelsoortige bronnen die de meester in zijn verhalen, romans, toneelstukken en gedichten prudent heeft geconsulteerd of schaamteloos geplunderd.

In de facsimile-editie die in 1993 verscheen bij het vijftigjarig jubileum van de ongenaarde enigmatische liefdespoe van De Oostakkerse gedichten, lichtte Claus een tipje van de sluier op door zijn beschouwers een blik te gunnen op de aantekeningen die hij destijds in zijn persoonlijke exemplaar had gemaakt: zowel William Blake als Karel van de Woestijne, Vergilius, Victor Hugo en 'de verlaten steden in de woestijn in cowboy-films' bleken hem te hebben gepireerd. 'In tegenstelling tot wat de eerste critici dachten', schrijft Paul Claes in zijn nawoord bij die editie, 'drijven deze gedichten dus niet op spontane associaties, maar op bestudeerde zinspelingen.' Waarna hij de lezer aanspoort deze verzen te gaan ontraadselen als een rebus of cryptogram.

Het is de vraag of dat lukt, maar meer nog: of dergelijk erudiet gepuzzel de ongehoorde kracht van deze poe wel ten goede komt. Natuurlijk, men mag weten dat er mythen in resoneren, inzonderheid die van Oidipous (waarvan het hele oeuvre is doordesemd), maar de directe sensatie van voze noblesse die je opdoet bij de lectuur, mag nooit verzonken raken onder bijgedachten aan de onontwarbare kluwen van allusies: 'En de kringloop eindigt niet./ Ons bloed verandert niet./ Gij, die spant als een panter,/ En ik, die schiet in lemmer en spies,/ Wij betalen tol en worden een seizoen.' Ook zonder cryptogrammendokter bij de hand word je door Claus bij de kladden gegrepen en laat hij je zien hoe de dichter zich aan de liefde en de taal vastgrijpt om aan de klem van jeugd, burgerlijk provincialisme en benauwend katholicisme te ontsnappen.

Hij jongleert met de klassieken, onder wie Shakespeare, wiens sonnetten Claus in 1988 zodanig omgooide en naar zich toe trok, dat bijvoorbeeld nummer 66 'de gestalte krijgt van een zwakke vertaling van Claus' sonnet', zoals J.H. de Roder onlangs opmerkte in het tijdschrift Armada. Geen moment met smetvrees behept, slaagt Claus er op zijn beste momenten in de erfenis naar deze tijd te sleuren, er al experimenterend een stofvrij bestaan aan te schenken. Zonder kleerscheuren verloopt die operatie niet, want we zijn en blijven verscheurd tot op het bot - maar door het tonen van de breuklijn in gedichten en proza dat met rafels is afgeboord in plaats van met koperen hoeken, komt er teen vergezicht op een verband. De groten van weleer gonzen en echomee, aldus duidelijk makend dat zij niet teloor zijn gegaan. Claus is hun klankbord en geeft ze aan de poe terug, in een gedaante die even schrikken is, maar een onweerstaanbare vitaliteit ademt.

Dit komt uit 'Envoi': 'Mijn verzen neuken niet klassiek,/ zij brabbelen ordinair of brallen al te nobel (. . .). Ga nu, verzen, op jullie lichte voeten,/ jullie hebben niet hard getrapt op de oude aarde/ waar de graven lachen als zij hun gasten zien,/ het ene lijk gestapeld op het andere./ Ga nu en wankel naar haar/ die ik niet ken.'

O

nbekrompen, theatraal, grotesk, gulzig en gul - ook met flaters; de Nobelprijscommissie moest liever niet es lezen - heeft Claus zich ten volle gegeven. Hoewel het hem aan erkenning bepaald niet heeft ontbroken, vanaf De Metsiers waarmee hij in 1950 als wonderkind debuteerde, is zijn verhouding met de kritiek altijd weerspannig geweest, ook nadat de felle verguizing uit streng-katholieke hoek met de jaren slonk tot vals gekras in de marge. Niemand toch die in januari van dit jaar de Vlaamse kardinaal Joos serieus nam toen deze studievriend van de paus nota bene tegenover een blootblad Claus tot 'smeerlap' uitriep, reden waarom Joos hem dan ook n las.

Minstens zo ergerlijk als deze folkloristische uitwassen zijn de jubelkreten van hielenlikkers uit de kunstwereld, die alles goed vinden, ook als het niet goed is, omdat het nu eenmaal van Claus is, of nog stuitender: van Hugo. In de roman Een zachte vernieling (1988) laat Claus de verteller Andraertens in het Parijs van de jaren vijftig in recordtijd een serie chaotische gnomen tekenen. Korte tijd later kan hij honderdduizend frank komen ophalen bij een galeriehouder die zijn gestuntel 'een nieuwe trend' noemt. Andrs glad vergeten de tekeningen te signeren (heel slim, hoort hij dan, want ook Picasso ondertekende zijn schilderijen pas als ze waren verkocht), en wat erger is: doordat hij ze evenmin heeft gefixeerd, blijken de kleuren te zijn verwaaid, de gnomen vervaagd tot ijle vegen. Het pastelkrijt is verstoven. Maar de galeriehouder zegt trots: 'Jij en ik gaan zaken doen.'

Er zijn nogal wat critici die aan deze zakenman doen denken als ze amechtig van admiratie Claus hun hemel in prijzen. Zij zien zijn spelletjes als geniale parodie, of roemen zijn moed om flutrijmen af te leveren. 'Ik loens/ in het bargoens', verzucht hij tot drie keer toe in de nieuwe bundel In geval van nood. Dat is driewerf niks, net als 'Het knopje van je roosje/ Het duiveltje in je doosje' of 'Zoals je mij ooit kuste/ aan de Belgische kust.' De bundel wordt gekenmerkt door kortademigheid, de sluizen naar de moppigheid gaan wijd open, en dat de dichter zichzelf traditiegetrouw bespot als een loensende stamelaar krijgt dan iets hopeloos kokets. Veel fragmentatie, nog maar weinig krolse bronst en zompige glorie. Hoewel hij er met een koninklijk liefdesgedicht als 'Die andere droom' wederom in slaagt zich op te werken 'van miserabel naar mirakel'.

In 1963 schreef Claus voor de BRT-radio een beschouwing over poe: 'Tussen het dialect van de man in de straat, met wie ik converseer, en mijn woorden is een te grote afstand geraakt. (. . .) Al te gauw wordt aangenomen dat een gedicht onmiddellijk zijn weg zou moeten vinden in het hart of de ziel van de lezer als een heet mes in boter. Dat doet een goed gedicht niet zolang de lezer niet op de hoogte is van het gedicht, en daarvoor is er onmiddellijke ontroerbaarheid nodig vanwege de lezer, zeker, maar ook kennis en aandacht en een ontroerbaarheid van een zeker allooi.'

In zijn proza, toneelstukken en poe herstelt Claus de daar gesignaleerde afstand door die geheel eigen samenvoeging van stemmen en registers. Niettemin blijven de flarden soms dommige flarden, maar op genoeg andere momenten is zijn werk, om met Bredero te spreken, tegelijk 'amoreus', 'boertig' en 'aendachtig'. Met hoeveel meesterschap hij ook poseren kan als de ongrijpbare en dus onbegrepene die zijn verzen schrijft 'voor twaalf lezers/ en een snurkende recensent', er is een top lijst samen te stellen van Claus-klassiekers die tienduizenden lezers in de afgelopen halve eeuw hebben geraakt voor het leven: het toneelstuk Een bruid in de morgen ('Zoals andere mensen bruin of zwart of blond haar hebben, dragen wij ongelukken met ons mee'), De Oostakkerse gedichten, de fabelachtige melancholie van de gedichtencycli 'Het graf van Pernath' en 'Nu nog', het titelverhaal uit De mensen hiernaast, Het verdriet van Belgien tal van afzonderlijke gedichten als 'Envoi', 'Behoud', 'Die andere droom' en natuurlijk 'Dichter': 'Adieu schrijven de dichters een leven lang/ En vergrijzend als lavendel in november/ Blijven zij, gangreen en grap en raadsel,/ Erbarmelijk bedelen om mededogen,/ Zoals ik voor de sleet op mijn oren en ogen/ Die jou beminden, beminnen.'

Alles uiteindelijk gericht tot 'haar, die ik niet ken': gij, de vrouw, de geliefde, de moeder, de aarde, de Muze, de godin (maar niet: de non, of het moet zuster Mechtild zijn uit de met voelbaar medeleven opgetekende, ijlende monoloog 'De verzoeking', en heel misschien ook de al schrijvende esbeherende zuster Econome). Zij kan ook de liefde zelf zijn, of de nimmer te blussen begeerte.

Maar wie zij ook moge zijn, de adressante van zijn poste restante, Hugo Claus heeft haar niet tekortgedaan.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden