Amerika is niet meer het lichtend voorbeeld

Donald Trump en Bernie Sanders zijn elkaars tegenstrevers, maar op een opmerkelijk punt zijn ze het eens: de Verenigde Staten staan er belabberd voor.

Beeld Arno Bosma

Het asfalt ziet eruit als afgescheurd karton. De lijnen van de parkeervakken houden abrupt op bij de rafels; vijftien meter lager zijn nog wat losse eindjes zichtbaar op een paar stukken wegdek die uit de stortvloed van aarde steken. Een zanderige auto staat onbereikbaar geparkeerd op het dak van een loods die bedolven is door de aardverschuiving.

Deze puinhoop was tot vorige week donderdag onderdeel van een viaduct in de Amerikaanse stad Harrisburg. Het is een oud betonnen bouwsel dat bedrijfsterreinen en een spoorwegemplacement overbrugt en zo de arme wijk Allison Hill met het centrum van de stad verbindt. Maar op een gegeven moment viel er een regendruppel te veel. En zakte het fundament weg.

'Het was zo'n herrie, ik dacht dat dit het einde was', zegt Tasha Arks, die op een bankje op haar veranda zit. Het huis staat op een vergelijkbare plek als de ingestorte parkeerplaats, direct naast de brug maar dan aan de overkant van de straat. De jonge zwarte vrouw kijkt naar de hekken die mensen weg moeten houden van het gevaar, maar het gevaar is veel groter dan de hekken aangeven. 'Het einde kan nog steeds komen', mompelt haar vriend Larry Brown. 'Wat daar gebeurd is kan hier ook gebeuren. De brug is ouder dan wij drieën bij elkaar. Op een gegeven moment stort alles in.'

Dit is modern Amerika. Alleen al in de staat Pennsylvania, waarvan Harrisburg de hoofdstad is, zijn volgens een recente inventarisatie bijna vijfduizend bruggen 'structureel gebrekkig': ruim één op de vijf. In het hele land zijn er zeshonderd bezweken, sinds 1989. Bijna zestigduizend bruggen moeten worden gerepareerd. Samen hebben ze een lengte van New York tot Miami.

En dan heb je ook nog de wegen zelf met hun gaten, scheuren en verkruimelende bermen, en de spoorlijnen en de vliegvelden en de ondergrondse netwerken van rioleringen, kabels en waterleidingen die lekken en breken of te klein zijn geworden. De Amerikaanse vereniging van civiel ingenieurs gaf ze een lelijke onvoldoende, in een rapport drie jaar geleden. Obama wist vorig jaar voor de komende vijf jaar 300 miljard dollar los te peuteren bij het Congres, maar volgens deskundigen is er 3.600 miljard nodig. Alles heeft groot onderhoud nodig. Groots onderhoud.

Kreupel Amerika

Dit is waar Donald Trump het over heeft als hij zegt dat hij Amerika weer groots wil maken. Dit is waar hij het over heeft, als hij Amerika 'kreupel' noemt. 'Onze infrastructuur valt uit elkaar', is een van zijn standaarduitspraken op campagne. 'Als ik uit China kom, of uit Qatar, met die grote glanzende vliegvelden, schoon en efficiënt, en dan aankom in Amerika, lijkt het alsof ik in een derdewereldland terechtkom.'

Een presidentskandidaat die Amerika een derdewereldland noemt: het went, maar het is in naoorlogs Amerika hoogst ongebruikelijk dat een politicus hardop zegt dat het land het slechter doet dan andere landen. Trumps retoriek is simplistisch, met zijn verdeling van de wereld in winnaars en verliezers, maar hij zegt wel dat andere landen het beter voor elkaar hebben dan de Verenigde Staten. Soms door vals te spelen, zoals China dat zijn wisselkoers kunstmatig laag houdt, maar ook gewoon doordat ze andere keuzes maken. Betere keuzes.

'Europa en China besteden tot 9 procent van hun nationaal inkomen aan infrastructuur', schrijft Trump bijvoorbeeld in zijn boek Crippled America (waarin hij ook Nederland expliciet noemt als land dat het beter doet). 'Wij 2,4 procent.'

Donald Trump.Beeld Hollandse Hoogte

Internationale aanfluiting

Trump is niet de enige die het land afvalt. Bij de Democraten noemt Bernie Sanders Zweden en Denemarken als lichtende voorbeelden op bijna alle gebieden die ertoe doen: onderwijs, gezondheidzorg, minimumloon en ouderschapsverlof. Amerika hobbelt er niet eens zomaar een beetje achteraan, nee, Amerika heeft het echt niet begrepen, volgens Sanders. Amerika is het enige land in de westerse wereld waar je zelf je zorgverzekeringen moet betalen, het enige land waar je 50 duizend dollar per jaar collegegeld betaalt, het enige land waar ouders geen vrij krijgen nadat een baby is geboren. 'Een internationale aanfluiting', dat is wat Sanders van Amerika vindt.

Journalisten reageerden misprijzend. U wilt van Amerika een Scandinavisch land maken, constateerde een interviewer eerder dit jaar. Sanders: 'Dat is juist. Dat is juist. En wat is daar mis mee? Wat is er mis met een betere verdeling van de rijkdom? Wat is er mis met een sterkere middenklasse, een hoger minimumloon, en een sterker milieubeleid?'

Amerika is, met andere woorden, het beloofde land niet meer. Trump en Sanders zeggen het en dat niet alleen: ze zijn er enorm populair mee geworden. Kennelijk zijn er miljoenen Amerikanen die dat ook vinden. 'De taal van deze campagne is echt anders', zegt hoogleraar Adam Glickman van Cornell University in Ithaca. 'Trump en Sanders zeggen dingen waar vroeger geen politicus mee zou zijn weggekomen. Ik hoor niet de normale retoriek van the greatest nation on earth. Kennelijk beginnen Amerikanen te twijfelen aan het Amerikaanse model.'

Beeld Hollandse Hoogte

Chauvinistisch

Amerika is natuurlijk nog steeds een buitengewoon chauvinistisch land. In veel staten zweren kinderen op basisscholen aan het begin van de dag een eed van trouw, met de hand op het hart en het gezicht naar de vlag. Voor aanvang van sportwedstrijden zingen de toeschouwers het volkslied. Het is geen gewone nationale trots, het is een geloof in de eigen uitverkorenheid, een 'exceptionalisme' dat te herleiden zou zijn tot de Founding Fathers, de wijze mannen die aan de wieg van Amerika stonden en die (unieke) kwaliteiten zagen in de immigranten die het land maakten tot wat het was. Hardwerkende, gelovige, eerlijke en moreel hoogstaande types die, zo schreven ze in de Onafhankelijkheidsverklaring, het recht hadden op leven, vrijheid en (uniek!) het najagen van geluk. Daartoe bedachten ze een (uniek) politiek systeem met zijn verdeling van machten om te voorkomen dat de Amerikanen zich, met al hun individuele morele superioriteit, collectief te kwaadaardig zouden organiseren.

Buitenlandse reizigers keken hun ogen uit. Moderne Amerikaanse politici en politicologen halen graag Alexis de Tocqueville aan, een Franse filosoof die begin negentiende eeuw in de nieuwe wereld rondreisde en de eerste Amerika-deskundige aller tijden werd. Hij signaleerde onder meer hun gemeenschapszin, hun neiging tot vrijwilligerswerk, hun egalitaire streven ('De rijken voelen zich niet verheven boven het gewone volk; integendeel, ze blijven met de lagere klasse omgaan, ze luisteren naar hen en ze spreken met hen') en hun 'welbegrepen eigenbelang': ze offeren zich op voor het collectief omdat ze weten dat ze er zelf uiteindelijk beter van worden. Aldus De Tocqueville.

Ondanks de vrijheid, of juist door de vrijheid namen Amerikanen hun verantwoordelijkheid wel, was de gedachte, in dat unieke Amerika.

Teleurstellende scores

Maar kijk waar het exceptionalisme het land heeft gebracht. Op de ranglijstjes van het World Economic Forum treffen we de grootste economie ter wereld opvallend weinig in de top aan. Infrastructuur: 16de. Gezondheidszorg: 35ste. Basisonderwijs: 58ste. Corruptie: 34ste. Openbare instellingen: 33ste. Veiligheid: 67ste. Zelfs op het gebied van concurrentie, een belangrijke kwaliteit van een kapitalistisch land, eindigt Amerika op een teleurstellende 22ste plek. Klein voorbeeld: kabel-tv is hier door gebrek aan concurrentie twee tot drie keer zo duur als in Nederland.

En kijk naar de typisch Amerikaanse waarden die De Tocqueville zag. Vertrouwen? Alles kost geld of gaat via een advocaat. Egalitarisme? De rijken sluiten zich op in gated communities. Vrijgevigheid? Ja, er wordt veel gegeven, vooral aan instellingen waarop een naamplaatje kan worden geschroefd. De meeste collectieve voorzieningen komen er bekaaid vanaf.

Dus als je nu aan buitenlandse bezoekers vraagt wat ze van Amerika vinden, krijg je een ander verhaal dan tweehonderd jaar geleden. Neem bijvoorbeeld de groep Nederlandse infrastructuur- en mobiliteitsexperts die vorige maand een studiereis maakten tussen Washington en New York - mannen die in Nederland wegen en havens en metrolijnen ontwerpen en aanleggen.

'Het was ontluisterend', zegt Pepijn van Wijmen, directeur van adviesbureau APPM. 'De draden die in de stations uit de plafonds hangen, de gangetjes waardoor mensen zich naar de metro moeten wurmen, de wegen en de bruggen... er is een enorm contrast tussen het vooruitstrevende beeld dat we van Amerika hebben en de erbarmelijke staat waarin delen van het land verkeren.'

Alexis de Tocqueville, Over de democratie in Amerika.

Vrijheid en vrij ondernemerschap

Bert van Eekelen, een andere adviseur, oppert een 'Marshallplan' om de Amerikanen te redden. 'Kunnen we iets terugdoen voor de hulp van zeventig jaar geleden. De infrastructuur staat er verschrikkelijk slecht bij. Maar daarnaast moet er iets veranderen aan het systeem. Het is enorm complex, met heel veel verschillende partijen. Hoe wordt het gefinancierd, hoe zorg je voor iets meer lange termijn, hoe beperk je opportunistisch gedrag?'

Van Wijmen: 'Er lijkt onvoldoende waardering en verantwoordelijkheid voor het grotere geheel. Iedereen optimaliseert de samenleving naar zichzelf. Als je de publieke zaak chronisch veronachtzaamd en doet alsof belastingen niet nodig zijn en de overheid evenmin is dit het droeve resultaat. Maar wat me nog het meest verwondert is dat iedereen het zo lang heeft geaccepteerd.'

Maar juist dat lijkt dit jaar te veranderen, zegt professor Glickman in Ithaca. 'Vrijheid, en vrij ondernemerschap, vormt de kern van ons politieke denken. Een grotere overheid? Ongehoord. Daar was jarenlang eigenlijk geen politieke discussie over mogelijk. Het werd dan meteen een culturele discussie, met apocalyptische vergezichten. Als je daarover begon, als politicus, werd je weggezet als een saboteur, dan was je geen echte Amerikaan, dan zeiden ze dat je de Amerikaanse droom om zeep hielp. Maar Bernie Sanders noemt zichzelf nu gewoon een socialist. En miljoenen kiezers stemmen op hem.'

Colonial Country Club

Dat zelfs de aankomende Republikeinse presidentskandidaat, Donald Trump, een grotere overheid bepleit is al helemaal ongekend. Maar in Harrisburg, de stad van het ingestorte bruggenhoofd, vinden ze het de hoogste tijd. 'We moeten echt beginnen die wegen te repareren', zegt Dennis Shreve, directeur van de Colonial Country Club, zo'n restaurant als uitvalsbasis voor een potje golf of tennis, met een zachte vloerbedekking en Frank Sinatra uit de luidsprekers. Dit is de plek waar de lokale elite haar tijd verdrijft. 'Ik denk dat dit land welvarend genoeg is om orde op zaken te krijgen. Maar dat is de hoogste tijd. En het zijn niet alleen de wegen.'

Hij wendt zich tot de tuin- en klusjesman van de club. 'Hé, Brian, wist jij dat wij het zestiende land in de wereld zijn, op militair gebied? Hoorde ik vanochtend op Fox. Dat kan toch niet. Wat is er gebeurd met dit land?'

Brian Kinney, een oud-marinier, zucht eens diep. Hij heeft verteld over zijn dochter van in de 20, die volgens hem net als haar hele generatie niet wil werken, en denkt dat alles vanzelf komt. 'Ik ben doodziek en doodmoe van dit land. We zijn onze ruggegraat kwijt. In 1941 dachten ze ook dat ze aan een klein leger genoeg hadden. Hebben we straks weer een Pearl Harbor nodig voordat we ons leger weer opbouwen? We hebben een groot glanzend leger nodig zodat we het niet hoeven te gebruiken.'

Geen interventies

Daarmee zit Kinney helemaal op de lijn van Trump. Die wil wel militaire spierballen, maar ze zo min mogelijk gebruiken. In zijn buitenlandtoespraak van twee weken geleden zei Trump dat hij alleen nog militair zou ingrijpen als er Amerikaanse belangen in het geding zijn. Wat die belangen precies zijn, is natuurlijk onduidelijk, zoals alles bij Trump enigszins onduidelijk is, maar het moet een tamelijk directe dreiging zijn voordat een president Trump er een punt van zou maken. En die belangen zijn in elk geval niet gediend bij onrust en chaos. Dat betekent dat in principe met elke leider te praten valt. Stabiliteit is het hoogste goed.

Ook Sanders zal niet snel militair ingrijpen. Hij was tegen de interventies in Afghanistan en Irak, en ziet militaire actie als laatste redmiddel. De consequentie die hij daaruit trekt is tegengesteld aan die van Trump: de defensiebegroting moet niet omhoog, maar juist omlaag. 'Zeker in een tijd waarin het land wordt geplaagd door binnenlandse kwesties'.

Geen Amerikaanse snit

Zo nemen beide kandidaten op hun eigen manier afstand van een andere belangrijk aspect van het exceptionalisme: het idee dat andere landen gebaat zijn bij het Amerikaanse model. De buitenlandse politiek ging de afgelopen decennia gepaard met dit nationalistische idealisme, hoe verwrongen ook. Ronald Reagan, Bill Clinton en de beide George Bushes propageerden echt het idee dat ze de wereld moesten modelleren naar Amerikaanse snit. Maar Sanders en Trump hoeven niet zo nodig. Ze hebben de buitenlandse twijfel die begonnen is bij Obama omgezet in een overtuiging: wie zijn wij om de rest van de wereld de les te lezen?

Als kersverse president relativeerde Obama de uniciteit van Amerika. 'Ja, ik geloof in exceptionalisme, net als de Britten in Brits exceptionalisme geloven en de Grieken in Grieks exceptionalisme.' Obama toonde zich een echte cultuurrelativist: iedereen was even speciaal, in zijn eigen ogen.

Later trok hij bij. In een toespraak voor de militaire academie in West Point zei Obama dat hij met elke vezel van zijn lichaam in Amerika's uitzonderlijkheid geloofde. Maar nooit zou hij het vertalen naar de havikachtige houding van zijn voorganger en diens neo-conservatieve vrienden, Donald Rumsfeld en Dick Cheney, die graag de Amerikaanse cultuur verspreidden in woestijnlanden in het Midden-Oosten - inclusief de grijpgrage cultuur van Halliburton, het bedrijf van Cheney dat tientallen miljarden verdiende aan opdrachten in de bezette gebieden. Obama zou zijn opdracht veel diplomatieker vertalen: in die zin was hij misschien wel een wegbereider van Trump, die ook met iedereen deals zegt te kunnen sluiten (maar wel veel betere).

Uitgevonden traditie

En misschien is het wel niet zo bijzonder dat Amerika zichzelf wat gewoner gaat vinden. Want het exceptionalisme is geen tweehonderd oud begrip dat altijd in Amerika heeft bestaan, maar een uitgevonden traditie om het triomfantelijke gevoel aan het einde van de Koude Oorlog een verhaal te geven.

De eerste die het gebruikte was Jozef Stalin, die Amerika in 1927 irritant 'exceptioneel' vond omdat er geen arbeiderspartij was die als vehikel voor het communisme kon dienen. Het dook pas in 1980 op in zijn betekenis van uitzonderlijke superioriteit en werd in de decennia daarna vooral door Republikeinse voormannen als Newt Gingrich gebruikt als intellectueel uitgangspunt voor Amerikaanse conservatieve politiek. De Tocqueville werd er met de haren bijgesleept, maar bleek met terugwerkende kracht een goede rechtvaardiging te bieden voor het Amerikaanse geloof in eigen kunnen. En ook voor de arrogantie om zich niet aan internationale wetten en regels te hoeven houden.

'Het exceptionalisme is lange tijd helemaal geen leidend begrip is geweest', zegt de Princeton-historicus Daniel Rodgers. 'In de negentiende eeuw en de periode voor de Tweede Wereldoorlog keek Amerika heel vaak juist wel naar andere landen als voorbeeld. Het is een vorm van bescheidenheid die het land veel heeft gebracht.'

Sanders en Trump mogen dan het politieke establishment ondergraven, inclusief de ideologische dogma's waar dat establishment zich dik een generatie lang aan overgaf, het zijn net zo goed 'echte Amerikanen'.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden