Altijd roerend in het diepe, donkere water

Hij leidt een bestaan in de luwte; het leven van Oek de Jong staat in dienst van de kunst. Na tien jaar afwezigheid als romancier verschijnt donderdag Pier en Oceaan, zijn magnum opus.

Dertigers hebben moeite met de naam, Oek de Jong. Ook begin veertigers vermoeden een popartiest. Of ze denken dat hij dood is. Dat heb je met een carrière die slechts bij tijd en wijle opvlamt en met een schrijver die zeker naar de maat van het mediatijdperk een teruggetrokken bestaan leidt. Hij zoekt massa en menigten niet op, zacht gezegd. En daarnaast is elk nieuw boek voor hem een oefening in geduld, want met elk boek wil hij een nieuwe stap zetten. Hij kan er zomaar acht of tien jaar over doen.


Voor iedereen die destijds wel eens een roman las, was Opwaaiende zomerjurken, verschenen in september 1979, een literaire sensatie. Het thema - een jong volwassene die met de wereld geen raad weet en ternauwernood het hoofd boven water houdt - was eerder verkocht. Maar de broeierige spanning die Oek de Jong zijn personages meegaf, overrompelde. Het boek bestormde de boekhandel in een mate die sinds het verschijnen van Ik Jan Cremer in 1964 niet was vertoond. Nog geen eens 27 jaar was de schrijver, hij was beroemd, hij had de status van jonge god.


Oek de Jong heeft nu ongeveer tien titels op zijn naam staan, het is niet veel voor een schrijverscarrière van bijna veertig jaar. Het deert hem niet. Een boek is pas klaar als het klaar is.


Na tien jaar afwezigheid als romancier verschijnt donderdag Pier en Oceaan, zijn meest ambitieuze project tot nu toe. Twee delen, bij elkaar ruim 800 pagina's, een Hollandse familiegeschiedenis in drie generaties, van de hongerwinter van 1944 tot de nieuwe welvaart, eind jaren zestig. Zijn uitgever noemt het zijn 'magnum opus', het hoofdwerk, de voltooiing.


Het is link en het getuigt van lef om zo op de trom te roffelen. In elk geval is het een mooie markering van zijn 60ste verjaardag, ook komende donderdag.


Hij heeft dat nieuwe boek, zo lijkt het, al bijna dertig jaar geleden bedacht. Hij zei in juli 1985 in NRC Handelsblad dat hij zich uitgebreid gedocumenteerd had voor een historische roman die speelde in 1947, 1953 en 1963. 'Maar ik kwam tot de conclusie dat ik meer levenservaring nodig had.' Nu, drie decennia later, is de tijd kennelijk rijp.


Dat is tekenend voor Oek de Jong, voor de diepe ernst en de bloedige intensiteit waarmee hij werkt. Hij heeft nooit een burgerlijke baan gehad, op zijn 19de besloot hij dat hij schrijver was, zijn leven staat in dienst van de kunst.


Zijn vriend Marcel Möring heeft zijn werk geroemd als 'kraakhelder Hollands proza', energiek, intuïtief en sterk zintuiglijk - van het klotsend geluid van roeispanen tot de geur van rottende planten. Denk niet dat het vanzelf gaat.


Hij is iemand die de hele dag bezig is met de problemen van het schrijven. Hoe word je de baas van je materiaal? Als hij wil weten wat Tolstoj heeft gedaan met de moderne roman of Stendhal, googelt hij het niet bij elkaar maar begint hij aan een studie. Toen hij vastliep met het slot van de roman Hokwerda's Kind legde hij het schrijven een paar maanden stil. Eerst eens bestuderen hoe Graham Greene het probleem van de plot oploste.


Niet een detail zo klein of het is de moeite waard om te overwegen en te heroverwegen. Opwaaiende Zomerjurken zou Pathetische Sonate heten. Op het laatste moment heeft hij de titel nog veranderd. In het nu te verschijnen Pier en Oceaan komt een personage voor dat Gregor heet. Vrienden en relaties van de uitgeverij kregen eind 2010 als nieuwjaarsgeschenk een klein deel van het manuscript. In dat boekje heet Gregor nog Diederik.


Hij schrijft alles met de pen, in vijf, zes, ook wel zeven versies. Hij begint voor elke versie vooraan in het manuscript. Het is niet dat hij wegstreept en aanvult in de bestaande tekst, het geheel wordt opnieuw geschreven. Dan komen nieuwe beelden op, de tekst wordt rijker, er ontstaat iets wat hij gelaagdheid noemt, 'het enige schrijven dat echt bevredigt'. Hij mag graag Wittgenstein citeren: 'Mijn hoofd weet vaak niets van wat mijn hand schrijft.'


Oek de Jong zit dagelijks van negen tot drie achter zijn bureau. De laatste twee jaar woont hij nog amper in Amsterdam. Hij zit in Frankrijk, op een plek net achter de Belgische Ardennen. Er is een vervallen stationnetje, een loods en een bouwkeet. In die bouwkeet werkt hij. Ook als het niet wil komen, zoals hij dat noemt, blijft hij achter zijn bureau. Hij gaat niet lopen klooien, hij blijft streng zitten. Hij wacht tot het komt.


Hij heeft in de jaren negentig een essay geschreven over wat de schrijver te doen staat. Daaruit deze zin: 'Hij moet zijn werk doen, hij moet goed schrijven, en niet bang zijn om steeds dieper weg te zakken in zijn kunst.'


Oek de Jong koestert een verlangen naar stilstand, naar zwijgen. Het mystieke omgeeft hem altijd, het zoeken naar het sublieme, de zuiverheid, God. Hij heeft het van zijn moeder. Maar hij rekt het op tot zijn grenzen. Begin jaren negentig was hij vervuld van het mystieke, in de tao, in de Grieks-Romeinse traditie en in het christendom.


Voor hemzelf was het verhelderend. Maar als auteur heeft het hem, in elk geval gedurende een periode de naam bezorgd een zwever te zijn. Met name de twee novellen in De Inktvis (1993) werden door de literatuurcritici beoordeeld als 'wedergeboorteverhalen'en 'krachteloze parabeltaal'.


Het raakte hem diep. 'Je wordt weggegooid', zei hij destijds. Zou het kunnen dat de recensenten gewoon een fijne, psychologische roman verwachtten? De Jong: 'Ze kunnen zoveel willen! Dit is wat ik te bieden heb. Hier gaat het om.'


Hij is radicaal in zijn oordelen, over zichzelf, maar ook over zijn omgeving. Als de ander niet aan zijn norm voldoet, haakt hij af. Als vanzelf schept dat afstand. Er staat veel op het spel voor hem. Hij heeft geen kinderen, geen burgermansbaan. Uit het werk als schrijver moet het levensgeluk komen.


Er gaat veel om in die man, zeggen vrienden. Je kunt hem niet zomaar bereiken. Hij is sterk, stoer, koppig, op zijn hoede. Iets duisters waart rond in Oek de Jong, dat je achter de doorgaans bedachtzame verschijning niet zou vermoeden. Het komt misschien doordat hij nu al veertig jaar een plunderaar is van gevoelens, ter wille van zijn personages altijd roerend in het diepe, donkere water. Het is een verslingering die je niet in de kouwe kleren gaat zitten.


In periodes is Oek de Jong ver heen geweest. Nu heeft hij het achter zich, maar in de tweede helft van de jaren tachtig, begin jaren negentig verkeerde hij in diepe depressies. Zelf heeft hij de kiem daarvan in zijn jonge jaren gezocht. Hij had flaporen en een lui oog - zoiets rekent een kind zichzelf aan. Hij was de slimste van de klas. Dat is nooit een aanbeveling.


Hij was opgevoed met de zekerheden van het Paradijs, de Zondeval en de Verdrijving uit het Paradijs. Ze waren stijf gereformeerd, ze geloofden dat Gods sturende Hand dagelijks en overal aanwezig is. Hij heeft een keer de Here God gesmeekt hem een voldoende te schenken voor een wiskundeproefwerk - God is wel goed, maar niet gek.


Hij verzette zich in de jaren tachtig tegen het materialisme en rationalisme, maar wist behalve de mystiek niet wat hij er tegenover moest plaatsen. Oek de Jong, zegt zijn omgeving, heeft lang aan zichzelf geleden. Zijn vrienden ook wel aan hem. Contact bleef langdurig uit.


'Soms was ik maandenlang dood', zei hij achteraf.


In De wonderen van de heilbot, een boek met dagboeknotities, omschrijft hij zijn mentale staat als 'het niet willen, het er niet willen zijn'. En: 'Er komt pas een einde aan mijn kwelling wanneer ik met mijn rug tegen de muur sta.'


Jeanne is zijn haven. Hij heeft een jaar of tien, misschien wel vijftien jaar lopen rommelen met vrouwen. Hij legde het aan met geëxalteerde types, zocht naar hoog oplopende emoties en extreme ervaringen. Het moest uitgevochten worden, soms ook letterlijk. Boeken vlogen tegen de muur. Ook wel borden spaghetti.


Twintig jaar is hij nu met Jeanne. Zij heeft zijn bestaan overzichtelijk gemaakt. Wat hem beter lukt dan voorheen is genieten van alledaagse aardigheid. Hij kan zomaar begeesterd raken door een paar mooie schoenen. Zijn zelfvertrouwen is gegroeid. Hij weet nu dat hij goed is in wat hij doet. Schrijven vanuit de verbeelding, vertrouwend op je intuïtie - als dat lukt ben je bij 'het grote vanzelf'; het is 'het volmaakte geluk'.


CV

1952 geboren in Breda


1970 begint aan studie kunstgeschiedenis in Amsterdam, niet voltooid


1976 Reina Prinsen Geerligsprijs voor jong talent


1977 De hemelvaart van Massimo, verhalenbundel, debuut (herdrukt als De onbeweeglijke)


1979 Opwaaiende Zomerjurken, roman


1980 F. Bordewijkprijs


1985 Cirkel in het Gras, roman


1993 De inktvis, novellen


1997 Een man die in de toekomst springt, essays


1998 Busken Huetprijs


2002Hokwerda's kind, roman


2006 De wonderen van de heilbot, dagboeknotities


2012Pier en Oceaan, roman


Oek de Jong woont in Amsterdam en Noord-Frankrijk, hij heeft een partner.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden