Altijd op jacht naar het applaus

Het levensverhaal van Peter Post, dat vrijdag op 77-jarige leeftijd eindigde, is de fantastische wordingsgeschiedenis van een slagersjongen die een grote meneer werd en dat wilde weten ook. In hem verliest het Nederlandse wielrennen de belangrijkste persoon uit zijn geschiedenis.


Peter Post, een naam uit een jongensboek, was het achtste kind in het grote gezin van slager Bertus Post. Vader wordt in Karaktermens Peter Post, de in 1998 verschenen biografie van journalist Fred van Slogteren, omschreven als een stugge man die er een ijzeren discipline op nahield. Moeder Lies moet een dominante vrouw zijn geweest. Zie hier de ingrediënten van de man die het Nederlandse wielrennen tot de ongekende bloei bracht.


De slagerij stond in de Staatsliedenbuurt, een onomwonden volkswijk in Amsterdam. Post heeft zichzelf later in interviews getypeerd als het zwarte schaap van de familie. In elk geval was hij een opstandig en luidruchtig kind. Uit de biografie: 'Hij ontwikkelde al jong een zekere gewiekstheid om situaties naar zijn hand te zetten. Hij wilde altijd winnen en als hij niet de sterkste was, dan was hij wel de slimste.'


De puber Peter Post vocht hartstochtelijk het generatieconflict met zijn vader uit. Om zijn gemoed te luchten, reed hij zo hard mogelijk op de zware transportfiets door heel Amsterdam om bestellingen af te leveren. Op het laatst kon Post alles met dat gevaarte, zelfs rijden op het achterwiel. Vaak hield hij halt bij de fietsenzaak aan de Westerstraat om zich te vergapen voor de etalage.


Omdat het op school niet vlotte, ging Peter Post in de leer bij een collega van zijn vader. Van het verdiende geld kocht hij in het geniep een racefiets. Vader mocht er geen lucht van krijgen, zoals ook het lidmaatschap van wielervereniging Ulysses in stilte werd verworven. Post daarover: 'Ik had een goede slager kunnen worden, maar dat wilde ik niet. Als ik wilde slagen in het leven, dan moest ik wielrenner worden.' En als Peter Post één ding wilde, dan was het slagen in het leven.


Het waren de jaren vijftig. Het naoorlogse Nederland was overeind gekrabbeld en steeg ook in sportief aanzien. Faas Wilkes en Abe Lenstra waren de vaandeldragers van het voetbal en ook de vaderlandse coureurs telden mee, zowel op de weg als op de baan. Na voltooiing van de militaire dienst zette Peter Post alles op de wielersport en legde zich toe op het baanrennen, in het bijzonder de achtervolging.


In 1956 werd Post professional en wie op de baan reed, moest zijn geld verdienen in de zesdaagse. Hij vormde een koppel met de grote Gerrit Schulte, een verbond tussen twee winnaarstypes. Collega Gé Peters over die twee: 'Qua karakter leken ze veel op elkaar, maar Post was tactischer. Gerrit ging recht door de boerenkool als iets hem niet zinde. Post pakte dat meestal eleganter en slimmer aan.'


Zesdaagsen zaten hem als gegoten. Sterke benen volstonden niet. Slimheid, durf en dominantie zijn minstens zo belangrijk. Peter Post moet ervan hebben genoten, ook het glitterimago van deze fietsdiscipline. In het weekblad Vrij Nederland zei hij in 1971: 'Het fijnste van wielrennen is je tegenstanders je wil opleggen en ze finaal kapot rijden. Het domineren, het succes, het applaus. Weten dat het publiek je waardeert, betekent dat je je nummer goed brengt. En dat is het belangrijkste.'


De successen werden aaneengeregen. Tot aan 1972, het jaar waarin hij stopte na een val in Ahoy, boekte Post 65 zeges in de Zesdaagse. Hij werd de keizer genoemd. Als wegcoureur liet hij zich minder gelden, al was er natuurlijk de fameuze overwinning in Parijs-Roubaix (1964) met een gemiddelde snelheid van boven de 45 kilometer per uur.


Een gebrek aan kennis van het specifieke ploegenspel dat het wielrennen in de vrije natuur is, zal het niet geweest zijn. Vanzelfsprekend verwisselde Post de racefiets voor de ploegleidersauto. Nadat het bowlingcentrum dat hij met echtgenote Loek dreef, was afgebrand, stortte hij zich weer helemaal op het wielrennen. Niet alleen als ploegleider, maar ook als organisator van zesdaagsen liet hij zich daarna nog decennia gelden in het wielrennen.


Peter Post was de man van het grote gebaar en de grote mond. Hij wilde zich graag laten kennen als een man van de wereld, als een sinjeur zoals de Vlamingen dat noemen. Sommigen ergerden zich er dood aan, anderen werden er door ontwapend omdat de jongensachtige branie en het Amsterdamse sentiment tot op het laatst aan hem kleefden.


In veel interviews zat een situatieschets van de Amstelveense bungalow, de pronkkamer van een geslaagd leven. Post heeft er vanaf 1968 gewoond. Eerst was het een uitvalsbasis voor het nomadenbestaan dat wielrennen heet. In 1994 liep dat bestaan stuk op onbeduidende ploegen van Franse origine, modderschuiten waarvan Peter Post de sneue schipper was.


Langzaam maar zeker verdween Post in de anonimiteit en de bungalow werd de uitvalsbasis van fietstochtjes. Meestal voerden die langs Uithoorn, Nieuwkoop en de Vinkeveense plassen - bekend terrein voor de Amsterdamse fietstoerist. Hij vertelde er in 2007 over in het Algemeen Dagblad, over het genot dat de racefiets hem tot op gevorderde leeftijd schonk. Hij nam de tijd om goed om zich heen te kijken en wat zag hij? Vee.


'Wat wil je ook als slagersjongen.'


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.