Altijd maar wikken en wegen

Gustave Flaubert kon geen pen op papier zetten zonder zichzelf over zijn eigen schouder heen gade te slaan. En dat was dan ook meteen zijn probleem: zijn overmatige zelfbewustzijn, dat wil zeggen, zijn kolossale zelfkritiek....

door Michaël Zeeman

ZELDEN ZAL iemand op zo jeugdige leeftijd al hebben geweten wat hij later worden wou en dat vervolgens ook zo onverbiddelijk hebben uitgevoerd als Gustave Flaubert. Als hij niet zo'n innemend literair oeuvre had nagelaten, zou je hem van een gebrek aan fantasie willen betichten. Wanneer hij precies bedacht dat het schrijven zijn toekomst was, is niet met zekerheid vast te stellen. Maar dat dat vroeg in zijn leven was, is aantoonbaar: de oudste fragmenten in de Oeuvres de jeunesse, het eerste deel van de nieuwe uitgave van zijn verzameld werk in de Bibliothèque de la Pléiade, stammen uit zijn schooltijd en hebben van stond af aan de de toon van iemand die weet wat hij doet en er behagen in schept dat zo goed mogelijk te doen.

En dat is dan ook meteen zijn probleem: zijn overmatige zelfbewustzijn, dat wil zeggen, zijn kolossale zelfkritiek. Hij wikt en hij weegt, hij schrijft een paar woorden en schrapt ze weer, schrijft een halve zin en gaat meteen op de divan liggen die in zijn werkkamer stond om te bekomen van de inspanning. Dat is dan nog niet zo'n dubbelzinnig meubel als het een halve eeuw later door toedoen van Sigmund Freud zal worden, maar je kan er die twijfelachtige functie met een gerust geweten op terug projecteren. Flaubert kan geen pen op papier zetten zonder zichzelf over zijn eigen schouder heen gade te slaan.

Zelfbewustzijn, zelfkritiek: die maken dat hij onophoudelijk de effecten berekent van wat hij doet. Dat heeft hij zijn hele schrijvende leven gedaan en een ander leven dan dat van het schrijven had hij vrijwel niet. Alles wat hij onderneemt, staat in het teken van de literatuur. Het maakte hem een trage schrijver: de gebroeders Goncourt hebben het tempo waarin hij Madame Bovary schreef, begroot op vijf woorden per uur.

Hij is geen schrijver zoals zijn tijdgenoten en bijna-tijdgenoten Honoré de Balzac en Victor Hugo dat zijn, die schreven om zo goed of zo mooi mogelijk vast te leggen wat zij te vertellen hadden en daarnaast onophoudelijk meer te doen hadden. 'De exemplarische rankheid van Flauberts verzameld werk', schrijft zijn jongste biograaf, de Brit Geoffrey Wall, dat bestaat uit 'slechts vier romans, drie korte verhalen en een hardnekkig amfibische eigenaardigheid (een roman die voorwendt een toneelstuk te zijn), staat als een verwijt tegenover het overgewicht van de ideale dertig-, veertig-, vijftig-, zestigdelige opus maximus, de maatstaf waarmee zijn tijdgenoten gewoonlijk maar ten onrechte de waarde schatten van een literaire prestatie'.

Wall is een bewonderaar van Flaubert en diens compromisschuwe keuze voor de literatuur. Dat maakt hem als biograaf sympathiek, maar ook kritiekloos en vooringenomen. Hij is lyrisch over zijn held, over diens werk evenzeer als over diens werkwijze. 'Dickens en Victor Hugo opgepast', schrijft hij. 'Na Flaubert zal overvloedigheid zoals die van u beschouwd worden als het teken van middelmatigheid. Echte Romans, geschreven onder het strenge patronage van Flaubert, moeten voortaan ironisch zijn, vol van toespelingen, onpersoonlijk.'

Of dat allemaal waar is en inderdaad tot Grote Romans leidt, staat nog te bezien: de grote Russen uit Flauberts tijd, de strekkende meter die het verzameld werk van Thomas Mann beslaat, ja, zelfs Prousts A la recherche du temps perdu en de tien, vijftien delen die die grote twintigste-eeuwse Russische Flaubertiaan, Vladimir Nabokov, naliet, ze vormen ieder voor zich in enigerlei opzicht een tegenargument of tenminste een nuancering op dit soort krasse uitspraken. De literaire ideologie van wat je in Nederland het Revisor-proza noemt - zelfbewust op het zelfingenomene af, ironisch en vol afwisselend schalkse en nuffige toespelingen, inderdaad - is weliswaar een krachtige en krachtig uitgedragen ideologie, maar of het de enig mogelijke of zelfs een voor de literatuur vruchtbare is, is twijfelachtig.

Tegenover de Revisor stond, op het hoogtepunt van de Nederlandse literaire polarisatie, Tirade, wil ik maar zeggen, baken van het vertellen om het vertellen. Als je vanaf Rouaan, onder de rook waarvan Flaubert als een heremiet zijn ideale literatuur celebreerde, maar lang genoeg naar het westen doorreist kom je in Amerika, waar de literatuur in de twintigste eeuw een face lift onderging. De Amerikanen en de Latijns-Amerikanen, ze hebben haar uit die zelfbewuste kluistering vrijgeschreven. De opkomst van de massacultuur, de hutspot van haute culture en low culture die daardoor ontstaan is, veranderde de eisen en de mogelijkheden.

'Onlangs, toen ik naar de eerbiedwaardige buste van Corneille keek, besloot ik daar een rechtvaardige lofrede op te houden', schrijft de scholier Flaubert in zijn schriftje. Hoe oud zal hij geweest zijn, toen hij het schreef, bijna tien? Hij was het prijzen voor vlijt en vaardigheid winnende tweede zoontje van de in Rouaan zeer geziene arts Achille-Cléophas Flaubert. 'Ik ben nog maar een knaap, neem me niet kwalijk dat ik over Corneille wil spreken, goede vrienden.' Het zit er allemaal al in, zelfbewustzijn, hoogmoed, effectbejag, de wens als schrijver serieus genomen te worden - en het zát er toentertijd allemaal al jaren in.

Dat heeft iets wonderlijks, iets bewonderenswaardigs zowel als iets afschuwwekkends. In die jeugdwerken staan de stukken van iemand die ijverig zijn huiswerk doet en zichzelf al lezend vormt, maar die zich de hele tijd ervan bewust is dat al die inspanning maar een doel dient: schrijver worden. Er staan de fragmenten in waarin hij zijn pen probeert, met als opvallendste de vertelling 'Novembre', die hij, schrijver in de dop met voorlopig nog geen enkel boek op zijn naam, al heeft voorgelezen aan intimi, en de embryonale vertelling 'L'éducation sentimentale' uit 1845. Het boek met die titel zou pas een kwarteeuw later verschijnen.

Dat voorlezen met de bedoeling mateloos geprezen te worden zat er al jong in. Aanvankelijk waren zijn zuster en zijn moeder zijn slachtoffers, later werden dat zijn minnares Louise Colet en zijn vriend Maxime Du Camp, weer later het literaire establishment van Parijs. Hij zocht applaus, geen erkenning of zelfbevestiging: vanaf de eerste (door hemzelf!) geboekstaafde keer dat hij voorleest, doet hij dat met aplomb. Hij is, als jongen noch later als volwassene, geen schrijver die, zoals zoveel figuren die zich in hun jeugd aan de literatuur vergalopperen, geen schrijver die het schrijverschap zoekt, een maatschappelijke status of culturele positie, maar veeleer een die zelfverzekerd de erkenning die hem zijns inziens toekomt, gaat incasseren.

Wall zoekt de verklaring daarvoor in particuliere en sociale omstandigheden, al lijkt hij gaandeweg in zijn biografie te vergeten dat hij daarnaar op zoek is. Zijn biografie is er een in de beste Engelse traditie: goed gedocumenteerd, met verbeelding geschreven en, vooral, beknopt.

Voorop staat de karakterschets van Flauberts vader, de briljante zoon van een veearts uit de provincie die de tijd mee heeft. Hij wordt arts in de eerste decennia na de Franse Revolutie en onder de gewijzigde maatschappelijke omstandigheden kan hij uitgroeien tot een man met status, gezag en vermogen. Hij is het typische voorbeeld van een sociale klimmer. Zijn zekerheden en ambities zijn die van de nieuwe bourgeoisie. Zijn zoon mag dan een zelfverklaarde bourgeoisofoob zijn, in de gooi naar het kunstenaarschap, het priesterambt in een geseculariseerde maatschappij, zit misschien eenzelfde krachtige drijfveer uit te blinken.

Zoals de vader het mysterie celebreerde met een operatiemesje in zijn hand, doet de zoon dat met een scherp geslepen pen. Met die afkeer van de bourgeoisie valt het dan wel mee; er zit een priesterlijk trekje in de familie, en wat is een priester zonder parochie. Wall schetst de levensloop van Flaubert als die van een handelsreiziger tussen zijn kluizenaarsbestaan thuis en de aanlokkelijke mogelijkheden van de grote wereld van Parijs. Alle diepe verlangens van de typische mogelijkheden die de burgerlijke samenleving van de negentiende eeuw in Frankrijk bood, zitten erin: de begeerte groot te leven, meeslepend en op grote voet, de hunkering naar een drastische individualiteit.

Dat drukt zich uit in het gejongleer met maîtresses en de hang naar het exotisme van de Oriënt. Vanaf de eerste keer dat Flaubert, op de terugweg van zijn eerste serieuze reis, als jongeling, naar Corsica, met een vrouw naar bed gaat, manifesteert zich de burgerlijkst denkbare opvatting over zijn eigen viriliteit en frivoliteit. Zijn eerste vaste minnares, Louise Colet, was beduidend ouder dan hij en gehuwd. Nochtans neemt Flaubert de leiding: hij bepaalt wanneer er gecopuleerd zal worden, hij dicteert de mogelijkheden van het contact. Want hij wil wél groots en meeslepend leven, maar zijn moeder mag het niet weten. Zij zou er maar door geschokt worden.

Tijdens zijn reizen met Maxime Du Camp moet hij een doodvermoeiende oudehoer en moppentapper zijn geweest en hun onuitgevoerde reis- en schrijfplannen zijn oneindig talrijker en omvattender dan hun feitelijke ondernemingen. Hij is uitgesproken atheïstisch, maar hij verdiept zich jarenlang grondig in de geschiedenis van het vroege christendom en schrijft een roman over de heilige Antonius. Alles voor de kunst, een leven lang, maar met een opvatting over de plicht, de taak, de uitzonderingspositie en de rechten van de kunstenaar die haar gelijke niet kent.

De wereld is er voor hém. Daar zit onmiskenbaar iets verwends aan en iets kortzichtigs. Flauberts schriften met aantekeningen en zijn correspondentie zijn vele malen omvangrijker dan zijn verzamelde werken. Alles wat hij doet, dient maar een doel, maar zelfs het onooglijkste kladblaadje moet bewaard als was het een relikwie. 'Victor Hugo', zei Oscar Wilde, 'was een gek die dacht dat hij Victor Hugo was.' Gustave Flaubert was, zou je met een variant daarop kunnen zeggen, een genie die vond dat hij Gustave Flaubert hoorde te zijn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden