Altijd koffie en een praatje

Gezellig was dat: toen de schillenboer nog aan de deur kwam en alle buurvrouwen samen de was ophingen. Nu de omgangsregels niet meer helder zijn, moeten we improviseren. Maakt dat ons asocialer?

Fiona (44) zit te whatsappen in de intercity van Amsterdam naar Dordrecht. Als ik haar een vraag stel, schrikt ze. 'Sorry hoor, meestal zijn het idioten die je aanspreken in de trein. Maar wat was de vraag? 'De vraag is: waren Nederlanders vroeger socialer?' We raken in gesprek.

'Ga weg!' Naast ons staat een grote man in ruitjesoverhemd. 'Stilte!' Hij zwaait vervaarlijk met zijn tablet. 'Speaking forbidden!' Met zijn tabletvrije hand wijst de man naar het raam. Daar staat stiltecoupé. 'Silence!'

We praten verder op het balkon.

'Of mensen vroeger socialer waren? Misschien wel.' Fiona gebaart in de richting van de coupé waar de man zit. 'Zoiets als dit zou vroeger niet zijn gebeurd, dat weet ik zeker.' 'Maar wij zaten te praten in de stiltecoupé, dus wij waren strikt genomen asociaal', zeg ik. Fiona is niet overtuigd: 'Vroeger was een stiltecoupé misschien niet nodig, omdat mensen zich minder asociaal gedroegen. Nu zitten sommige mensen zo ongegeneerd hard te telefoneren.'

Vier keer per jaar vraagt het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) een groep geënquêteerden naar de grootste problemen in onze samenleving. In de top tien staan egoïsme, individualisme, onverdraagzaamheid, verharding, onverschilligheid, mentaliteit, ikke en lontjes. Het heden scheept ons blijkbaar op met het gevoel dat we onszelf en elkaar in sociaal opzicht tekort doen.

En als ons wordt gevraagd hoe we het dan willen, kijken we over onze schouder, hunkerend, naar 'vroeger'. Sinds de Nederlandse planbureaus in 1968 begonnen met enquêtes over normen, waarden en omgangsvormen, is steevast 60 procent van de ondervraagden van mening dat we vroeger beter met elkaar omgingen.

'Zoiets gebeurde vroeger nooit.'

We zeggen het als we horen dat een overleden oudere twee weken in zijn flat heeft gelegen, zonder dat er een haan naar hem kraaide. Of als we horen hoe iemand op straat een serie verbale geslachtsdelen naar zijn hoofd geslingerd krijgt omdat hij niet uitkijkt bij het oversteken. We zeggen het als we horen hoe een kleuter een scène schopt in de supermarkt omdat hij snoep wil. Nu.

Vroeger gedroegen de kinderen zich tenminste, namen we een bejaarde op het zebrapad nog gewoon bij de hand, in plaats van hem met onze scooter van de sokken te rijden. En onze hulpbehoevende ouders namen we gewoon in huis. Toch? Ja zuster, nee zuster.

Vooral sinds het normen- en waardenoffensief van Balkenende, gaat vroeger gekleed in een kokette bloemetjesjurk met clipoorbellen, is vroeger uitstekend gemanierd en kunnen buren altijd bij haar aankloppen voor een praatje, een mariakaakje of een kopje suiker. Vroeger is een rozewolkversie van de jaren vijftig, zonder hufters en andere onwelgevallige maatschappelijke elementen.

Het is nostalgie - maar wel een van een hardnekkige soort. Zo hardnekkig dat je je - bijvoorbeeld tijdens zo'n stiltecoupé-incident - kunt afvragen of er niet een kern van waarheid in schuilt.

'Vroeger hing je samen met alle buurvrouwen de was op', zegt mevrouw Gerlagh (81). 'Stond je zo uren te kletsen.' 'En je ging op de koffie', valt haar tafelgenote bij. 'Je ging op elk moment bij mensen op de koffie. Je kende iedereen in de buurt en je wist precies wat ze allemaal uitspookten.' De twee dames zitten om een ronde tafel in het Haltnahuis, een verzorgingstehuis in het centrum van Houten. 'En ze kwamen allemaal nog langs de deur, hè', zegt een derde tafelgenote. 'De voddenboer, de schillenboer, noem ze maar op. En ze bleven altijd voor een praatje.'

Taal

Ligt in een willekeurig verzorgingshuis het antwoord op de vraag of de mensen vroeger socialer waren dan nu? Natuurlijk niet. Maar hier resideert wel een concentratie levende overblijfselen van vroeger. In een subtropisch binnenklimaat weliswaar, tussen de manshoge kunstvarens en geparkeerde looprekken.

Je moet een behoorlijk inlevingsvermogen hebben om in de vier kromgegroeide dametjes aan de ronde tafel degenen te zien die ze vijftig jaar geleden waren: een boerin, een bakkersvrouw, een verkoopster van 'luxe huishoudelijke apparaten, zoals broodroosters' en mevrouw Gerlagh, rapporteur in de jeugdhulpverlening. 'Ik was heel modern. Ik werkte, ik was gescheiden en ik hield de gordijnen altijd open.'

Maar opeens duikt vroeger op. Dat openbaart zich in de omgangsvormen, het is mevrouw, meneer en u, en in de taal: 'Wilt u iets harder praten, de borden maken zo'n leven.' En de inwoners zijn een graadmeter op zich: als er iets is waar je aan kunt zien hoe sociaal we zijn, is het aan hoe we met ouderen omgaan.

In het Haltnahuis is niemand eenzaam, zeggen de bewoners. De meesten krijgen een paar keer per week bezoek. Zelfs de dikke brompot die in de hoek van de zaal zijn tweede glas wijn drinkt en niks van praatjes moet hebben, vindt het gezellig. En in huis wonen bij de kinderen of kleinkinderen? Dat wil niemand - 'dat is toch niet van deze tijd'.

Nabuurschap

Zo asociaal zijn we misschien ook weer niet. Cijfers over sociale inzet worden pas bijgehouden sinds de jaren zeventig. Sindsdien doet ongeveer 40 procent van de Nederlanders aan vrijwilligerswerk. Dat percentage is vrij stabiel, zij het dat werkende mensen nu minder vrijwilligerswerk doen dan twintig jaar geleden. Het is iets voor gepensioneerden en arbeidsongeschikten. Wel is het Nederlandse vrijwilligerslegioen het grootste van Europa. Hetzelfde geldt voor het aantal mantelzorgers, 1,5 miljoen Nederlanders zorgen voor een familielid, of soms voor een vriend. Ook daar zitten we in de Europese top. En ook dat percentage is al lang stabiel.

We gaan, sinds we het in 1997 zijn gaan meten, zelfs vaker op bezoek bij familie en vrienden. Alleen met onze buren hebben we steeds minder contact. Het aantal eenzame mensen is al veertig jaar stabiel: 10 procent van de bevolking. Daarmee weten we nog niet of we vroeger socialer waren, maar dat de bereidheid om voor elkaar te zorgen snel afkalft, lijkt op basis van dit cijfermateriaal niet aannemelijk.

Toch denkt een ruime meerderheid van de bewoners van het Haltnahuis dat we vroeger socialer waren. Dat merken ze niet aan het verplegend personeel of in familiekring, maar buiten de deur. 'Die jonge lui zijn altijd op hun telefoon bezig', zegt mevrouw Gerlagh. 'Als ik in de bus zit, word ik misselijk van al die onzinnige praat door die telefoontjes', zegt een van haar tafelgenotes.

'De mensen zijn individualistischer.' Mevrouw Gerlagh zegt het, en ze is niet de enige. 'Vroeger was er meer nabuurschap', zegt meneer Van der Wal (90). 'Nu is iedereen zo op zichzelf gericht dat je makkelijk langs mekaar heen leeft.' 'Mensen geven nog wel om hun gezin en hun vrienden', zegt mevrouw Gerlagh, 'maar niet meer om de mensen om hen heen, in de buurt of op straat.'

Mevrouw Stooker (79) is een van de weinigen die niet zo veel opheeft met vroeger. 'Het was allemaal zo afstandelijk, je zei u tegen je vader en moeder. En je durfde niks, je keek alleen maar tegen iedereen op. Ik vind het nu een stuk natuurlijker, hoe we met elkaar omgaan.'

James Kennedy, hoogleraar Nederlandse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, verdiepte zich het Nederland van de jaren zestig. De mensen die hoog opgeven van de behulpzaamheid uit die tijd, vergeten volgens hem dat je je toen vooral niet aan moest stellen. Voor emoties was niet zo veel plaats. 'Het was een samenleving waar je niet kon uithuilen. Je moest altijd flink zijn, je beheersen.'

En inderdaad was er de door mevrouw Stooker zo gehekelde hiërarchie. 'De sociale rollen en het bijbehorende gedrag waren voorgekauwd', zegt Kennedy. 'Het mooie is dat je een plaats had, het minder mooie is dat je je plaats moest kennen.'

Nu is het lastiger om je plaats te bepalen. In onderzoeken van het SCP duiken met grote regelmaat de woorden individualisering en informalisering op. We zijn minder afhankelijk van elkaar. Dat schijnt ons leven afwisselender, maar ook ingewikkelder te maken.

De collectieve identiteiten van de jaren vijftig, de kerk, de politieke partij en de omroep, hebben plaatsgemaakt voor meer fluïde sociale netwerken en minder statische identiteiten. Sociale media hebben het aantal sociale contexten waarin we ons kunnen begeven ook nog eens exponentieel vergroot.

Geenstijl

Deze veelheid in sociale contexten heeft de omgangsvormen op losse schroeven gezet. Daar komt bij dat sinds de jaren zestig, zeventig bij veel mensen een afkeer is ontstaan van burgerlijke manieren en sociaal wenselijk gedrag. 'Aardig' werd een synoniem voor hypocriet.

Waarom zou je sociaal wenselijk over het weer praten met een man die toevallig bij je om de hoek woont? Waarom zou je zo iemand niet gewoon negeren? Of, als je toch iets wilt zeggen: waarom dan niet gewoon dat hij uit zijn mond stinkt? Dat is tenminste eerlijk. Die enigszins doorgeschoten anti-hypocrisie doet het al jaren goed op televisie; bij Paul de Leeuw en in een doorgeslagen variant bij Geenstijl.

De intercity nadert station Haarlem. Het balkon loopt vol. Fiona bergt haar telefoon op in haar jaszak. Ze moet hier uitstappen. 'Ik zit meestal iets met dat ding te doen in de trein. Je kunt het asociaal noemen, maar ik heb meer contact met mijn ouders en met mijn vrienden. Ik heb er geen problemen mee als een medereiziger me aanspreekt, maar zelf spreek ik nooit iemand aan. Jij wel?'

Ik biecht op dat ik tamelijk ongemakkelijk word van goedbedoelende, meestal oudere mensen die om een praatje verlegen zitten. Dat ik liever preventief mijn oordoppen in doe en me op Facebook uitleef op (soms meedogenloze) beschrijvingen van mijn medereizigers.

'We vertonen niet minder sociaal gedrag', zegt Hans Boutellier, directeur van het Verwey-Jonker Instituut voor sociaal-maatschappelijke vraagstukken, 'maar de vanzelfsprekendheid is verdwenen. Vroeger wisten we beter wat 'normaal' was in een publieke sociale context, hoe we ons hoorden te gedragen. Nu moeten we de regels steeds opnieuw improviseren.'

En daar hebben we niet altijd zin in. In alle onduidelijkheid verlangen we soms terug naar een socialer vroeger. Dat betekent niet dat we daadwerkelijk terug willen naar de jaren vijftig, wel dat we soms hunkeren naar een publieke plaats waar de omgangsregels helder zijn. Een plaats zoals de stiltecoupé.

VERTROUWEN IN MORAAL

Opmerkelijk: Nederlanders hebben sinds 1970 steeds meer vertrouwen in hun eigen moraal - een steeds groter deel van de bevolking zegt te weten wat goed is en wat slecht. In dezelfde periode nam ons vertrouwen in de moraal van anderen af, blijkt uit SCP-onderzoek.

60 PROCENT

VERTROUWT DE MEDEMENS

Ondanks onze zorgen over normen en waarden, hebben we vertrouwen in onze medemens. Op de stelling 'over het algemeen zijn de meeste mensen te vertrouwen' antwoordt 60 procent van de Nederlanders bevestigend. (SCP)

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden