Altijd kalm gebleven

Van elke belangrijke Hollandse meester heeft het Mauritshuis wel een topwerk in huis. De basis werd gelegd door Oranjetelg Johan Maurits van Nassau-Siegen toen hij een stadspaleisje in Den Haag liet bouwen.

Geen fietspad dat open of dicht moet. Geen luidruchtige discussies bij directeurswisselingen. Geen wijkvergaderingen bij omstreden uitbreidingsplannen. Anders dan bij menig museum in Nederland heeft het Mauritshuis nooit voor gedonder gezorgd. Altijd is het rustig gebleven aan de Hofvijver. Spektakel werd op afstand gehouden; de diplomatieke terughoudendheid juist omarmd.


Kort samengevat komt de geschiedenis van het Mauritshuis hier op neer. Want juist daardoor is het geworden wat het nu is; een van de mooiste kleine musea ter wereld, vergelijkbaar met The Frick Collection in New York. In de luwte van het golfslagbad die de kunstwereld soms kan zijn, ontwikkelde het Haagse museum zich gestaag tot een bonbondoos vol artistieke delicatessen. Een hechte, coherente verzameling hoogwaardige schilderijen met twee publiekslievelingen: Het puttertje van Fabritius en Meisje met de parel van Vermeer.


Dat het allemaal begon bij Johan Maurits van Nassau-Siegen (1604-1679) is nog enkel in het gebouwtje te zien. De telg uit de Oranjefamilie werd vooral bekend als gouverneur van de West-Indische Compagnie in Brazilië. Een krachtdadig, populair en kunstminnend bestuurder, die veel in het buitenland vertoefde (hij werd later ook Stadhouder van Kleef), maar in Den Haag een stadspaleisje liet bouwen.


Dat het delicate woonhuis ooit een museum zou worden, stond toen nog niet vast. Die bestemming kreeg het pas in de 19de eeuw, hoewel Johan Maurits zijn vertrekken al graag met schilderijen opsierden, vooral van zijn familie en de strijd tegen de Spanjaarden. Bijna 200 jaar leidde het een sluimerend bestaan als 'Hotel van Staat', een chique onderkomen voor voorname buitenlandse gasten die op Staatsbezoek kwamen.


Het Koninklijk Kabinet van schilderijen, zoals het museum officieel heet, opende zijn deuren in 1822. Directe aanleiding was de schenking van 200 schilderijen uit het bezit van Willem I. De basis voor die verzameling was al gelegd in de 17de eeuw door de prinsen van Oranje. Nu werd deze privéverzameling voor het eerst openbaar. Precies zoals dat overal in het 19de-eeuwse Europa gebeurde toen koninkrijken verbrokkelden en de eerste sporen van democratie zich aftekenden.


In de twee eeuwen die volgden verviervoudigde de oorspronkelijke collectie, tot de 800 schilderijen die het museum nu heeft. Daarvan hangen er zo'n 200 op zaal - een hoog percentage dat duidt op een specifieke smaak en gericht aankoopbeleid. Wat klopt. Van elke belangrijke Hollandse meester heeft het Mauritshuis wel een topwerk in huis, aangevuld met tijdgenoten uit het buitenland, zoals Holbein, Rubens en Lucas Cranach. Een succesformule die zijn gevolgen heeft.


Het aantal bezoekers dat het museum de komende tijd verwacht (300 duizend), deed de directie in 2007 besluiten een nieuwe, ruimere ingang, een extra tentoonstellingzaal, brasserie en winkel te bouwen. Dat alles gaat volgende week open. Maar aan het gebouwtje van Johan Maurits zelf wordt - natuurlijk - weinig veranderd. Zoiets geeft enkel gedoe. En daarbij: Never change a winning team.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden