Altijd is Jet Bussemaker ziek

'Ik zie niet in dat iemand met een religieus motief wel werk zou kunnen weigeren (op zondag, FK) en iemand die wil voetballen niet.' Met deze parmantige stelling solliciteerde het sociaal-democratische Kamerlid Jet Bussemaker deze week naar een openbaar debatje over het werken op zondag - ja, alweer....

Met de schreeuw om een publiek debat lijkt Bussemaker ook te solliciteren naar een van de twee vacatures die onlangs ontstonden in de PvdA-fractie. Het actieve en verstandige Kamerlid Jan van Zijl - bedenker van onder meer het AOW-spaarfonds en Woensdag Gehaktdag - wordt voorzitter van de Raad voor Werk en Inkomen, en laat de functie achter van vice-voorzitter van de fractie. Het scherp geprofileerde Kamerlid Marjet van Zuijlen - per 1 september naar Deloitte & Touche - laat de secretarisfunctie onbemenst achter.

Het verschil tussen de PvdA-fractie en het zondagswerk is dat de sociaal-democraten een serieus probleem hebben en de zondagswerkers niet. Bussemaker en Van Dijke hebben een oplossing bedacht voor een non-existent probleem.

De feiten over werken buiten kantoortijd werden onlangs in het economenvakblad Economisch Statistische Berichten op een rij gezet door Koen Breedveld en Andries van den Broek, onderzoekers van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). Ze keken niet alleen naar de gevolgen van de deregulering van de Arbeidstijden en Winkeltijdenwet in 1996, maar schetsten ook de ontwikkelingen op een langere termijn. Heel grof samengevat is hun stelling: er is in vijftig jaar niets veranderd.

In 1955 werd gemiddeld 3,8 uur per week in de avonden en weekeinden gewerkt. Na een gestage daling tot 1,5 uur in 1975 liep het aantal buiten kantoortijd gewerkte uren weer licht op tot 2,2 uur per week in 1995.

De belangrijkste verklaring voor deze afname is de verandering van de economische structuur. Ten opzichte van 1955 is het aandeel van zowel de landbouw als de industrie in de totale economie afgenomen, ten gunste van de dienstensector.

'De ontwikkeling richting een post-industriële economie heeft niet alleen geleid tot de vervanging van industrieterreinen door kantoorparken, maar ook tot de overgang van ploegenwerk naar kantoortijden', constateren Breedveld en Van den Broek.

Dit is de feitelijke achtergrond waartegen discussies over zondagswerk gevoerd moeten worden. Breedveld en Van den Broek passen ervoor te zeggen dat er helemaal niets verandert in de organisatie van de werkttijd. Sinds 1975 is de hoeveelheid werk buiten kantooruren wel degelijk toegenomen (van 11,6 procent naar 13,3 procent van het totaal aantal gewerkte uren). Bovendien is sinds 1975 het aantal mensen dat weleens buiten kantoortijden werkt toegenomen van 49 tot 55 procent van de bevolking. Ook de variatie in de dagindeling (het tijdstip bijvoorbeeld waarop mensen met werken beginnen) neemt toe.

Maar, zeggen de onderzoekers, naar het schijnt direct tegen Bussemaker en Van Dijke: 'Een zekere erosie van collectieve (arbeids-)ritmes is waarneembaar, die echter nog niet tot gevolg heeft gehad dat er op grote schaal in de avonden en weekeinden wordt gewerkt (laat staan in de nacht).'

De liberalisering van de Arbeidstijden- en Winkeltijdenwet in het begin van 1996 had tot 1998 (recentere cijfers zijn nog niet beschikbaar) alleen een vermeldenswaardig effect op het avondwerk. De toename namelijk van het werken in de nacht en in het weekeinde was gelijk aan de groei van de werkgelegenheid.

Als het werken op zondag dus al een probleem is, dan is het dat al minstens vijfentwintig jaar, en mag de beide Kamerleden worden verweten, nou ja, geen haast te hebben gemaakt met het aansnijden van dit belangwekkende onderwerp.

Nog afgezien van historisch-kwantitatieve debunking van het initiatief van Bussemaker en Van Dijke (met dank aan het SCP) bestaat er ook nog zoiets als de voorkeuren van de contractpartijen op de arbeidsmarkt. Als het zondagswerk al zou toenemen, dan is het nog maar de vraag of dit op enige relevante schaal gebeurt tegen de voorkeuren van werknemers (en werkgevers) in.

Werknemers wisselen in steeds grotere aantallen van baan. De gemiddelde baanduur beliep een paar jaar geleden in Nederland zeven jaar (en is sindsdien vermoedelijk afgenomen), wat impliceert dat werknemers in hun totale arbeidszame leven een keer of vijf, zes van baan veranderen. Ze doen dat om uiteenlopende redenen. Het kan te maken hebben met de inhoud van het werk, het lage salaris, het gebrek aan ontplooiingsmogelijkheden -enfin, u weet er zelf alles van.

In deze mobiliteit op de arbeidsmarkt komen de voorkeuren van werknemers tot uitdrukking. En het is toch niet zo raar te veronderstellen dat werknemers die een broertje dood hebben aan werken op zondag - vanwege de kerk óf vanwege het voetbal - werk zullen zoeken dat niet op zondag hoeft te gebeuren?

Door aan te geven dat politiemensen, werknemers in de zorg en werknemers van vervoersbedrijven geen rechten kunnen ontlenen aan het initiatief, geven Bussemakers en Van Dijke impliciet aan dit punt best te begrijpen: als je niet op zondag wil werken, moet je geen politieman worden, niet de verpleging ingaan, geen buschauffeur worden. En dit geldt mutatis mutandis voor alle werknemers.

Is dat in de politiek nu wel handig, met een initiatiefwet voor een non-existent probleem solliciteren naar promotie?

Of hebben Jet Bussemaker en Leen van Dijke gelijk? Mail naar knikkers@volkskrant.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden