Altijd in een schemertoestand

EEN ROMAN schrijven waarin het Joegoslavië-tribunaal en de Balkan-oorlog een cruciale rol spelen is een riskante onderneming. Zeker als mensen als Louise Arbour, voormalig hoofdaanklaagster in Den Haag, en de Servische oorlogsmisdadiger Arkan met name worden genoemd....

Toch heeft de jonge Duitse schrijfster Juli Zeh (1974) de uitdaging niet kunnen weerstaan. Zeh is juriste, gespecialiseerd in volkenrecht en woont in Leipzig. Voor haar in het Nederlands vertaalde debuutroman Adelaars en engelen zijn deze biografische gegevens van belang, want zowel juridische kennis als de stad Leipzig spelen in deze buitengewoon spannende liefdesgeschiedenis een grote rol. Voor Adelaars en engelen kreeg ze onder andere de Deutsches Bücherpreis 2001.

Hoofdpersoon is Max, begin dertig. De briljante jurist werkt voor de VN op een kantoor in Wenen, dat onder leiding staat van de charismatische Rufus. Max is gespecialiseerd in de uitbreiding van de Europese Gemeenschap richting Oost-Europa. Zijn succesvolle carrière heeft hij bevochten op een moeizame jeugd vol drugs en criminaliteit.

Totdat hij een telefonische noodkreet ontvangt van zijn jeugdliefde Jessie, dochter van een gerenommeerde Weense groothandelaar in alles wat maar met drugs te maken heeft. Samen met Jessie heeft Max twaalf jaar eerder een drugstransport naar de Zuid-Italiaanse havenplaats Bari verzorgd. Inmiddels is hij van de drugs af, maar het weerzien met Jessie raakt hem dermate diep dat hij alles opgeeft om haar te beschermen.

Jessie is een psychotisch kindvrouwtje dat aan waanideeën lijdt. Maar in de drugswereld geldt zij als een professional. Ze is iedereen te slim af, ook haar vader. Hem heeft ze een grote som geld afhandig gemaakt en een waardevol computerprogramma heeft ze van een onvindbare code voorzien. Paranoïde als ze is, denkt ze dat haar vader haar wil vermoorden. Met Max vlucht ze naar Leipzig, alwaar ze tijdens een telefoongesprek met Max zichzelf alsnog door het hoofd schiet.

Dit is het moment waarop Adelaars en engelen begint. Het is 1999, Jessie is dood en Max gaat door het lint. Hij zegt zijn baan op en begint onvoorstelbare hoeveelheden cocaïne te snuiven en te slikken in de hoop zo snel mogelijk weer samen met zijn Jessie te zijn. Hij zoekt contact met de presentatrice van een nachtelijk radioprogramma. Deze 23-jarige Clara, in het dagelijks leven studente psychologie, haalt hem over Jessies verhalen op cassettebandjes vast te leggen. Het is prachtig materiaal voor haar doctoraalscriptie.

Als de therapeutische werking wat al te lang op zich laat wachten, ontvoert Clara Max. Ze neemt hem mee naar Wenen, naar het oord waar de vader van Jessie zijn onverbiddelijke drugsscepter zwaait en waar Max' voormalige baas Rufus zijn dubbelzinnige contacten onderhoudt met zowel Jessies vader als met het Haagse Joegoslavië-tribunaal.

Max houdt zichzelf in deze gevaarlijke situatie 'online' met meer en meer cocaïne. Ook Clara, die haar studie zo serieus neemt dat ze zich geheel met de dode Jessie vereenzelvigt, raakt door toedoen van Max verslaafd. Hun gesprekken zijn zo bot dat je je afvraagt waarom ze samen blijven maar één ding moet Max haar nageven: Clara beschikt over de vaardigheid 'types als ik te kunnen verdragen.'

Ondertussen blijft Max zijn bandjes inspreken. Hij vertelt alles wat hij van Jessie gehoord heeft en zo komen de Balkan-oorlog en de 'guns-for-drugshandel' in beeld. In deze passages wordt voelbaar dat de schrijfster furieus is over wat zich daar heeft afgespeeld, en vooral over het feit dat dit onderdeel van de Balkan-oorlog zo weinig aandacht heeft gekregen.

Of een roman hier verandering in zal brengen, is de vraag. Wel is duidelijk dat Zeh ons wil waarschuwen voor de gevaren van een al te snelle uitbreiding van de EU: veel drugshandelaren hebben hun werkterrein inmiddels kunnen vergroten dankzij de open grenzen. Of, zoals één van de medeplichtigen het in Adelaars en engelen formuleert: 'Dat gebeurde allemaal onder de grote paraplu van de uitbreiding van de EU naar het oosten en de nieuwe vrijhandelszone.'

Dit alles klinkt als een pamflet. Zeh balanceert op het randje als ze schrijft over de vriendschap tussen Rufus en Louise Arbour. Is de ongrijpbare Rufus een bestaande figuur die zij wil aanklagen? Wil zij Arbour ergens van betichten? Of is dit de grens waar de roman begint en de werkelijkheid zich terugtrekt?

Hoe het ook zij, als roman is Adelaars en engelen zeer zeker geslaagd. Dankzij gedenkwaardige personages, zoals de hond met de komische naam Jacques Chirac, en dankzij de trefzekere beschrijving van de onzekerheid van de altijd door drugs in een schemertoestand verkerende personages. Wanneer de broer van Jessie zijn wandaden bekent, schrijft Zeh: 'Hij perst zijn lippen op elkaar en houdt ze een poosje zo, door de druk loopt het bloed eruit weg en worden ze bleek als verdronken regenwormen.'

Na het ontegenzeggelijk choquerende einde van deze roman resteert een curieus mengsel van walging en bewondering. Walging vanwege het beschrevene - wat mensen elkaar aandoen, wat zij zichzelf aandoen - en bewondering omdat zoveel ellende toch zo'n indrukwekkend, zij het zenuwslopend, boek kan opleveren.

De vertaling doet de toon van het origineel recht, maar wordt helaas nogal eens ontsierd door germanismen. Zo wordt een uitdrukking als 'und lese mich fest' vertaald als 'en ik lees me vast'. 'Der Wagen bricht hinten aus' wordt simpelweg 'De wagen breekt achter uit'. Zonder deze slordigheden had de vertaalster Adelaars en engelen nog meer tot zijn recht kunnen laten komen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden