Altijd bij dezelfde baas gebleven

Marius Broekmeyer werkte 34 jaar op het Oost-Europa Instituut in Amsterdam, las alle Russische kranten en 'de hale bliksemse boel' en schreef een bevlogen boek over de eeuwigw treurnis op het Russische platteland....

OP ZICH ben ik een heel vrolijk kijkertje. Maar ik kan alleen schrijven als ik kwaad ben. Dan welt er iets in me op, langzaam borrelt het naar boven en dan denk ik, jongen, verdomd, nu moet het gebeuren.'

En zo gebeurde het dat Marius Broekmeyer zeveneneenhalf jaar geleden met de vut ging. 'Ik dacht, het kost me tien jaar om het boek te schrijven. Wachten tot mijn pensioen is riskant, want wie zegt dat ik op mijn 75ste nog fris ben.'

Misschien was het de boosheid, wie weet, maar het boek Het verdriet van Rusland is nu al af en Marius Broekmeyer, klein, tenger en met felle oogjes bleef fris als een hoentje. Hij is 67; zijn eens stekelige baard werd wit en wijs.

Hij werkte 34 jaar op het Oost-Europa Instituut in Amsterdam, las alle Russische kranten en 'de hele bliksemse boel', raakte geïnteresseerd in wat op het Russische platteland voorviel. 'Over tractoren, graanoogsten, gelogen of niet gelogen, kon je veel lezen, rapporten en studies, maar je begreep niet waarom het daar zo'n rotzooi was, de mensen geen zin hadden om te werken.'

Broekmeyer kreeg de indruk dat hij daarentegen uit reportages, gedichten en verhalen in literaire tijdschriften heel veel te weten kon komen. 'Dat bleek waar te zijn.' Die tijdschriften vielen onder de literaire censuur, niet onder de censuur van ministeries van landbouw, onderwijs of economische zaken. 'Een ongelooflijke hoeveelheid materiaal en vaak heel fel.'

Op de kleinst mogelijke blocnotes met het goedkoopst mogelijke papier noteerde Broekmeyer wat hem trof en boeide. Hij schreef vijftienduizend van die velletjes oorlogspapier vol en stopte ze in meer dan honderd bruine loonzakjes onder het kopje: voedsel, woning, paard enzovoorts. 'Sommige mensen denken dat ik historicus ben, nee, ik ben eigenlijk niets. Historici zullen dit maar rare bronnen vinden. Ik betwijfel of je op de manier waarop ik te werk ging, kunt promoveren. Ik geloof het niet. Ik ben niet wetenschappelijk te werk gegaan. Maar ik geloof wel dat het resultaat wetenschappelijk is, dat ik de werkelijkheid heb gevonden.'

Ook onder de literatoren zaten leugenaars en halve leugenaars. Die gebruikte hij niet; de hele- en halve-waarheidsprekers wel. 'In de loop der jaren merk je wie je wel en niet kunt vertrouwen. Natuurlijk het is mijn selectie. Eigenlijk is het een krankzinnig boek.'

Bijzonder is ook dat Marius Broekmeyer zelf maar weinig op het platteland van Rusland is wezen kijken. 'Nee', lacht hij smakelijk, 'ik ben geen journalist. Ik ging minder dan mijn collega's. Toen ik jong was wilde ik wel werken op een fabriek of op een kolchoz, maar dat kon niet. Als toerist had ik niet zo'n zin. Wat moest ik er zoeken? Al die ellende, die armoede, nee, ik ben niet zo'n ondernemende held. Ik ben een beetje bang.'

Hij kijkt me bijna vertwijfeld aan in zijn veilige huiskamer in Amstelveen: 'Ik wilde recht doen aan wat de Russische boer, maar vooral ook de Russische boerin, heeft moeten lijden. Onvoorstelbaar.'

In venijnig staccato zegt hij: 'Het fascineert me hoe zo'n groot land, zulke prachtige natuurlijke omstandigheden, zo'n grote boerenbevolking, de graanschuur van Europa, veertig miljoen ton graan per jaar moest importeren.'

In de jaren dertig is de boerenstand voor een groot gedeelte gedeporteerd en vermoord. 'In veewagens, tochten van twee drie weken, naar Siberië. Bij iedere stop werden de lijken naar buiten gegooid, een emmer water over de vloer. Mannen, vrouwen, alles door elkaar, geen eten, je behoefte zo maar op de grond. En dan de oorlog. Het Russische leger was een boerenleger. De boeren betaalden de hoogste tol. En na de oorlog hongersnood, onderdrukking, narigheid, toen ging het iets beter, maar nu is het weer verschrikkelijk.'

Is het uitzichtloos?

'Nee, niet helemaal. Ze zullen van voren af aan moeten beginnen. De mensen zijn plat geslagen, geloven niets van wat uit een ander dorp komt, zeker niet van wat uit de stad komt en aan Moskou hebben ze helemaal de pest. Ze zijn altijd belazerd, er altijd slechter op geworden, althans nooit beter. Nu weer privatisering. Bekijk het maar, ze kunnen doodvallen. De boeren verbouwen wat ze zelf nodig hebben, geven wat aan familie in de stad, ruilen een beetje en wat niet te koop is gappen ze. Daarom willen ze de kolchoz in stand houden, een stervend beest, waar ze als lijkenpikkers zoeken wat ze zelf niet hebben. Voor ons is dat niet te begrijpen.'

Hij vertelt het verhaal met lachwekkende droefheid, als een absurde klucht: 'Het eerste wat bouwvakkers doen, is een muurtje neerzetten van zo'n anderhalve meter en daarachter: klok, klok, wodka. Niemand die ze ziet.'

Een paar jaar geleden sprak Broekmeyer de oude Sicco Mansholt, die wel wat zag in de privatisering. 'Als je een boer een stukje land geeft, gaat hij vanzelf boeren.'

Broekmeyer antwoordde: 'Mijnheer Mansholt dit geldt voor de Noordoostpolder en de Wieringermeer. Niet voor Rusland. De Russische boer vertrouwt het niet. Wat zit daar achter, denkt hij. Wie zegt dat de volgende regering weer niet opnieuw collectiviseert en dat we, omdat we het goed doen, weer niet in een veewagen naar Siberië worden gestuurd?'

Hij grinnikt als een boze nar. 'De coöperatie is natuurlijk de oplossing, maar als je dat zegt riskeer je een klap voor je kanis. Coöperatie doet hen denken aan de kolchoz. Niemand die je gelooft als je zegt, nu is de winst voor jullie. Het is zo besmet.

'Ze zullen door schade en schande moeten leren dat het lastiger is om alleen je rommel naar de markt of fabriek te brengen dan met een vrachtauto van twintig boeren die samenwerken.

'Kijk, de boeren hebben allemaal een koe, een varken en wat kippen. Als het een beetje goed gaat krijgen ze een tweede koe, komt er een varken bij en misschien een paard, waarmee je iets kunt vervoeren. En paarden kun je fokken. Op de beloofde trekker hebben ze dertig jaar moeten wachten. En die komt voorlopig niet. Langzamerhand worden ze keuterboer en over twintig jaar een wat grotere boer. Het zal generaties duren.'

Ongeveer 30 procent van de bevolking woont nog op het platteland. Honderdduizenden dorpen werden opgeheven. 'Dat is te begrijpen. De afstanden zijn zo groot en je kunt niet ieder dorp stroom, water en wegen geven. Huizen werden afgebroken, bulldozers erover en de mensen moesten naar een centraal dorp; meestal oude mensen die introkken bij hun kinderen en daar dan dood gingen. De autoriteiten bouwden flatgebouwen, van die langwerpige, platte dozen, vier verdiepingen hoog. Maar een boer wil met zijn voeten op de grond. Dus wat komt daar in die flat te wonen? Uitschot, zwervers. God bewaar me. Wie kon trok naar de stad.'

Broekmeyer gebaart alsof hij zeggen wil: 'Hoe hebben ze het kunnen bedenken, de planners die zelfs van de boeren eisten dat ze met sneeuw en vorst gingen oogsten?'

Is er, vraag ik bedeesd, in de Sovjet-Unie ooit sprake van idealisme geweest?

'Ik weet het niet. Je moet haast aannemen dat het bij de revolutie in 1917 allemaal misdadigers waren; nou ja, dat mag je ook niet zeggen, maar je neigt er wel toe het te denken.

'In de jaren twintig zijn er ongetwijfeld mensen geweest die dachten dat er een betere maatschappij kwam. Maar het moorden is al meteen met Lenin begonnen. Stalin deporteerde miljoenen mensen. Maar hij heeft zich niet alleen door terreur kunnen handhaven. Hij had de steun van mensen die er beter van werden, mensen die opengevallen plaatsen innamen, maar vaak ook weer zelf werden opgeruimd.'

Maar hoe is het dan toch mogelijk geweest dat ook in het Westen mensen er in hebben geloofd?

'Ik begrijp het ook niet. Als je wilde had je het kunnen ien en weten.'

Uzelf dan?

'Ja, toen ik in militaire dienst zat, was ik lid van de CPN, een half jaar, ik ben nooit naar een vergadering geweest. Het was jeugdige dwarsigheid. Had beter niet kunnen gebeuren. Maar ja, een episode van gekkigheid.'

Marius Broekmeyer is in Haarlem geboren, groeide op in Brabant en later in Groningen, waar zijn vader hoofd was van een openbare school. 'Ik was een keurig jongetje, een beetje een sukkel met weinig belangstelling. Het was oorlog.' Hij ging in Groningen klassieke talen studeren, het boeide niet en hij woonde 'bij toeval' een college Russisch bij. Dat leek hem leuker. 'Mijn vader zei daar is geen droog brood in te verdienen. Ga maar rechten studeren. De juristerij heb ik niet afgemaakt.'

De slavische talen zette hij door. Hij woonde thuis en moest examens doen in Amsterdam. 'Mijn hoogleraar zei: voor je doctoraal moet je naar Rusland, Joegoslavië of Parijs. Zie maar wat je doet.'

Hij koos Joegoslavië, ging een jaar studeren aan de universiteit van Zagreb. 'Ik had helemaal niet dat gevoel van Joegoslavië is mooi of interessant. Nee, zeker niet.'

Na zijn doctoraal kwam hij op het Oost-Europa Instituut en toen moest hij promoveren: 'De meeste grijze haren krijg je bij het zoeken naar een onderwerp. Ik dacht, die Joegoslavische arbeidersraden, dat lijkt me wel wat. Nou hup, dan maar. Al lezende en werkende dacht ik, jongens, dit is het. De ideale vorm om een fabriek te runnen. Dat denk ik misschien nog, al is het dan nu allemaal op een grote puinhoop uitgelopen.'

Met grote warmte herinnert hij zich de papierfabriek in Bosnië. 'Ik was er drie maanden. Er werkten mensen die nauwelijks enige ontwikkeling hadden, arbeiders zonder opleiding, maar ze dachten enthousiast mee over de gang van zaken, hadden goede ideeën, iedereen deed mee. Prachtig wat ik daar gezien heb.'

Hij was er toen de Russen, in 1968, Tsechoslowakije binnenvielen. 'Mensen in ons dorp liepen rond van: laat die Russen maar komen. Dan kunnen we eindelijk weer eens knokken. Ja, een beetje vechtlustig volk. Nou ja, de Slovenen zijn geen vechtersbazen, de Kroaten houden er ook niet zo van, maar de Serviërs vinden het leuk. Je kreeg wel eens de indruk dat er voor hun te lang vrede was geweest.'

Hij lacht een kleine holle lach.

'Zo krankzinnig, zo ingewikkeld. Zo moeilijk om partij te kiezen. Maar ik weiger te aanvaarden dat de haat zo groot was dat er maar het minste geringste nodig was om de zaak te laten ontploffen, elkaar de hersens in te slaan.

'Het is opgejut. Uitgelokt. Toen de Kroaten uit de federatie wilden, hebben Servische, maar ook Kroatische politici, en niet te vergeten journalisten, een heel slechte, opruiende rol gespeeld.

'De zaak was niet meer te redden toen Duitsland Bosnië ging erkennen. Waanzinnig was dat. Je kunt een land erkennen als het een regering heeft, een volk heeft en ten derde die regering gezag heeft over het land dat zij zegt te hebben. Drie voorwaarden. Aan geen daarvan werd voldaan.

'Ik denk dat de grondslagen zijn gelegd toen Tito de republieken bijna zelfstandig maakte. Ze kregen eigen belastingen, een eigen staalfabriek en eigen legertje. Tito probeerde het nationalisme tegen te gaan door er aan toe te geven. Maar kennelijk geldt dat hoe meer je toegeeft, hoe meer je de nationalistische gevoelens opstuwt.'

In de afgelopen veertig jaar is Broekmeyer wel zo'n vijftig, zestig keer naar Joegoslavië geweest. Op vakantie, voor werk of studie. Laatstelijk in de jaren tachtig op verzoek van Amnesty International als waarnemer bij politieke processen. 'Toen kreeg ik de andere kant te zien. De repressie. Dat ging er niet zo netjes aan toe. Eerst was ik altijd welkom geweest, maar toen gingen de deuren voor mij dicht. Een vreemde gewaarwording.'

Hij woonde het proces bij tegen de activist Alija Izetbegovic, de huidige president van Bosnië. Veroordeeld tot achttien jaar. 'Gelukkig hoefde hij ze niet uit te zitten. Hij had een islamitische declaratie geschreven. Dat mocht kennelijk niet.'

Broekmeyer zucht en zegt: 'In die declaratie van Izetbegovic stond dat de islam niet alleen een godsdienst was, maar het hele leven, politiek maatschappij, omvatte. Er werd ook gesproken over een etnisch zuiver Bosnië. Een moslim mocht geen bloed geven aan een christen.'

Een slok koffie en Broekmeyer filosofeert: 'Amnesty vindt dat je mag zeggen en schrijven wat je wilt. Er waren slechts twee exemplaren van die declaratie. Ik weet niet meer of je altijd alles moet mogen zeggen en schrijven wat je wil. Ik weet niet of Amnesty het bij het rechte eind heeft. Schandelijk wat ik zeg, maar ik heb mijn twijfels.'

Broekmeyer volgt de recente gebeurtenissen in het voormalige Joegoslavië in de krant. 'Niet meer van dag tot dag. Het contact heb ik grotendeels verloren. Ik steun een paar slachtoffers van de oorlog, oude vrienden. Servië is de agressor, punt uit.

'Toch gaat - en ik moet heel voorzichtig zijn - mijn sympathie meer uit naar de Serviërs. Misschien omdat ik meer Serviërs ken. Het erge is dat iedereen waar maakt waar de vijand hem van beschuldigt, of an verdenkt. Van de Serviërs wordt gezegd dat ze een Groot-Servië willen. Vandaag de dag is dat zo. Van de Kroaten zeggen ze dat het moordenaars, jakhalzen, fascisten zijn. Van de Moslims wordt beweerd dat het fundamentalisten zijn. Nu gaat het inderdaad die kant uit. They all live up to their reputation.'

In 1970 verscheen van de hand van Karel van het Reve een essaybundel onder de titel Marius wil niet in Joegoslavië wonen. De grap van de oudere collega-slavist schoot Marius Broekmeyer in het verkeerde keelgat. Hij was geen salonsocialist, zoals Van het Reve suggereerde. Een leuke rel was het gevolg die in de krant werd uitgevochten. Ondanks de ruzie is een warme vriendschap gebleven. 'Karel is een van onze beste vrienden.'

De laconieke Van het Reve had al jaren eerder ontdekt dat het in het oosten niet daagde. 'Ja, beslist waar. En beter verwoord dan wie ook. Ik heb grote bewondering voor hem.'

Voor de toenmalige PSP'er Broekmeyer volgde de bekering een paar jaar later bij democratisering van de Amsterdamse universiteit.

'Toen is mijn linkse geloof volledig verdwenen. Eerst was ik enthousiast, maar toen kwamen CPN'ers en andere rare rakkers met hun revolutionaire apekool. Mensen werden kapot gemaakt, verwoest. Daar kwam ik tegen in verzet. Het maakte mij razend. Ik werd een straatvechter. Je wordt brutaal, genadeloos. Dat is niet goed voor je karakter. Na drie jaar hield ik er mee op. We wonnen voor 80 procent. Zij hebben de macht niet gekregen. Een rotzooi was het. Ik kan daar nog pissig van worden.'

Sindsdien stemt Broekmeyer VVD. 'Van rechts kreeg ik de meeste steun.'

Hij strijkt over zijn baard en verzucht: 'Het socialisme heeft mooie ideeën. Men wil het goede, maar bereikt te vaak het kwade. Het minimumjeugdloon is toch een prachtig idee. Geen uitbuiting meer van jonge mensen. Natuurlijk ben je daar voor. Maar het is te duur voor bedrijven. Zo creëer je ongewild extra werkloosheid.'

Toch, als hij het allemaal over zou moeten doen, zou hij het niet zo veel anders hebben gedaan. 'Ik ben heel tevreden. Ik ben nooit met de pest in het lijf naar mijn werk gegaan. En altijd bij dezelfde baas gebleven. Gek hè?'

Dan ineens voegt hij er aan toe: 'Als baas ben ik ongeschikt. Daar moet je mij niet voor hebben. Ik kom op een boel mensen heel agressief over. Mijn lichaamstaal, mijn woorden. En ben ik een ruziemaker?'

Vanuit de andere kant van de kamer klinkt heel lief: 'Soms.'

'Als iets me niet zint, laat ik het kennelijk duidelijk merken.'

Mevrouw Broekmeyer komt erbij zitten en we praten over het teloorgaan van de jeugdige idealen, de veranderende inzichten bij het klimmen der jaren. Want ook Marius Broekmeyer heeft in het verleden bloemrijke revolutionaire taal uitgeslagen. Was het dus allemaal onzin, het bellenblazen van de naïeve jongeling?

'Nee, geen onzin, maar het heeft niets uitgehaald.'

An Broekmeyer zegt als een zorgzame moeder: 'Onze makkers, ja zo noemen zij zich, onze makkers. Allemaal heel treurig. Wouter Gortzak, Igor Cornelissen, ze zeiden het hier pas nog: Het is allemaal voor niets geweest.'

Het is even stil in huize Broekmeyer.

Dan zegt Marius Broekmeyer: 'Nu heb je het gevaar dat alles moet wijken voor de wetten van de markt. Het einde van de ideologie, het einde van de geschiedenis, zeggen ze. Maar ik denk dat er weer iets komt dat er hard tegenin zal gaan, tegen dat koude marktdenken. Het is toch te gek zoals het nu gaat. De natuur houdt niet van een vacuüm. De Russen zeggen: een heilige plaats blijft niet onbezet.'

Hij staat op, haalt een tijdschrift, een boek, een schilderij van een Russisch dorp en laat het kleine kamertje-met-uitzicht-op-de-Hollandse-straat zien, waar Het Verdriet van Rusland ('natuurlijk gegapt van Claus') is geboren.

'Ik blijf het bijhouden', zegt hij wijzend naar de onbeschreven blocnotevelletjes. De bevlogen boekhouder. 'Literatoren moesten beschrijven hoe het geweest was, omdat geschiedschrijvers het niet konden. Nu komen ook de historici. Ze zijn vaak saai en droog. Om het te voelen in je tenen en hersens moet je bij de literatuur zijn. In Rusland heeft de literatuur altijd een grote rol gespeeld.'

Hij grinnikt. Een nieuwe woede dreigt te ontbranden. 'Een beetje in het verlengde van het platteland. De Tweede Wereldoorlog. Russische soldaten aan het front. Grotendeels boerenzonen. Hele lichtingen sneuvelden. Ze kwamen nooit meer terug. Ik zou willen weten hoe het nu echt aan het front, in de loopgraven toeging. Zinloze slachtingen. Stommiteiten. Verraad. Bij de Slag om Berlijn vielen 900 duizend Russen. Verschrikkelijk wat er toen is gebeurd. Het grijpt me aan. Ik ben me aan het inlezen en zie wel of het wat wordt, welke richting het uitgaat.'

Hij heeft er zin in, spreekt over vier tot vijf jaar. Als we afscheid nemen zegt hij bijna verontschuldigend: 'Je moet toch wat doen.' Hij kijkt mij aan en straalt als een tevreden mens: 'Het helpt niet om te zitten huilen. Je verpest alleen maar je eigen leven.'

Het verdriet van Rusland. Dagelijks leven op het platteland sinds 1945. Uitgave Jan Mets: ¿ 59,50. ISBN 90 5330 154 2.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.