Altijd als we met jullie samen waren, waren we gelukkig

Proost

Het jaar begon goed. Uit Hamburg mocht ik de Arche Literatur Kalender 2015 ontvangen, samengesteld door Elisabeth Raabe en Regina Vitali en dit jaar gewijd aan feestelijke gebeurtenissen en gevoelens van geluk in het leven van schrijvers.

Laat ik beginnen met een citaat van Frans Werfel. 'Ik wil op het gras gaan zitten,/ En met de aarde de avond ingaan./ O aarde, avond, geluk om op de wereld te zijn!' Ik deel het gevoel, al is het winter en moet het gras nog opkomen.

Feestelijk met een zwart randje is de toekenning van de Nobelprijs aan Boris Pasternak. Op 23 oktober 1958 schrijft hij aan het comité dat hij 'oneindig dankbaar, ontroerd, trots, verrast en verward' is. Bedreigd door het Sovjetregime schrijft hij nog geen week later: 'Rekening houdend met de manier waarop deze onderscheiding in de maatschappij waarin ik leef wordt uitgelegd, zie ik mij genoopt deze mij onverdiend toegekende prijs te weigeren. Neemt u alstublieft mijn vrijwillige weigering zonder mishagen op.'

Hoe anders is de reactie van Katherine Anne Porter als ze in de jaren dertig de Boek van de Maandprijs krijgt: 'Hoezee, Driemaal hoog met pauken en trompetten. IEP, IEP, UWAAA, zoals de Fransman zegt als hij hiep, hiep hoera wil zeggen...! IEP, IEP, herhaal ik, maar langzaam... Ik heb de prijs, ik heb de prijs.'

Minder enthousiast over feestelijke gebeurtenissen is de Braziliaanse schrijver Jorge Amado. In 1954 bezoekt hij het Congres van Sovjet Schrijvers in Moskou.

'Er is niets vermoeienders, saaiers, verschrikkelijkers als die feestelijke bijeenkomsten, cocktailparty's, ontvangsten, diners en andere hinderlijke zaken. De dwang om geestrijk te zijn, als de gasten van de schrijver glanzende zinnen verwachten, diepzinnigheid, virtuositeit, scherpzinnigheid: om je uit de voeten te maken.

'Als ik geen manier vind om weg te komen, ben ik dodelijk getroffen, hoe kan ik laat in de avond of bij een diner in jacquet geestig zijn? Ik ben dan totaal geblokkeerd, ik verstom, verlies de gave om de spreken, ben nog dommer dan ik gewoonlijk al ben.'

Juni 1932 schrijft Anaïs Nin in haar dagboek: 'Een zomeravond. Fred, Henry (Miller) en ik in een klein restaurant aan de straat. We zijn deel van de straat. We zijn niet de etende Henry, Fred en ik, we zijn een straat vol mensen die eten, praten, drinken. We eten ook de geluiden van de stad: de stemmen, de auto's, het roepen van de straatventers, het gillen van de kinderen, het koeren van de duiven, het fladderen van de doffers, het blaffen van de honden... We zijn allen één... De warmte van de dag is als een mannenhand op mijn borst... De wijn baadt ons allen in een afrodisische oceaan.'

Proost, lezer. En ik moest aan goede vrienden denken toen ik las wat Gerald Murphy aan Zelda en Frances Scott Fitzgerald schreef: 'Als we wisten dat we jullie 's avonds zouden zien of dat jullie kwamen eten in de tuin, waren we gelukkig en zeiden dat tegen elkaar. Altijd als we met jullie samen waren waren we gelukkig...' Houden zo.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.