'Als ze me als chef hadden gewild. . .'

Drie jaar geleden was het liefde op het eerste gezicht tussen het RPhO en Antonio Pappano. Nu is hij terug; voor even....

Nog nat van zijn repetitie met de 'technisch voorbeeldige musici' van het Rotterdams Philharmonisch herstelt Antonio Pappano de inwendige waterhuishouding met een lurk aan een onafscheidelijke fles met blauwe dop.

Met raspende bariton rekent de gast uit Londen af met het misverstand dat symfonieorkesten 'allemaal hetzelfde' zouden klinken: 'Elk orkest heeft zijn eigen karakter. Alleen, de echte klank, de echte persoonlijkheid komt er pas uit als je een orkest laat zíngen.' Hij laat het thema van Elgars Enigma-variaties in tempo adagio door de kleedkamer schallen. 'Zingt een orkest, dan hoor je wat ze voelen. Maar dat is werken, werken.'

William Walton, Benjamin Britten, Edward Elgar. Dat zijn de Britse klassieken waar het in de Doelen deze week om draait. 'Ik ken dirigenten die maar één antwoord hebben als ze voor een gastdirectie worden gevraagd: 'Laat mij maar Mahler 1 doen en voor de rest maakt het programma me niet uit'. Dat is niet mijn stijl. Ik houd van zinvolle combinaties', zegt de Amerikaan met de Italiaanse achternaam.

Ooit genoot Pappano een reputatie als 'zangersbegeleider' (twaalf jaar lang zat hij in Connecticut achter de piano als begeleider van zijn vaders zangleerlingen). Later was 'dirigent van Italiaanse opera's' het etiket. (Het platenlabel EMI trok hem aan voor een reeks Puccini's en Verdi's). Het veranderde in 'Pappano, de operadirigent' (als chef van de Brusselse Munt verkende hij alle hoeken van het repertoire; in de Weense Staatsoper maakte hij als 'Antonio Wie?' furore als invaller in Wagners Siegfried; in Bayreuth dirigeerde hij Lohengrin). Is, nu hij als opvolger van Bernard Haitink de lakens uitdeelt in het Royal Opera House Covent Garden, Antonio Pappano (43 jaar geleden geboren in Londen) dan eindelijk die 'Engelsman'?

'Ik bouw een programma graag op rond de solist met wie ik werk. De tenor Ian Bostridge is fabelachtig in de Serenade voor hoorn, trio en strijkers van Britten. De Ouverture Scapino van Walton gaat daar heel lekker aan vooraf, dat kunnen ze hier goed, really hot, en dat meesterlijke raadselwerk van Elgar lijkt me een fraaie afronding.'

'Onvergetelijk'. 'Miraculeus', luidden de kritieken na Pappano's eerste optreden met het RPhO, in mei 2000 met Elgars celloconcert en de tiende symfonie van Sjostakovitsj. Volgens RPhO-directeur Overman was het 'liefde op het eerste gezicht', en diende de betrokkene zo snel mogelijk terug te komen. 'Zo'n man van de drive, de energie, tussen Rotterdam en dat dirigententype heeft het altijd geklikt.' Als het even kon zou Pappano jaarlijks zijn opwachting moeten maken in de Doelen, deel uitmakend van een rijtje jongere gastdirigenten van kaliber - Ingo Metzmacher, Markus Stenz, Daniel Harding - waarmee het RPhO tegenwicht wil bieden aan de betrekkelijk frequente afwezigheid van zijn chef Valeri Gergjev.

Inmiddels heeft Pappano behalve de orkesten van Boston, Cleveland, Chicago en Los Angeles ook de Scala, de Berliner en de Münch ner Philharmoniker op het curriculum vitae, en krijgt het feest in Rotterdam wat hem betreft voorlopig geen vervolg. Het Santa Cecilia-orkest in Rome hief hem vorige maand op het schild als chef vanaf 2005. Voor twaalf weken per seizoen. En daar kan - naast zeven maanden Covent Garden op Pappano's jaarkalender - geen Rotterdam meer bij.

'Als ze me in Rotterdam als chef hadden willen hebben, was het een andere zaak geweest', zegt hij. 'Niet dat ik graag dat soort spelletjes speel, maar ik had geen zin meer om op een vaste plek als symfonisch dirigent te wachten, waar dat ook zou zijn. Ik wil wat meer regelmaat, en met Londen en Rome heb ik het gevoel dat alles zo'n beetje op z'n plaats valt.'

'Je kunt een dirigentencarrière niet verbeteren door de wereld rond te rennen en overal debuten te maken', zegt Pappano, wiens vader ooit door een dorpspriester in Castelfranco in de zang werd ingewijd. Eén of twee grote verrassingen, dat is genoeg. 'Ik viel in Wenen in met Siegfried en dat was big. Maar ik zat wél tien jaar in de Munt, en als je vraagt wat ik daar deed dan was het: naar repetities gaan. Pianorepetities doen. Kijken naar alle toneelrepetities. Dat heeft mijn reputatie gemaakt. Hetzelfde in Covent Garden. Daar staat ook niet alles klaar voor de binnenkomst van de Grote Man. Ambities zijn okay, maar als je de baan eenmaal hebt, moet je investeren, graven in jezelf. Als je getrouwd bent, blijf dan getrouwd. Heb dan niet steeds een oogje op anderen.'

En toch weer een paar eerste optredens, komend seizoen. Het Concertgebouworkest. New York Philharmonic. 'Dat zijn echt de enige. Verder ben ik niet van plan ooit nog een debuut te maken. Het is me te zenuwslopend, Jesus, alsof je elke keer aan het auditeren bent.'

In de operafabriek Covent Garden, een dolle machinerie die jaarlijks twintig opera's produceert en twaalf balletproducties (samen 286 voorstellingen), luidt het oude motto dat de music director altijd gelijk heeft, maar de algemeen directeur helaas nooit ongelijk. Spanningen rond een chronisch gebrek aan financiën zijn geluwd, het orkest is in 'prima vorm', het huis is 'nieuwgierig naar nieuwe theaterontwikkelingen' en Pappano voelt zich kortom 'kiplekker'.

Dat was anders, toen hij er als gast debuteerde met La bohème. 'Een nachtmerrie. De kritieken heb ik niet eens te zien gekregen. Ik had veertien voorstellingen, en voor de eerste zeven had ik zeven verschillende tenoren. Ik stond er als bevroren, terwijl er niet veel dirigenten zijn die de Bohème beter kennen dan ik. De les was: als je in een groot huis invalt in een stuk dat iedereen al gedaan heeft, dan is dat een kans. Ja, dé kans om onderuit te gaan.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden