Als we een kunstwerk niet los kunnen zien van het leven van de maker, verliest kunst haar functie

IJs & Weder

Foto de Volkskrant

'Preutsheid verspreidt zich als een olievlek', zegt beeldhouwer Femmy Otten donderdag in de Volkskrant. Een pagina verder zegt filmmaker Ruben Östlund, over museale kunst: 'Nu stelt dat soort kunst geen vragen meer'. Ik denk dat ze allebei gelijk hebben. Gelukkig zijn er kunstenaars als zij, die wél pijnlijke vragen stellen en zich weinig aantrekken van de publieke moraal. Die onverstoorbaar blijven maken wat ze willen, op het gevaar af dat hun commentaar op de tijdgeest niet wordt begrepen of dat ze als immoreel worden weggezet. Dat kunstenaars daarvoor steeds banger worden, begrijp ik, maar ik betreur het.

Een week geleden zoemde de vraag rond of je nog wel mocht kijken naar de films met Kevin Spacey. In The Guardian schreef Hannah Jane Parkinson er een column over en DWWD wijdde er een interessant item aan. Niemand had een eenduidig antwoord, gelukkig, maar de vraag bleef me bezighouden. Ik schrok van de vanzelfsprekendheid waarmee Parkinson de vraag verbreedde en zich afvroeg of je schrijvers die in hun leven blijk hadden gegeven van racisme, antisemitisme of vrouwenhaat nog wel 'mag' lezen. Zij noemde de poëzie van Ted Hughes, die zijn vrouw Sylvia Plath had bedrogen, waarna zij zelfmoord had gepleegd.

Lees die poëzie wél, zou ik zeggen, kijk in het hoofd van die vreemdganger. Het zou stil in de kunsten worden als iedereen die zijn of haar geliefde slecht heeft behandeld of een onwelgevallige mening heeft geuit, wordt weggejaagd. Als we een kunstwerk niet los kunnen zien van het leven van de maker, verliest kunst haar functie.

'Lees Ted Hughes' poëzie wél, zou ik zeggen, kijk in het hoofd van die vreemdganger.' Foto Hollandse Hoogte

Kunst is geen risicoloos tijdverdrijf voor schöngeisten; zij levert altijd commentaar op de wereld. Maar kunst zou wel een vrijplaats moeten zijn, een arena waar we morele kwesties uitvechten. Al is het gevecht bloeddorstig en slaan de dampen ervan af, er vallen geen doden. Kunst is niet per se mooi of nobel. Zij put uit de krochten van de menselijke ziel, waar een hoop vuiligheid huist, verboden gevoelens, fantasieën en gedachten, en schaamte daarover.

Gedachten zijn vrij. Was dat niet de afspraak? De verbeelding is vrij. Dankzij film en literatuur kunnen we ons verplaatsen in het hoofd en het hart van bedriegers, moordenaars, dictators én van hun slachtoffers en vijanden, zonder zelf al die ellende mee te maken. Dat hoeft de maker ook niet, maar die moet wel de verbeeldingskracht hebben zich in al die mensen te verplaatsen en ons de illusie van echtheid te geven.

Soms valt een kunstenaar samen met zijn thema. Denk aan Gerrit Achterberg, een van de grootste Nederlandse dichters. In zijn gedichten wil hij contact maken met een overleden geliefde. Onze leraar Nederlands vertelde dat Achterberg zijn hospita had vermoord, een fatale liefdesgeschiedenis. Achterberg was ervoor veroordeeld en had tbs gekregen. Hij bleef er zijn leven lang over dichten, hij kreeg literaire prijzen. Niemand op dat brave lyceum die ons aanried die gedichten maar niet te lezen omdat een moordenaar ze had geschreven. Zou dat nu nog zo gaan?

Als we willen dat kunst een arena blijft, zijn er ongeschreven spelregels. Allereerst: voor kunstenaars gelden dezelfde wetten als voor andere burgers; over hun misdaden oordeelt de rechter. Dan: de kwaliteit van het werk staat op zichzelf. En: makers van fictie zijn niet gelijk aan hun hoofdpersoon en niet aanspreekbaar op verzonnen daden. Die spelregel wordt lastig als schrijvers zelf geen helder onderscheid meer maken tussen fictie en autobiografie.

Zonder deze overeenstemming zie ik het somber in. Ik hoop dat ik te pessimistisch ben.

Aleid Truijens is schrijver, literatuurrecensent en biograaf.
Reageren? opinie@volkskrant.nl

Meer over