Als toerist-in-een-horde berokkenen we schade aan welbevinden inwoners

Het spel en de knikkers

Foto de Volkskrant

Ook in San Sebastián gaat het hard richting pretpark, kopte de Volkskrant deze week. De Spaanse stad aan de Baskische Golf trad in de voetsporen van Barcelona door op straat te demonstreren tegen het massatoerisme. 'Tourist go home'.

De krant gaf ons lezers, in een kadertje, een overzicht van mogelijke maatregelen tegen massatoerisme. Eén: beperk het aantal overnachtingsplekken. Twee: beperk de toegang tot stadsdelen, lekker ouderwets met een poort. Drie: verspreid de toeristen. Vier: hef toegangsgeld, zoals in Bhutan.

Kunnen we betere maatregelen bedenken? En: is dat eigenlijk wel een goed idee? Hoe werkt de economie van het toerisme?

Toeristen kopen vliegtickets, betalen overnachtingen, kopen eten en drinken en bezoeken weleens een museum. Deze bestedingen betekenen omzet voor de betrokken organisaties. En om de door toeristen gevraagde diensten te kunnen leveren is personeel nodig, moeten goederen worden ingekocht en investeringen worden gedaan. Toerisme, kortom, is in essentie een economische sector die de welvaart verhoogt door loon- en winstinkomen te genereren, zoals alle andere sectoren dat ook zijn.

Maar het is wel een sector met een rare twist. Toerisme is namelijk vergeven van de negatieve externe effecten. Zowel tijdens de reis als tijdens het verblijf berokkenen wij als toeristen schade aan mensen die part noch deel hebben aan onze vakantie. Ze profiteren er niet van, maar hebben er wel last van.

Laten we het ergste geval nemen: de internationale stedentrip.

Tijdens de (vlieg)reis veroorzaken we als toerist CO2-uitstoot en leveren zo een bijdrage aan klimaatverandering. Op kerosine, vliegtuigbrandstof, wordt geen (milieu)belasting geheven. We vliegen voor een paar tientjes naar een andere stad en veroorzaken met deze consumptie tegelijkertijd tientjes aan milieuschade die moet worden betaald door iedereen. Vliegen mag een beetje werk geven en (een heel klein beetje) winstgevend zijn voor vliegtuigmaatschappijen, maar als we, zoals het hoort, het negatieve externe effect meerekenen, daalt met elke vlucht de welvaart van ons allemaal.

Eenmaal op de bestemming aangekomen, laat het San Sebastián zijn, berokkenen we als toerist-in-een-horde, schade aan het welbevinden van de inwoners. Een klein deel van de inwoners (actief in het toerisme) ontvangt baten, maar de rest van de inwoners draagt wel de lasten, maar niet de lusten. Ook voor ons verblijf kan dus gelden: per saldo daalt de welvaart door het toerisme.

Een andere manier om dit te zeggen: toerisme is te goedkoop. We betalen 500 euro voor een stedentrip waar de juiste prijs, inclusief de externe effecten, 700 euro is.

Wat te doen? Verstandig overheidsbeleid zorgt in elk geval voor goede prijzen. De CO2-uitstoot van (vlieg)reizen moet worden belast. Steden waar toerisme overlast geeft aan inwoners moeten de toeristenbelasting verhogen. De gevolgen hiervan zijn tweeledig: overheden krijgen meer inkomsten binnen (en hoeven hun eigen inwoners dus minder te belasten); en door de hogere prijs daalt de omvang van de toeristenstroom. Dan is stedentriptoerisme wél welvaartsverhogend.

Wat kunnen we zelf doen? Bewuster omgaan met onze bestedingen en activiteiten. Het is allicht een schokkende mededeling, maar een leven zonder stedentrips kan óók vol en bevredigend zijn. En als het echt moet, zo'n stedentrip, kan het ook dichtbij, te voet, per fiets of trein. En naar een stad waar ze snakken naar de komst van een toerist.

Ook zonder goed overheidsbeleid kunnen wij ons als verstandige mensen gedragen.

Frank Kalshoven is directeur van De Argumentenfabriek. Reageren? frank@argumentenfabriek.nl