'Als je veel talenten hebt, ga je niet in de tuin zitten' juiste foto komt nog

Hanja Maij-Weggen kende geen twijfel toen ze werd gevraagd voor het ministerschap. Maar het irriteerde haar dat ze vervolgens werd neergezet als Vrouwelijke Minister en mooi meisje....

Haar vader zei vaak: ‘Je had eigenlijk een jongetje moeten zijn.’ Rijwielhandelaar Weggen uit Klazienaveen was vader van twee dochters en hoopte vurig dat God hem ditmaal een zoon zou schenken, toen zijn derde kind werd geboren – een meisje. Niet de beoogde Johan, maar een Hanja, voluit: Johanna Rika Hermanna. ‘Ik heb de namen van mijn grootvaders en van mijn vader gekregen, in de vrouwelijke vorm.’

Vond u het vervelend dat uw vader zei: je had eigenlijk een jongetje moeten zijn?

‘Ik vond het niet onredelijk, na twee dochters. Maar omdat hij het zo vaak zei, dacht ik misschien onbewust: als ik dan een jongen had moeten zijn, wil ik me ook best jongensachtig gedragen. Ik liep graag rond op de werkplaats van mijn vader en stelde allerlei vragen aan de knechten: ‘Hoe zit die fiets precies in elkaar?’ Ze waren niet erg op me gesteld, vonden dat ik overal aanzat, in de weg liep.’

Later kreeg Hanja Maij-Weggen alsnog twee broers, en een zus. Toen nam haar vader een beslissing waar ze wel moeite mee had. Er was geen geld om alle kinderen een academische studie te laten volgen. Hij zei: ‘De jongens mogen naar de universiteit en de meisjes moeten maar een mooi beroep leren: onderwijzeres of verpleegkundige.’’

U moet dat als bijzonder onrechtvaardig hebben ervaren.

‘Daar heb ik heel erg tegen geprotesteerd. Ik weet nog dat ik het rapport van mijn broertje en mijzelf naast elkaar legde en zei: ‘Mijn cijfers zijn een stuk beter.’ De directeur van de school kwam zelfs nog op bezoek om hem uit te leggen dat ook de meisjes goed konden leren en moesten doorstuderen. Maar mijn vader had zijn lijn getrokken. Ook onder het motto: het zijn geen lelijke meisjes, dus ze zullen heus wel trouwen. Mijn zussen en ik waren tamelijk populair in het dorp. Behalve dat ze ons – en zeker mij – veel te bijdehand vonden. Dat schrikte sommige jongens toch wel af.’

Een drijfveer?

‘Ik ben mijn hele leven opgekomen voor vrouwen die achtergesteld werden. Aha, realiseerde ik me dan, dat ken ik nog. Het is gewoon niet eerlijk. Niet eerlijk. Maar ik was erg gesteld op mijn ouders, dus dat betekende dat ik ze geen al te harde verwijten wilde maken. Het was volstrekt normaal in gereformeerde kring om verstandige meisjes naar een beroepsopleiding te sturen en jongens naar de universiteit te laten gaan.’

Korte stilte. ‘Toen ik minister werd, zei mijn vader: ‘Zie je wel, kind. Ik dacht toen al: die komt toch wel goed terecht.’’

Haar voorlichtster op het provinciehuis, in de zithoek van zwartleren Corbusier-stoelen, schiet in de lach.

Hoe reageerde u toen?

‘Ik denk dat ik een beetje zó heb gekeken.’ Ze laat een bevroren lachje zien, waarin een vleugje ironie doorschemert – Nederland leerde het kennen van foto’s en televisieopnamen bij Kamerdebatten toen Hanja Maij-Weggen nog CDA-minister van Verkeer en Waterstaat was.

Begin oktober neemt ze officieel afscheid als commissaris van de koningin in Noord-Brabant, als een van de langstzittende vrouwen in de politiek.

Hanja Weggen volgde weliswaar de opleiding tot verpleegkundige, maar studeerde alsnog zes jaar pedagogiek en kunstgeschiedenis aan de universiteit. Op eigen kosten, dat wel. ‘In feite was het discriminerend.’ Ze betaalde haar studie met het geld dat ze verdiende als docent gezondheidszorg. Op haar 34ste, inmiddels gehuwd met fysicus Peter Maij en moeder van twee dochters, werd ze lid van het Europees Parlement. In 1986 benoemde de Europese Volkspartij haar tot vicevoorzitter van de fractie in Brussel.

Wat dacht u toen Ruud Lubbers belde of u minister wilde worden?

‘Kennelijk behoorde ik tot de high potentials van de partij. In de top van het CDA draaide ik al heel stevig mee. Ik was vice-voorzitter van de grootste fractie in het Europees Parlement, een forse klus. Dus het ministerschap zou voor mij wel een van de mogelijkheden zijn. Maar mijn specialismen waren milieu en sociale zaken. ‘Wat heb ik nou met verkeer en waterstaat?’, zei ik tegen Ruud Lubbers. ‘Nou’, zei Ruud, ‘verkeer en vervoer heb je in drie maanden geleerd hoor.’ En ik ben wel zo opgevoed, dat je geen nee kunt zeggen als je ergens voor wordt gevraagd en dat in principe heel goed aankunt.’

Dat wist u wel: ik kan het aan?

‘Ik geloof niet dat ik daarover twijfelde. Hooguit zat ik met een wat soortvreemd ministerie. Maar ik heb gemerkt dat Ruud Lubbers gelijk had: het kostte wat kilo’s, maar ik heb het vrij snel geleerd.’

Veel anderen, vooral vrouwen, zouden zeggen: ik heb toch wel getwijfeld of ik het aankon.

‘Daar heeft u gelijk in. Toen ik begon als commissaris, stelde ik vast dat er maar zeven vrouwelijke burgemeesters in Brabant waren, van de 69. Het gekke is dat veel mannelijke wethouders zich al in het derde jaar van hun eerste periode melden: ik wil eigenlijk wel burgemeester worden. ‘Zorgt u eerst maar dat u een keertje overleeft als wethouder’, moet ik ze nogal eens antwoorden. Vrouwen komen zich pas melden – maar dan moet je ze ook nog een duwtje hebben gegeven – als ze aan het einde van tweede of in hun derde periode zitten. Ze aarzelen veel langer.’

En dat weifelende heeft u niet.

‘Nee, nee. Ik weifel alleen als ik een kledingstuk moet kopen. Mijn oplossing is altijd: dan koop ik ze allebei maar. Is dat probleem ook weer opgelost.’

Haar vader was secretaris, scriba, van de gereformeerde kerk in Klazienaveen, haar moeder voorzitter van de gereformeerde vrouwenbond. ‘Liberaal gereformeerden’, zegt Maij-Weggen. ‘Met de strakke regels van het geloof werd soepel omgegaan. Het was verboden naar de bioscoop te gaan, maar mijn moeder ging toch echt met haar drie dochters naar de Sissi-films. Allemaal op de fiets. ’

Wat vond u ervan?

De eerste spontane lach: ‘Fantastisch!’

De Weggen-kinderen mochten boeken lezen uit de wereldse, openbare bibliotheek – niet gebruikelijk in zwaar protestantse kring. Alle zes lazen ze gretig; Hanja was de meest hongerige. Toen ze een jaar of 13 was, werkte ze als hulpje van de bibliothecaresse. In ruil mocht ze zoveel boeken lenen als ze wilde.

Wie waren uw lievelingsschrijvers?

‘Je zag toen al dat het voor mij functioneel moet zijn. Boeken over dieren waren absoluut favoriet, en reisboeken. Ik las eerlijk gezegd weinig romans; die vond ik minder interessant. Boeken zag ik als een mogelijkheid om mijn kennis te verdiepen en te verbreden. Als je in een klein dorpje in Zuidoost-Drenthe woont, is de wereld vrij klein, en ik had juist een enorme behoefte die wereld te verkennen.

‘Mijn stelling was altijd: ik blijf niet hier. Als je leest, merk je dat er veel meer te zien en te beleven is, dat er ook andere ideeën bestaan. Ik herinner me dat een onderwijzer in de vijfde klas lagere school beweerde dat de Doleantie de belangrijkste gebeurtenis in de geschiedenis was. Toen stak ik mijn vinger op en zei dat ik het gevoel had dat de Franse Revolutie misschien nog wel belangrijker was geweest. Dat heeft me wel een fikse reprimande opgeleverd, van mijn vader.’

Waarom zei u dat?

‘Omdat ik ervan overtuigd was. Ik zei het niet om lastig of betweterig te zijn.’

Om de wijsneus te zijn.

‘Nee, want een wijsneus was ik toch wel, in zekere zin. Je hoorde om je heen: dat kind weet alles al.’

U had, als jong meisje, één vast vriendje, Willem van de sluiswacht.

‘Een belhamel. Hij sprong op turfschepen, om er een endje verderop af te springen. En ik deed mee. Soms werden ze getrokken door een motorboot; dan mochten we meehelpen die boot te besturen. Mijn ouders waren bang dat je kattenkwaad van die jongen leerde – nou, dat deed je ook. Hij kwam echt uit een jongensgezin, behoorlijk ruwe jongens. Ik had toen nog geen broertjes en raakte zo gewend aan de manier waarop jongens met elkaar omgingen. Dus dat leerde ik ook te gebruiken.’

Later: ‘Ik wil niet zeggen dat ik als kind onvriendelijk was, maar ik was ook niet te beroerd om eens flink uit te pakken als ik iets onrechtvaardig vond.’

Als minister kreeg u de naam van de bitse, harde Hanja Maij-Weggen.

‘Als ik zie dat mensen echt vals zijn, hebben ze aan mij geen gemakkelijke. Kamerleden kritiseren altijd ministers; het is jammer dat ministers Kamerleden niet kunnen overtuigen dat ze eerlijk spel moeten spelen. Ik dacht: blijkbaar kan ik hier alleen functioneren als ik af en toe eens stevig uithaal. Er ontstond wel een zekere beduchtheid voor mij. Men ging voorzichtiger met mij om.’

Vond u dat prettig, die zekere beduchtheid?

‘Ik vond dat wel gepast. Het was in elk geval praktisch.’

Toen u aantrad, gebeurde er iets raars. U werd beschreven als meisje Maij. U zou van een ijskoude schoonheid zijn, en een ‘onmiskenbaar erotisch element’ toevoegen aan de politiek.

‘In Brussel, waar ik – ik zeg het nogmaals – vicevoorzitter was van de grootste fractie in het Europees Parlement, functioneren mannen en vrouwen op gelijke voet. Ik kwam terug in Nederland, en ineens werd ik neergezet als een Vrouwelijke Minister. Als een mooi meisje. Dat irriteerde me erg. Ik vond de media behoorlijk seksistisch.’

Er zat ook iets kleinerends in, van die mannen.

‘Pas op hoor, vrouwelijke journalisten deden het ook.’

Strakke blik boven haar vlammende bisschopspaarse jasje, gecompleteerd met een snoer zwarte parels – ze heeft altijd tot een van de zorgvuldigst geklede Nederlandse politica’s behoord.

Dan, glimlachend: ‘In het tweede jaar van mijn ministerschap was ik het zat, het geschrijf over mijn uiterlijk en mijn kleren. Ik dacht: laat ze ook eens luisteren naar wat ik te zéggen heb.

‘Toen heb ik een tijd drie, bijna dezelfde pakken tegenover elkaar gedragen. Een blauw pak met een wit randje, een wit pak met een blauw randje.

‘‘Als wij foto’s van u opsturen naar de redactie, denken ze dat het ouwe foto’s zijn’, zeiden fotografen tijdens een bijeenkomst. Ik antwoordde: ‘Dan vrees ik dat jullie nog heel wat ouwe foto’s gaan afleveren.’ Het scheelde me veel geld en veel gezeur.’

U ergerde zich aan het seksisme in Nederland. Wat dacht u toen Ruud Lubbers als Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen door een VN-medewerkster werd beschuldigd van ongewenste intimiteiten?

Ze is even stil. ‘Ruud Lubbers heeft wel de neiging snel een hand op iemands arm te leggen, snel een arm om iemand heen te slaan. Maar hij bedoelt daar naar mijn beste weten altijd iets positiefs mee. In sommige culturen moet je daarmee oppassen. Het kan erg verkeerd uitgelegd worden door iemand die misschien kwaadwillend is.’

Kwaadwillend, zegt u. Kan het niet zo zijn dat de VN-medewerkster het als intimiderend heeft ervaren?

‘Dan moet je het gewoon zeggen.’

Had hij niet gewoon beter moeten oppassen?

‘Het is natuurlijk lastig om iets te zeggen tegen iemand die in een hogere functie zit.

‘Maar ze had het volste recht te zeggen: dit vind ik niet leuk, dit moet je niet meer doen. Ik neem aan dat dat toch wel was opgepikt.’

U acht hem niet in staat tot ongewenste intimiteiten.

‘Ruud Lubbers is een bijzonder waardevol mens. Dat hem dit overkomen is...Maar misschien heeft die mevrouw ook wel het gevoel gehad dat haar iets overkomen is wat ze niet op prijs stelde.’

Hoe kijkt u naar Jan Peter Balkenende?

‘Ik vind dat hij zich geweldig goed heeft ontwikkeld, tot een van de betere premiers. Hij is erg gehoond, in het begin. Maar hij is altijd rustig gebleven. Men heeft hem dus letterlijk niet klein kunnen krijgen.’

Vindt u dat hij na dit kabinet nog door moet gaan?

‘Dat moet hij zelf weten. Mijn inschatting is dat hij nog een keer de verkiezingen in zal gaan.’

Het CDA sluit samenwerking met Geert Wilders niet uit. Stel dat de PVV samen met het CDA in een kabinet zou komen te zitten

Ze onderbreekt: ‘Ik kan me dat niet voorstellen.’

Zou het dan uw partij nog zijn? In het verleden heeft u oud-VVD-leider Frits Bolkestein vergeleken met de extreem-rechtse Flip Dewinter.

‘Ik denk niet dat ik op mijn leeftijd de partij nog in de steek laat. Zelfs al zou het CDA iets doen waarvan ik denk: dat had beter gekund.’

Maar het migratiedebat is een wezenlijk onderwerp voor u.

‘Ik kan me niet voorstellen dat het CDA samen met de PVV gaat regeren. Mijn politieke intuïtie is meestal behoorlijk op orde. Het CDA sluit nooit een partij uit, tenzij die anti-democratisch of notoir racistisch is.’

En dat kan niet gezegd worden van de PVV, vindt u.

‘Dat weet ik niet. Dan zou ik eens al hun uitlatingen op een rijtje moeten zetten. Eerlijk gezegd ben ik niet geneigd te luisteren naar de PVV.’

Twee bodes serveren de lunch in de ontvangstkamer. Witvis met hollandaisesaus, gekarameliseerde witlof, aardappelpuree met kruiden. Ze nipt van haar glas witte wijn. Geamuseerd: ‘Toen ik op het ministerie van Verkeer en Waterstaat kwam, kreeg ik een broodje kaas, een glas karnemelk en een appel aangereikt. Ik zei: ‘Als jullie willen dat ik hier elke avond tot half tien werk, wil ik ’s middags en rond half acht een hapje warm eten. Met een glaasje wijn.’ Nou, daar moest iedereen even over nadenken. Blijkbaar was mijn voorgangster Neelie toch meer van het broodje en de appel. En de karnemelk.

‘Na twee dagen belde Ruud Lubbers. ‘Hanja, heb jij de lunchgewoonten op Verkeer en Waterstaat gewijzigd?’ Ik antwoordde: ‘Dat mag je wel zeggen. Moet je je eens voorstellen waarmee ik werd verblijd.’ Ruud Lubbers zei: ‘Het gonst rond dat jij ’s middags een warm hapje en een glaasje wijn wilt.’ Ik antwoordde: ‘Ik hoop dat het snel navolging krijgt. Zo zijn de Brusselse gewoonten.’

Denkt u weleens trots: ik heb toch veel bereikt, voor de dochter van een rijwielhandelaar?

‘Mijn vader was een keurige middenstander hoor. Wim Kok was de zoon van een timmerman, en zo ken ik er nog wel een paar.’

Ik bedoel: het was voor u geen vanzelfsprekendheid dat u naar de universiteit zou gaan, u hebt altijd moeten vechten.

‘Laat ik het zo zeggen: ik ben heel dankbaar. Ik heb veel kunnen doen, in mooie posities.’

Mensen die hier in Brabant met u gewerkt hebben zeggen: ‘A deux is ze hartelijk, maar in gezelschappen kan ze afstandelijk overkomen.’

‘Ik weet niet wat u daarmee bedoelt. Op een receptie loop ik toch gezellig rond.’

U straalt iets strengs uit.

‘Nou, is dat zo?’

Een gereformeerde tussen de Brabantse katholieken.

‘Dat je je de stijl van de Brabanders niet helemaal eigen maakt, wil niet zeggen dat je die stijl niet apprecieert.’

De burgemeester van Bergen op Zoom vertelde dat hij een keer eerder wegging dan u, bij een werkbezoek aan zijn gemeente. Hij kwam buiten en beide chauffeurs keken hem verschrikt aan: dat hoorde niet.

‘Als je een gemeente bezoekt, word je ontvangen door de burgemeester. En de burgemeester laat de commissaris ook weer netjes in de auto terug stappen. Dat hoort zo. Hij had een goede reden; ik heb er later nog met hem over gepraat. Maar het is ongebruikelijk.’

En u hecht wel aan die vormelijkheid?

‘Je kijkt ervan op als het niet gebeurt. Als er iets is waar Nederlanders niet goed in zijn, is het hoffelijkheid. In Brussel heb ik geleerd dat hoffelijkheid het leven prettiger maakt. Het geeft spelregels aan in een onderlinge verhouding. Hier in huis wil ik dat we altijd hoffelijk zijn tegen de gasten. Het past ook bij Brabant. In Brabant willen de mensen graag aardig tegen elkaar blijven, mild, niet zo snel op scherp gaan.’

Terwijl u bekend stond als de rechtlijnige politica die juist vaak op scherp ging.

‘Ik ben wel aardig bijgesteld. Het is niet altijd effectief om zo Nederlands calvinistisch op te treden. Mensen kunnen zich gegriefd voelen. Je leert in de loop der jaren toch wel wat vriendelijke tactieken te hanteren om anderen, zonder dat je ze bruuskeert, op datgene te laten uitkomen’

...waar u ze het liefst wilt hebben.

‘...waar je ze het liefst hebt, ja.’

Iedereen beschrijft u als iemand met een enorme werkdrift. Was uw werk ook een soort heilige missie?

‘Je hebt wel degelijk het gevoel dat je een opdracht moet vervullen – dat is misschien ook wel je christelijke achtergrond.’

Een opdracht: zo heeft u uw werk ervaren.

‘Als je veel talenten hebt meegekregen – en ik durf best te zeggen dat ik er een paar bezit – is het niet de bedoeling dat je ermee in de tuin gaat zitten.’

Wat zijn uw talenten precies?

Meteen: ‘Nou, als u die nu nóg niet op een rijtje hebt.’

Ze schiet onverwacht in de lach, om zichzelf.

Dan: ‘Dat was een beetje bot.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden