'Als je niet' praat, hoor je niks'

Oud-wereldkampioen wielrennen Arie van Houwelingen (69), sportman van het jaar in 1959, is 'pratende geboren'. Dat heeft zijn voordelen, als je maar op tijd weet te zwijgen....

'De laatste zes of zeven jaar ben ik er niet meer geweest. Kennelijk heb ik iets gezegd, wat ze niet beviel. Ik weet niet meer wat dat geweest is, maar sindsdien krijg ik geen uitnodiging meer om de uitreiking bij te wonen. Ik zit er niet mee. Echt niet. Het is ook al weer zo lang geleden dat ik sportman van het jaar was. Dat was in 1959. De prijs was toen een transistorradio. Ik zag hem laatst nog op televisie in Get the picture. Ik riep tegen m'n vrouw in de keuken: "Kijk, daar heb je m'n radio."

Ik houd van praten en van redeneren en filosoferen op mijn manier. Ik zeg altijd maar zo: als je niet praat, hoor je niks. Vorig jaar waren we zoveel jaar getrouwd en gingen mijn vrouw en ik uit eten in een eetcafé bij Aalsmeer. We lopen die zaak binnen, net toen er een paar mensen naar buiten kwamen. Ze spraken Engels, dat hoorde ik. Dus ik zei zo: "Good evening."

Enfin, we raken in gesprek. Blijkt die man een neef te zijn van de vrouw van Tommy Simp son. U weet wel, de renner die in de Tour de France van 1967 is overleden. Ik kwam Simpson eens tegen op een wielerbaan in Gent en stelde me voor: "Van Houwelingen", zei ik. "Oh hooligan", antwoordde hij, "bad people."

Houwelingen werd hooligan. Dat was een woordgrapje dat ik toen niet begreep. Nie mand, trouwens. Het was aan het eind van de jaren vijftig. In Nederland hadden we nog nooit van hooligans gehoord. Simpson was van origine reclametekenaar. Dat zijn creatieve mensen. Toen hij het uitlegde, moest ik lachen, want ik houd van woordspelingen en spreekwoorden. Ik kijk bijvoorbeeld graag naar Tien voor taal met Anita Witzier. Leuke meid, komt uit Groot-Ammers, net als ik. Maar we hadden het over woorden. Weet u dat je lef hebt en laf. Dat is maar één letter verschil, maar toch betekenen die twee woorden heel wat anders. Dat heb je ook in het Engels. Daar betekent lawyer advocaat. Maar als je één klank verandert en liar zegt, heb je het over een leugenaar. Na mijn wielerperiode ben ik postbode geworden. Als je de post bezorgt, werk je alleen. Maar niet als je post staat te sorteren. Ik had een collega, die hield niet zo van praten. Op een gegeven moment zei hij tegen me: "Hou toch eens je kop. Jij bent zeker pratende geboren."

Dat vond ik een mooie uitdrukking. Mis schien had hij wel gelijk. Ik heb een keer vreselijk om hem gelachen. Op maandagochtend staan die jonge gasten op te scheppen over wat ze in het weekeinde gedaan hebben. Ze waren hier en daar wezen stappen, en ze hadden meiden versierd. Op een zeker moment was hij het zo zat dat hij tegen die jongen zei: "Wil jij nou eens een keer écht lekker neuken?"

"Hè?"

"Wil jij nou eens een keer echt lékker neuken?"

"Ja, hoe dan?"

"Dan moet je mijn lul gebruiken."

Als het moest, kon ik trouwens best mijn mond houden. Ik liep de post in Noordwijkerhout. Daar wonen bollenboeren en er zijn zeven campings. Dus in de zomer is het er vreselijk druk.

In het hoofdkantoor in Leiden wordt iemand die wat heeft uitgevreten naar Noord wijkerhout overgeplaatst. Dan kan ie leren wat er te koop is, zeggen ze in Leiden. Daar noemen ze Noordwijkerhout het strafkamp. Ik had een dienst tot half vier 's middags. De post was gedaan en om tien voor half vier kwam ik weer binnen.

"Zo Arie", zei die vrouw van de directeur, "heb je weer lekker in de duinen gelegen?"

Ik heb haar alleen maar aangekeken. Niks gezegd. Ben je gek. Daar ga ik niet tegenin, want dan hebben ze je. Je moet nooit vergeten: de baas is je vijand. Het hoeft geen oorlog te zijn, maar die man komt echt niet binnen om cadeautjes te geven. Als je daarmee rekening houdt, kun je ook niet teleurgesteld raken. Er is nu eenmaal verschil tussen de grote en de kleine jongens. Ik was eens op een bijeenkomst waar de president-directeur van akzo-nobel was. Die man stond te boek als de bestgeklede jager van Nederland. Wij kleine jongens krijgen consumptiebonnen, maar dat soort mensen krijgt een fles champagne om uit te schenken.

Vroeger flapte ik er alles uit. Maar ik heb geleerd dat het soms verstandig is eerst te luis teren. In de jaren zestig was er in Doetinchem wat te doen met ex-sportmensen. Of ik wilde komen, de reiskosten zouden worden vergoed. Ik had een vakantiedag opgenomen en m'n vrouw en ik zijn er met de trein naartoe gegaan. We hadden alles keurig opgeschreven. Er was destijds een sportverslaggever, Koen Verhoeff, die had een koffertje met contant geld en we moesten een voor een bij hem in een kamertje komen om af te rekenen. Ik liep achter Gerrit Schulte aan, want ik dacht: ik zal eens aan de deur horen hoe hij dat nou doet. Nou dat heb ik gehoord. Hij was 's ochtends vroeg met de auto en zijn vrouw uit Den Bosch vertrokken. On der weg hadden ze koffie gedronken en hadden ze ergens geluncht. Hij had in elk geval een flinke rekening voor dat kleine eindje van Den Bosch naar Doetinchem. En daarna kwam ik met m'n twee treinretourtjes. Later dacht ik: ik had die opgenomen dag ook moeten declareren. Maar ja, zo ben ik niet. Ik heb daarover nagedacht en ontdekt dat ik daaraan geen energie aan besteden. Als het moet, kan ik slecht zijn, slechter dan jij, maar ik heb er gewoon geen zin in. Ik kom wel voor m'n rechten op, maar ik ga niet op m'n strepen staan. Arie van Vliet was ook eens sportman van het jaar. Hij kreeg een televisietoestel, ik een radio. Dat komt, zo'n man zei rustig dat hij anders niet kwam opdagen.

Wij gewone jongens denken daar niet bij na. Doping is ook zoiets. Eerlijk waar, ik heb het nooit gebruikt. Daarom ben ik ook niet zo lang beroepsrenner geweest. Ik voelde me toch niet thuis in dat wereldje. Dat komt ook, omdat ik christelijk-gereformeerd ben opgevoed. Wielrennen mocht ik niet van thuis. Als jongen verborg ik de fiets achter het brand weerhuisje en zondagochtend om vijf uur liep ik in drie stappen de trap af, zo helemaal voorover, want ik wist precies welke treden kraakten.

Bij de bakker had ik een brood gekocht en bij de groenteboer een kilo tomaten. In de ochtend reed ik dan een wedstrijd en 's middag ging ik naar het strand. Tegen een uur of acht ging ik weer naar huis. Eerder thuiskomen had geen nut, want ik werd toch zonder eten naar bed gestuurd. Daar maakte mijn vader geen woorden aan vuil.

Dat brood en die tomaten had ik toen al in de gaten, want ik heb altijd gezorgd dat ik genoeg vitaminen en mineralen binnenkreeg. Ik kon voor een koers zo twee kroppen sla opeten.

Biologisch eten en drinken zijn nu in de mode, maar ik ging toen al naar een reformwinkel. Daar kocht ik flessen zeewater, want alle leven komt uit de zee. Daar zit alles in. Dat water hadden ze in de Oostzee op 12 kilometer van de kust naar boven gehaald. Een nadeel was wel dat het 2 gulden per liter kostte. Dat was toen een boel geld. Dus op het lest ging ik zelf met een paar kruiken en flessen naar het strand. Dan liep ik een eindje de zee in en liet ze vollopen. Als ik die flessen een nachtje op het aanrecht zette, was dat water ook helder geworden. En het was goed water hoor. Je kon er zo een biefstuk mee afblussen.

Bij wijze van spreken dan, want voor vlees had ik had geen geld. Daar maakte ik me weleens zorgen om, want elke wielrenner at vlees. Totdat ik eens bij de fietsenmaker een man sprak die in Oost-Azië was geweest. Dat werd een beetje een filosofisch gesprek. Ik zei dat ik vrijwel vegetarisch was, omdat ik geen vlees kon betalen. Die man gaf me toen een antwoord, dat mij vreselijk veel goed heeft gedaan. Hij zei: "Arie, dat geeft niks. Alles wat je opeet, wordt toch vanzelf vlees?"

Zo had ik het nog niet bekeken. Die man had gelijk. Je hebt helemaal niet veel vlees nodig. Aardappelen wel. Ik weet nog dat ik een keer op de bonnefooi naar de Acht van Bolsward ben gegaan. Op de fiets, want ik had geen geld voor een auto. 's Ochtends vroeg, vóór ik om vijf uur wegging, heb ik eerst een pan aardappelen gegeten. Dan waren die alvast binnen.

Ik kreeg zo wel de naam een excentriekeling te zijn. Ik was ook populair bij de journalisten, omdat ik zo gemakkelijk praatte. Maar weet u dat ik nog de meeste publiciteit heb gekregen door mijn mond te houden? Ik was amateur-wereldkampioen stayeren geworden. Aan de verslaggevers vertelde ik dat ik elke dag zeewater dronk.

"Hoeveel?"

"Een glas."

"Dat spreekt de mensen niet aan", zei Her man Kuiphof. "Daar maken we een liter van."

Ik heb het zo maar gelaten, want mijn moeder zei altijd: "Als de visite wat vraagt, zeg je maar dat je het niet weet. Want als je ja zegt, vragen ze door en als je nee zegt ook".'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden