Als ik naar het nieuws kijk, kan ik geen spot en hoon meer zien

In december denk ik aan Ariwara no Narihira. Als het jaar ten einde loopt en de vermoeidheid toeslaat, is het tijd voor Japanse poëzie....

Marjolijn Februari

Eigenlijk mag je niet moe zijn. Het moment waarop je in het openbaar verschijnt, moet je steevast een nieuw gezichtspunt klaar hebben en een nieuw geluid. Fonkelnieuwe analyses van het leven. Een frisse blik op Uruzgan, een hypermoderne aanpak van Nederland en jeugdig elan in de politiek. Inderdaad. Maar, zoals ze in de reclame zeggen, nu even niet.

De poëzie in mijn hoofd is een jukebox vol liedjes over de eeuwige terugkeer der dingen. Dus zodra ik aan het gedicht van Ariwara no Narihira denk, denk ik ook aan het gedicht The Wheel van Yeats. Dat gaat over de wisseling der seizoenen. In de winter verlangen we naar het voorjaar, schrijft Yeats, in het voorjaar verlangen we naar de zomer en in de herfst weer naar de winter. En aan deze eindeloze rondgang van het wiel leest hij onze doodsdrift af. ‘What disturbs our blood/ Is but a longing for the tomb.’

Nou, zo erg is het nou ook weer niet in deze december. Ik lijd niet aan doodsdrift, maar aan poëzie en het diepe besef van vergeefsheid. En misschien beschreef Martinus Nijhoff dat gevoel nog wel het beste. In zijn gedicht De troubadour had hij het over een musicus die zijn fluit in een fontein wierp, omdat hij een ‘moeielijker wijsheid’ wilde vinden. ‘Hij heeft des nachts op een rivier gevaren, / Hij zag het zonlicht dat de straten kleurde - / En wist dat hij niet leefde, maar gebeurde, / Dat daden machtloos als seizoenen waren.’

Het is vast niet de bedoeling dat ik mijn gevoel over de ijdelheid der dingen zo onbeschaamd op straat gooi. Of dat ik welk gevoel dan ook op straat gooi. Een paar seizoenen terug stond althans in deze krant een boos stuk van Kees Fens over stukjesschrijvers – ‘columnisten’ – die te veel over hun eigen leven schreven. Vroeger lieten stukjesschrijvers hun eigen leven thuis en zorgden ze ervoor dat alle zachte meningen ‘in spot en hoon ten onder’ gingen.

‘De schrijver van de column’, schreef Fens, ‘ging het om ideeën, denkwijzen en alle mensen die de lafheid van de zachte krachten vertegenwoordigen. Over al die meningen en mensen schreef hij. Over zichzelf nooit. Zo hoort het ook. Bloed aan de paal – dat was een column.’

Ik weet het, ik weet het, ik weet het. Spot en hoon, bloed aan de paal, ik zou nu op zijn minst de hooggeleerde Kees Fens van katoen moeten geven, maar ik kan het niet. Ik ben moe. De zachte krachten hebben bezit van mij genomen. Als ik naar het nieuws kijk – alweer een oorlog, en alweer een overstroming en alweer een gruweldaad – kan ik geen spot en hoon meer zien.

Mijn enige excuus is dat ik hier geen individueel gevoel beschrijf, maar een universeel besef van vergeefsheid en vergankelijkheid. Iedere krantenlezer voelt waarschijnlijk hetzelfde. Toch komt er in mijn geval nog iets anders bij. Het afgelopen jaar heb ik me actief ondergedompeld in de literatuur en ik merk nu dat dat literaire schrijven me begint te veranderen. De laatste weken neemt mijn analytisch vermogen af en functioneert het denken nog vooral lichamelijk: ik ga louter af op mijn gut feeling en alle sluizen van het gemoed staan open.

Dit is een aanstootgevende situatie. Gênant. En het feit dat ik dit zo exhibitionistisch in de krant zet, bewijst wel dat ik geen enkele rem meer heb. Geen enkele schaamte ook. Ik heb mijn fluit brutaalweg in een fontein geworpen om in de literatuur een moeilijker wijsheid te gaan vinden. Nijhoff zegt daarover: ‘Hij was een reiziger, den dag lang droomend, / Zijn doel was naar een horizon gericht, / Hij voelde 't leven uit zijn hart weg-stroomend –’ En jawel, dat maakt mooie poëzie, maar een lousy column.

Uit arren moede heb ik mijn eigen stemming nu maar geprojecteerd op een van de personages in het boek dat ik aan het schrijven ben. Ik laat hem, een jurist van tegen de zestig, ’s avonds laat in zijn werkkamer zitten, en precies zoals ikzelf weet hij niet meer uit welke uithoeken van zijn lichaam hij nog nieuwe gedachten voor zijn argumentaties moet aanvoeren, zijn bijnieren hebben de aanmaak van adrenaline opgegeven, hij heeft weken aan één stuk doorgewerkt en hij is doodmoe.

Dit heeft alle kenmerken van het artistieke, denkt hij dan, zo ongeveer moet de literaire schrijver zich voelen als zich niets meer aandient. Zijn inzinking krijgt daardoor een allure die hem goed bevalt, al komt hij wat lacherig tot de conclusie dat zijn eigen leven het dichtst in de buurt komt van het ware leven als hij tot niets meer in staat is. ‘Zodra hij zich straks weer zal richten op zijn werk, de juridische haarkloverij waarin hij excelleert, zal het gevoel van urgentie verdwijnen. Dan krimpt zijn bestaan weer ineen tot dienstbaarheid en functionaliteit.’

Vanwege deze passage en vanwege deze gemoedsgesteldheid vond ik mijn eigen personage voor het eerst echt sympathiek. Voor die tijd had hij vooral alle nare eigenschappen belichaamd van de eigentijdse intellectueel. Maar zijn zwakte maakte hem een ogenblik menselijk en daar hebben we dan ook het verschil te pakken tussen literair proza en de column. Want in de literatuur zijn het de zachte krachten en alle nuances van de menselijke ziel die de mensen zoveel interessanter maken dan de mensen die we dagelijks tegenkomen in de krant.

En zo kan het in literair proza dan ook gebeuren dat een laaiende en lyrische vermoeidheid iemand voor één keer ongekend ontvankelijk maakt. Zoals Martinus Nijhoff zijn gedicht beëindigt:

‘En zijn gelaat was bleek, en blonk van licht, / Als van den man die, uit de bergen komend, / God zag van aangezicht tot aangezicht.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden