'Als ik bingo, vergeet ik alles'

Bingo is bingo niet meer. De commerciële bingo's vormen een industrie waarin honderden miljoenen omgaan. Maar niet overal draait het om geld....

Er bestaan bingo-organisatoren die zich helemaal niet aan de regels houden en veel te hoge prijzen uitloven, maar Jan Meulendijks zegt: 'Ik heb niets te verbergen.' Hij staat voor zijn eigen, witgeschilderde Zaal 't Hout aan de Mierloseweg in Helmond, waar al 25 jaar tweewekelijks wordt gebingood. Jan is een kleine, vriendelijke vijftiger. Een roze poloshirt is met een riem in de spijkerbroek gesnoerd en op zijn neus staat een bril met een goudkleurig montuur.

Binnen, tussen de lange rijen tafels, stelt Jan ons voor aan 'lieve mensen' als Fien de Graaf (78), een dame met evenveel bingo- ervaring als hij, zij het als speler, die zegt: 'Onrust, eenzaamheid, pijn op de borst - als ik bingo, vergeet ik alles.' En ook al wordt Jans echtgenote, Monique Meulendijks, gekweld door een vermoeidheidssyndroom en kan ze 'elk moment wegvallen', toch zal ze de hele avond koffie blijven aanslepen. Geniet er maar van, zeggen haar vermoeide ogen dan.

Bingobus

Ook Partycentrum Overtoom in Amsterdam is een grote, rechthoekige ruimte met lange tafels, al is hier het systeemplafond vergeeld, passen de stoelen niet netjes bij elkaar en bestaat het publiek voor ongeveer de helft uit Surinamers en Antillianen. Eigenlijk mochten we hier niet komen, zoals we geen enkele commerciële bingo mochten bezoeken. Als kranten schrijven dat je volgens de wet op de kansspelen 1400 euro aan prijzengeld mag verdelen en dat op plekken als deze soms wel 20 duizend euro wordt weggegeven, wordt dat in de bingobranche als negatief ervaren. Vlak voordat de hoorn op de haak ging, zei een medewerker: 'Wij worden altijd afgekraakt.'

In de steeg voor de ingang van het partycentrum houdt een enorme neger de wacht. Binnen doet het denken aan een Caribische kantine, met mintgroene verf in plaats van lambrisering. Het duurt niet lang of er komt van grote afstand een boos kijkende man op de nieuwelingen afgebeend. Onderweg zegt hij twee keer: 'Journalisten krijgen allemaal een proces aan hun broek.' En, eenmaal tot stilstand gekomen: 'Zijn jullie journalisten?' Natuurlijk zijn we geen journalisten. De laatste keer dat we bingoden, ergens op een camping, waren we een jaar of tien. Nu willen we weer eens zien hoe dat ook alweer gaat, bingo. 'Ach zo', brengt hij uit, en loopt weg, al zal hij de boel de hele avond scherp in de gaten blijven houden.

Bingo wordt bij voorkeur gespeeld in functionele ruimten, waar niets staat dat niets met bingo te maken heeft. Er zijn tafels en stoelen en spelers. Er is iemand die nummers afroept en iemand die kaarten controleert en prijzen uitdeelt. Onderzoek beweert dat de gemiddelde speler een vrouw is van vijftig plus met een inkomen van 900 euro, maar ze hadden er ook bij kunnen vermelden dat ze graag veel sigaretten rookt. In Amsterdam gebruiken ze kaarten van papier en hebben ze een echte ballenmachine. In Helmond zijn de kaarten zelfgemaakt en geplastificeerd, nemen de mensen zelf fiches of muntjes mee en gebruikt Jan Meulendijks damstenen die hij met een vilstift van cijfers heeft voorzien.

Een bingoavond begint om half negen, maar de zalen zijn veel vroeger vol. In Amsterdam beginnen ze meteen aan voor- en tussenronden. Er zijn hier meer mannen dan in Helmond. Het partycentrum trekt ook bezoekers uit Utrecht en Rotterdam, steden waar je niet om grote prijzen mag spelen, met een speciale bingobus worden ze aangevoerd en later ook weer thuisgebracht. Vanavond was de bus niet vol, maar er zijn ook avonden dat de chauffeur, zo vertelt hij, aan een dubbeldekker nog niet voldoende heeft.

Maar het bingo is zichzelf niet meer - de laatste tien jaar is het aantal zalen en spelers explosief gestegen en moet het een industrie zijn geworden waarin honderden miljoenen euro's omgaan. Amsterdam kent vier grote, commerciële bingo's, in Helmond zijn er minstens twee. In Achter-Drempt en Sas van Gent heeft de politie twee illegale bingo's gesloten. Sommige organisatoren gaan last met de belastingen krijgen. En in de Tweede Kamer sprak minister Donner van een nieuw te ontwerpen vergunningenstelsel voor fatsoenlijke bingo's, zodat ook in Den Haag het bingodebat is geopend.

In Helmond lijken de meeste mensen vooral verslingerd aan het spel. Met een kaart van 6 euro kunnen ze elke ronde 50 euro winnen. Op een volle kaart wordt gereageerd met het helder uitroepen van het woord 'Kien!', want zo heet bingo onder de rivieren, waarna een vrolijk golfje teleurstelling door de zaal trekt. In partycentrum Overtoom kun je al een beetje zien dat voor sommigen het spel zijn onschuld heeft verloren. Voor 10 euro maak je daar 22 keer kans op 100, en 11 keer op 450 euro. Maar je kunt ook met 6 kaarten tegelijk spelen en meedoen aan allerlei voor-, tussen-, pauze- en koffieronden. Als daar iemand afgemeten heeft gezegd: 'Ja, bingo, hiero', laat een vrouw zich sissend tegen de rugleuning van haar stoel vallen: 'Die ballen zijn niet goed geschud.'

Lazy Boy

Meteen na zessen stroomt de parkeerplaats in Helmond vol. Die wordt bewaakt door Jan, een gepensioneerde buurtbewoner, die de hele avond rechtop in een fluorescerend hesje op de kiezels staat en na Goede tijden slechte tijden gezelschap van zijn echtgenote krijgt. Binnen gaan de gasten zo snel mogelijk op hun vaste plek aan de tafels zitten. Heel even concentreren zij zich op hun blikken bakjes met fiches en worden er figuurtjes van staal en hout uitgestald, die voor geluk en gezelligheid moeten zorgen. Als ook de pakjes goedkope shag op tafel liggen, kan het jokeren, waarmee alle tijd buiten het bingo wordt gevuld, een aanvang nemen.

Tonny Jacobs (71) en Tonny Wanders (72) zitten tegenover elkaar, linksachter in de hoek, dicht tegen de muur. Tonny en Tonny zijn huisvrouwen. De eerste is eenzaam, zegt ze, de tweede heeft een man die niets wil. 'Hij houdt niet van wandelen', zegt ze. 'Hij houdt ook niet van fietsen of spelletjes doen. Eigenlijk vindt hij niets leuk.' Daarom halen Tonny en Tonny vier keer per week een kam door het haar en trekken ze mooie jurken aan om een avond te kienen. Alles doen ze samen, ook kaarten kopen en prijzen verdelen. Vanaf het puntje van de stoel zegt Tonny Wanders: 'Het mooiste is: het winnen, het 'kien' kunnen roepen.'

'Hier los ik mijn eenzaamheid op', zegt Tonny Jacobs. 'De televisie vind ik niets aan. Thuis heb ik een luie stoel, een Lazy Boy, en daar ga ik 's avonds op zitten. Vaak val ik om acht uur al in slaap, als de quizzen zijn afgelopen, en word ik pas om één uur weer wakker. Dan staat de televisie nog aan en heb ik er niets van gezien.'

'Ach, de tv,' zegt Tonny Wanders, 'daar is zoveel op dat ik schoon vind. Alleen zit mijn man altijd naar het voetbal te kijken. Heel lastig is dat.'

'Vroeger zat mijn man op de Lazy Boy. Maar hij is dood.'

'En ze herhalen alles. Als ik een herhaling zie, word ik verschrikkelijk boos.'

'Maar ik schaam mij niet voor mijn eenzaamheid. Soms ga ik wandelen of yahtzeeën met mijn zus.'

'Moet je ook gewoon blijven doen.'

'Ik kom uit een arbeidersmilieu', zegt Tonny Jacobs. 'Maar mijn kinderen willen niet dat ik kien. Ze kijken er enorm op neer, op kien. De mensen die het spelen, horen bij het allerlaagste volk, zeggen ze. Ga kaarten, zeggen ze, ga bridgen. Maar het kienen is juist zo gezellig.'

'Gestudeerd, natuurlijk...'

'Ja', zegt Tonny Jacobs met één oog op het podium, waar Jan Meulendijks nu achter een tafel is gaan zitten; de blote voeten rusten op een bruine hobbybox. Ze zegt: 'Ik vind het heel erg zonde dat mijn kinderen dat zo zeggen.'

Damstenen

Tot half elf worden in beide zalen toonloos getallen afgeroepen, al gaat het er in Partycentrum Overtoom wat ondoorzichtiger aan toe. Kaarten worden verkocht door twee verveeld kijkende vrouwen achter een tafel, de vuisten tegen de heupen gedrukt. Er is ervaring nodig om te weten wanneer je met welke kaarten mee mag spelen, maar gelukkig is er een grens aan de hoeveelheid hulpeloze blikken die omstanders verdragen. 'Dat is voor de hoofdronde', zucht een dame met een kleine tatoeage op de roodverbrande schouder. En, wijzend op een plastic plankje met rode schuifklepjes voor de cijfers: 'Dit is voor planken. Jij hebt geen planken.'

Stipt om half negen draait Jan Meulendijks vijf keer het houten bakje met de genummerde damstenen rond, voor de microfoon, zodat iedereen het opvallend goed kan horen, en begint dan aan het spel, sereen en gedisciplineerd, zonder van houding te veranderen; de cijfers krijgen allemaal een afgepaste hoeveelheid valse lucht mee. Tot de pauze om kwart over negen is het stil en mag je niemand in zijn concentratie storen.

Alleen René van Oorschot (37) en Annie Engelen (53) zeggen dat ze kunnen spelen en praten tegelijk. René en Annie zijn broer en zus, al hebben ze niet dezelfde vader. Ze wonen vlak naast elkaar in een straat waar ook nog drie broers woonachtig zijn. Beiden dragen een wit shirt, hebben een uitkering en rekenen alles nog om in guldens; voor hen is het leven eigenlijk te duur. 'In het kien raak ik mijn dagelijkse spanningen kwijt', zegt René zonder op te kijken. 'Soms wil ik de tuin opknappen en is er geen geld. Soms ook hoor ik de hele dag alleen maar gemopper om me heen.' En Annie: 'Hier vergeet ik mijn verdriet.'

Met het afrroepen van het laatste nummertje voor de pauze komen in dezelfde beweging waarmee de fiches van tafel gaan, de speelkaarten erop. Zonder een woord te zeggen of een spier te verrekken, slaan René en Annie aan het jokeren, een op het oog vreugdeloos kaartspel waarbij de spelers beurtelings kaarten op stapeltjes leggen en dingen mompelen als 'gezien'. Na een tijdje legt Annie haar kaarten neer en haalt eens diep adem. 'Ik heb de laatste jaren dus veel problemen gehad', zegt ze.

René schudt de kaarten: 'Moet dat allemaal in de krant, Annie?'

'Ik heb een zoon dood', zegt ze zacht, de blik op haar handen. 'Hij zou gaan vissen, maar hij is nooit meer teruggekomen. Met vier man in de auto zijn ze tegen een boom gereden. Drie waren er op slag dood, mijn zoon stierf tussen de operatiekamer en de intensive care.'

Als we het toch open en eerlijk spelen, lijkt René te denken, dan weet ik ook nog wel wat. Hij is getrouwd geweest, 18 jaar, maar gescheiden. Enkele weken nadat hij en zijn laatste grote liefde, een Poolse zonder verblijfsvergunning, een samenlevingscontract hadden getekend, verving ze de sloten van het huis en gaf hem aan wegens verkrachting. 'Binnen het huwelijk', voegt hij eraan toe, om aan te geven dat er categorieën bestaan. Tijdens de drie dagen dat hij onterecht gevangen zat, kwam het besef dat hij 'het voor de rest van zijn leven wel had geschoten met de vrouwtjes'.

'Ik was negentien en toen had ik al geen vader en geen moeder meer', zegt Annie wanneer haar broer is uitgepraat. 'En ik ben ook gescheiden. De kinderen wonen bij mijn ex. Van de uitkering houd ik maar 120 euro over om van te leven. Als dat ietsje meer was, ging ik elke dag wel ergens kienen.'

'Ik ook', zegt René. 'Vroeger deed ik dat ook. Toen betaalde ons mam dat allemaal. Maar die is dood en nu kan ze dat niet meer.'

'Negentien jaar geleden is het nu', zegt Annie. 'Maar als je zoon sterft, blijft dat altijd bij je. Er zijn dagen dat ik mijn huis niet uitkom. Maar volgens mij heb ik niet genoeg kaarten, René.'

Vleespakketten

Positief gemotiveerd gaat vermoedelijk niemand 25 jaar achter elkaar vier avonden per week aan de bingo, toch lijken vooral de mensen in Helmond de voordelen te genieten van hun verslaving. Al bingoënd verdwijnen vervelende zaken uit het zicht; heel het leven en de wereld hebben een avond lang het heldere overzicht van een bingokaart met negentig cijfers. Dat ontspant en werkt geruststellend, zeggen Fien de Graaf en Nel Speerinx (78). Zoals bijna alle spelers in Helmond hoef je ze maar aan te kijken of ze doen uit de doeken hoe het leven hen heeft behandeld.

Fien en Nel zijn typische spelers in Zaal 't Hout. Oudere, eenzame mensen, met niets anders te doen dan zitten en wachten tot de dag om is. Mensen die al kienden in de tijd dat er om vleespakketten werd gespeeld en men bij een valse bingo een liedje moest zingen. 'Als ik niet meer kan kienen', zegt Fien met donkere ogen, 'ga ik dood.' Haar relativeringsvermogen heeft haar in leven gehouden, zegt ze, 'zeker in de tijd dat mijn man zoveel dronk dat ik hem achter het behang moest plakken'. Het kienen moet dat leven vervolgens een beetje draaglijk houden.

Thuis kan Nel Speerinx poetsen, koffie zetten of de vogels verzorgen; ze heeft een kanarie en een Japanse nachtegaal. Maar dan is de dag nog maar halverwege en weet ze nog steeds niet waar ze het zoeken moet. Haar vriendin knikt bevestigend, terwijl ze tegelijkertijd een lange draad van haar mouw probeert te bijten; dat heeft zij nou ook. Als Nel stil is of wat vaker door haar kleine woning dribbelt dan gebruikelijk, zeggen haar kinderen: 'Het wordt weer tijd, ma.'

Misschien is dit het verschil: in Helmond kienen ze zich uit de problemen, in Amsterdam bingoën ze zich erin. Het zou meteen verklaren waarom de mensen in Partycentrum Overtoom wegschieten als je ze voor vragen benadert.

Ook schrijver Clark Accord had hier last van tijdens de research voor zijn nieuwe roman, die in het najaar zal verschijnen. Bingo! wordt een fictief verhaal over een moeder en een dochter die zich in korte tijd naar de verdoemenis bingoën, gebaseerd op waargebeurde verhalen uit 'de Amsterdamse bingoscène'.

Deurwaarders

'De verslaafden zijn veelal jonge moeders van éénoudergezinnen', zegt hij. 'Die zien hun kinderen niet naar school gaan en ook niet thuiskomen.' Dus als hij leest over jonge meiden in Zuidoost die seksuele handelingen verrichten voor weinig geld of een paar Breezers, en mensen zich afvragen waar dan die ouders uithangen, weet hij het antwoord al: 'In de bingozalen.'

'De hele dag kun je wel ergens terecht', zegt hij vanuit Suriname, waar hij zich had teruggetrokken om de roman te voltooien, maar waar het moeilijk is om je met andere zaken bezig te houden dan de overstromingen. 's Ochtends kun je wel illegaal bij iemand thuis terecht, 's middags en 's avonds kun je naar de zalen en 's nachts kun je weer illegaal verder. Thuis liggen de brieven van deurwaarders opgestapeld, maar dat is voor hen des te meer reden om te gaan - ze blijven hopen dat ze zich met één goeie avond uit de schulden kunnen spelen.'

Niemand weet hoe het komt of vraagt zich dat af, maar het blijkt algemeen bingogebruik: meteen nadat het laatste nummer is afgeroepen, stromen de bingozalen leeg. In Amsterdam gaat het groetend en zwaaiend, en wandelen mensen nog enigszins waardig naar buiten, uitwaaierend over de Overtoom. In Helmond zetten ze het letterlijk op een rennen.

Om twee minuten over half elf staat alleen Frans Jansen nog buiten, morrelend aan zijn fietsslot. Frans Jansen is een kleine, magere man. Op zijn witte pet staat in rode letters de naam van een Belgisch biermerk: Jupiler - eronder gaan kleine, beweeglijke ogen schuil. Frans Jansen kient zich iedere avond helemaal suf, maakt niet uit waar het wordt georganiseerd. Eerst zegt hij: 'Gisteren belde de huisdokter om te vragen hoe het met me ging. Ik zeg: 'Nou, als je op je verjaardag naar beneden komt en er is helemaal niemand, dan is dat toch wel hard, hoor.'' Dan springt hij op zijn fiets, trapt de Mierloseweg in en lost op in het donker. Naar Nuenen is het nog anderhalf uur fietsen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden