Als het maar niet gewoon is

Vervolg van pagina 1.

Na twee huwelijken met respectievelijk een Franse graaf (van wie ze een kind kreeg, Gilles, die zou uitgroeien tot een van de eerste Amsterdamse junkies, om in 2006 aan aids te sterven) en met Remco Campert, die alle dagen feest na vijf jaar te veel vond en in 1960 uit lijfsbehoud terug naar Amsterdam vluchtte, moest Fritzi haar gekraakte villa uit. Vanaf 1971 ging ze in een arbeidershuisje wonen in het Groningse Garnwerd en werd nog minder zichtbaar, wat de geruchten voedde dat ze genoeg had aan haar tuintje buiten en de intrigerende spinnewebben binnen.


Dat haar dictie onverminderd elegant was, bewijst het luisterboek Ze schrijft met haar stem dat twee jaar geleden verscheen, met opnames die in 1989 bij haar thuis in Garnwerd zijn gemaakt. Bovendien blijkt uit de vorig jaar verschenen biografie van de dichteres M. Vasalis (die eveneens teruggetrokken leefde in het naburige Roden, en die met haar bevriend was), dat Harmsen van Beek tot op hoge leeftijd dezelfde is gebleven, immer omgeven ook door 'lastige verloofdes'. Een 'ongetemde vrouw, ik vind het een tover-wezen', schreef Vasalis over haar.


Nu haar poëzie en verhalen voor het eerst verzameld konden worden, is beter dan ooit vast te stellen hoe zeer haar leven en werk bij elkaar horen. Zelfs Fritzi's jarenlange zwijgen lijkt een onderdeel van haar oeuvre, dat de ongrijpbaarheid hoog in het vaandel heeft staan. Haar teksten zijn wel 'grotesken' genoemd (door neerlandica Annie van den Oever, die op het werk is gepromoveerd), vreemde verhalen en grillige regels, je weet niet waar je aan toe bent. Plechtigheid en grappen buitelen over elkaar, uitweidingen en zijpaden alom, alsof je naar een verbaal onderlegd orakel luistert dat een glaasje, of meer dan een, te veel op heeft.


Lang niet alles is goed te volgen. Maar In goed en kwaad laat ook zien waar die grilligheid op stoelt. Haar kwetsbare kanten verborg ze achter die wendingen, de gedichten zijn ontsnappingsclausules. Vaak richt Fritzi zich tot iemand; veel van haar gedichten zijn brieven, of reeksen van vragen, of die nu zijn gericht tot 'Geachte Muizenpoot', haar overleden ouders, haar zoon of zichzelf. Dat zijn even zo vele pogingen om contact te maken.


Vervolgens legt ze in die teksten dan uit dat ze ongeschikt is om ergens lang bij stil te staan. Voortdurend onderbreekt ze zichzelf ook, wat tot uitroepen van verbazing leidt die in de letteren tamelijk ongebruikelijk zijn, zowel in poëzie ('Hee, poppelepee,/ toen trokken de tafels krom, de spiegels besloegen en/ geld werd nog schaarser') als in proza ('Hola vriend, kalmpjes aan asjeblief').


Als het maar niet gewoon is. Een aansteller kan met dat adagium uit de voeten om zichzelf als excentriek te presenteren. Kijk mij eens een gek mens zijn. Maar in het geval van Harmsen van Beek is het een motto als een anker: gewoon is statisch, stilstand, de voorbode van de sluipende afbraak, is de dood, en dáárom is ze in beweging, haar grilligheid wordt doelbewust benut om te voorkomen dat ze kan worden vastgepind. Ze neemt de taal serieus door die per woord te bekloppen en af te stoffen ('Bediende is een verkeerd gehanteerd woord:/ de gene die bediend wordt, ís het, de andere is/ slechts dienaar'), en door alle dooddoeners te omzeilen: 'Tien maanden heb ik onlangs doorgebracht op een eiland, een beetje ledikantvormig eiland, nogal erg ledikantvormig was het. Maar niet onbewoond, omdat ik immers, hoewel uitsluitend, er was.'


Tussen de eigenaardige sprookjes door kan Harmsen van Beek (die 26 was toen haar beide ouders al waren gestorven) ineens uiting geven aan haar verweesdheid ('Nu is het wachten op de avond indigo,/ teleurgesteld en bijna teder'), aan haar vrees voor een oude zwarte 'man van ziekte' die door de tuin op haar af komt ('En niemand/ kan hem keren waar hij zeverend door mijn bezeerde heesters breekt/ en bevend speeksel kwijlt langs mijn beleefde kleine twijgen'), en aan haar eenzaamheid (het schitterend verstilde 'Zinnekuur' uit 1976).


De 'afkeer van middenmatigheid' die Fritzi aangeboren was, en haar voorkeur voor 'de bizarre feeërie van het tot in het onherkenbare uiteengevallen gewone, van bv. de tot niet meer te identificeren pootjes, vleugeltjes, rompjes, oogjes uiteengevallen huisvlieg, die door de kamer vloog', kunnen gewild en geposeerd ogen.


Kan hier nou niet één zin het einde in nuchterheid halen? Wanneer men de teksten van In goed en kwaad zonder onderbreking tot zich zou nemen, is een zekere vermoeidheid allerminst denkbeeldig. Maar in gedoseerde hoeveelheden genuttigd, met aandacht voor de gedachtensprongen als wervelende danspassen en voor de bijpassende ritmiek en klankkleur ('En attendant hebben de peuken in de asbakken gejongd en op de grond nieuwe nestjes gebouwd'), als ook voor de waterval aan ingevingen en nieuwvormingen ('bij voor- en bij nabaat'), is zij nog altijd betoverend.


Kippen weten zowat niets, schreef ze in Hoenderlust: 'Als men ze bezig hoort met hun beweringen, doen ze uitsluitend konde van een soort eeuwigkipheidsgedachte en waarschijnlijk is de diepere zin van hun boodschap verpakt in enkel voor elkaar verstaanbare mededelingen over Voer.'


Doe zo'n zin maar eens na.


F. Harmsen van Beek: In goed en kwaad - Verzameld Werk.

De Bezige Bij; 512 pagina's; € 24,50.


ISBN 978 90 234 6988 9.


Jagtlust van Annejet van der Zijl verscheen onlangs in een vermeerderde en luxe editie (Querido; € 24,95).


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden