Als een spreeuw in de kap van een stationshal Twaalf keer krop in de keel bij verhalen van Rudi van Dantzig

In de allereerste zin van het boek moet de achtjarige Gerda op haar tenen staan, om vanaf de elfde etage van de flat waar ze woont de wereld buiten te kunnen overschouwen....

ARJAN PETERS

In de allerlaatste zin van het boek spreekt een zoon tot zijn ouders, die twaalf jaar na elkaar zijn overleden. Daar ze hem niet meer kunnen horen, is zijn sussende bezwering vooral voor de eigen oren bestemd: 'Gevleugeld zijn jullie met krachtige, zekere slagen aan de afgrond ontstegen.'

De mens als een onelegant klapwiekend insekt dat de koninklijke vleugelslag pas beheerst als het de aarde verlaat; de combinatie van de eerste en de laatste scène uit Afgrond, de bundel die Rudi van Dantzig samenstelde uit verhalen die hij in de afgelopen acht jaar schreef, drukt zijn kijk op het leven in een notedop uit. Wellicht onder invloed van zijn passie voor de dans, heeft de voormalige artistiek leider van het Nationale Ballet voortdurend de neiging de mens met de vogel te vergelijken. Daarbij ligt het voor de hand wie van die twee helemaal niet of uiterst moeizaam van de grond kan komen, wat ook in de figuurlijke zin (van zich ontplooien) moet worden begrepen. 'Ik dacht dat ik kon vliegen,' zegt Rudi als kind (in 'Pijn') tegen zijn moeder, die hem uit zijn nachtmerrie haalt. 'Dommerd, hoe kom je daar nou toch bij,' zegt zij. 'Wacht maar, denk ik, je zult nog wel eens zien.'

Binnen de beperkte mogelijkheden is Rudi van Dantzig later inderdaad een eind gekomen. Anders ligt het bij de personages uit de negen verhalen die aan de drie autobiografische voorafgaan. Zij doen thuis krampachtige

dansoefeningen of zweven van de duikplank waterwaarts; dergelijke beelden benadrukken hun aardse staat van gekooid leven, niet veel verschillend van de spreeuw die in 'Gisteren/morgen' in de kap van een stationshal rondfladdert. Als de angsthazige homoseksueel Stein Kotmann in 'Vanavond kalf, morgen lam?' denkt dat hem de zegen van een mooie jongen te beurt zal vallen, voelt hij zich als met 'reusachtige vleugels waarmee hij jubelend een azuurblauwe hemel doorkliefde'. Totdat de jongen werkelijk bij hem intrekt, een ongeletterde uitvreter met wie hij zit opgescheept in zijn huis als in een kooi.

Naast choreograaf is Rudi van Dantzig ook een oprecht schrijver, zoals hij tien jaar geleden bewees met de succesvolle debuutroman Voor een verloren soldaat. Ook in de verhalenbundel Afgrond heeft hij zijn persoonlijke thema - de ontmoeting tussen mensen van een verschillende generatie en levensstijl, die soms tot een kortstondig (liefdes-)geluk leidt, maar meestal tot een botsing en breuk die niet te overbruggen is - toegepast op uiteenlopende figuren: een klein meisje, een verslaafde hoerenjongen, een Drentse deerne van achttien, Rudi van Dantzig himself, of een lilliputter van zeventien die door zijn ouders naar een diep-menselijk praatprogramma voor de televisie wordt ontvoerd.

De auteur blijft dicht bij die meestal weinig welbespraakte types. Af en toe neemt hij zelfs hun onzorgvuldige taalgebruik over, met als gevolg een onbedoeld spookachtige situatie ('Vergeet je niet om ze bij te schenken, lieverd? vraagt het hoofd van Clovis om de deur.') of een moeder en dochter die een stuk met de bus mee op lopen, in plaats van er in te gaan zitten ('Krista en haar moeder hebben de hele ochtend door de stad gelopen, eerst een stuk met de bus en daarna de ene winkelstraat na de andere in.' Niet verwonderlijk dat Krista doodmoe werd).

Knap is de aandacht die Van Dantzig besteedt aan sprekende details. Een vochtplek in de muur van een nog nieuw huis, waar al wat onheilspellend ruisend gruis uit komt. Of de tandestokers die door het hele huis liggen, bij een gezin waarin veel te wroeten valt. Of de verzameling hondjes van hout, steen en in kinderspeelgoed-uitvoering bij een geestelijk onvolgroeide, bebrilde en hondloze zakenman. Een moeder die zich geheel in schreeuwend rood hult want 'Zaterdagmiddag is haar femme-fatalemiddag': ze gaat boodschappen doen. Of de man die de as van zijn vader wil laten bijzetten, en bij het crematorium een thermosfles in handen geduwd krijgt, die de urn blijkt te zijn waarop de naam van de overledene nog verkeerd gespeld is ook.

Deze details zijn dienstbaar aan het doel dat Van Dantzig voor ogen heeft. De botsing van generaties, die er vaak een is van geliefden die elkaar niet goed genoeg kennen, krijgt door het benoemen van deze uiterlijkheden een bijsmaak van verhevigde bitterheid. In 'Mistroostig fenomeen' vertelt de welgestelde ik-figuur over zijn kortstondige relatie met een Joegoslavische klusjesman. Nadat die heeft bekend dat hij een getrouwde vader is en terug moet, besluit de 'ik' hem een eindje weg te brengen met de trein. De meest eerlijke en meest misbruikte liefdesbetuiging denkbaar, bestaande uit vier simpele woorden, hoort in de coupé waar zij zitten te worden uitgesproken.

Toch krijgt de verteller haar niet over de lippen, want niet alleen zit de jongen tegenover hem er onbereikbaar ineengedoken bij, ook heeft zich aan de andere kant van het gangpad een oudere plebejer genesteld. De vent pakt een zakmes en schilt een appel, waarna het oorverdovende kwauwen en slikken een aanvang neemt, gevolgd door het begin van het gevreesde praatje. Als daarna het klokhuis in de asbak verdwijnt en het zakmes aan de broek wordt afgeveegd, weet je dat de verhouding tussen de verteller en zijn Joegoslaaf nooit zelfs maar bij de naam genoemd zal worden. Op deze manier bezorgt Rudi van Dantzig de lezer twaalf keer een krop in de keel.

In het onverhuld autobiografische slotgedeelte over de dood van beide ouders doet hij dat gedempt en respectvol. In de andere verhalen deinst hij niet terug voor een catastrofale finale met veel boem en paukeslag. Volgens de 'Verantwoording' werden twee verhalen eerder gepubliceerd in de bloemlezing Strandboek, jaargangen '93 en '95. Ik had de koppen wel willen zien van hen die dat destijds aanschaften, en die zich op hun ligbed hadden ingesmeerd en vadsig uitgestrekt, om onder het lamme braden een boekie met toffe verhaaltjes bij de hand te hebben. De debâcles die Van Dantzig ze vervolgens inwrijft zijn dermate schrijnend, dat ik de auteur ervan verdenk met een speciaal genoegen te hebben voldaan aan het verzoek om een bijdrage voor die Strandboeken. Hij rekende er op dat hij nog genoeg lezers zou overhouden.

Dit vertrouwen is gerechtvaardigd.

Rudi van Dantzig: Afgrond. Atlas, ¿ 39,90.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden